+ Meer informatie

Naar een christelijke ascese?

21 minuten leestijd

Het thema voor deze dag „Naar een christelijke ascese?” bevat een woord waaraan we wel moeten wennen. Het woord „ascese” is niet zo gebruikelijk in reformatorische kringen. Mijn woordenboek zegt dat het afgeleid is van het werkwoord „oefenen”, en daar komt dan een toelichting bij dat ascese een oefening is in het zich onthouden van het geoorloofde, om beter te staan in de verleiding van het ongeoorloofde. Dat is een hele mooie uitleg. In ieder geval heeft ascese als kern de oefening in onthouding.

En zo geformuleerd is er al een zekere spanning met de levensstijl in de samenleving van nu. Als in onze samenleving het woord onthouding valt, dan heeft het toch de gevoelswaarde dat onnodig wordt afgezien van iets dat toch mogelijk is - en waarom zou je? Het wordt zelfs verbonden met het woord schadelijk. Onthouding zou voor het lichaam schadelijk zijn. In ieder geval is onthouding een ongerijmdheid in een genotscultuur. En dat geldt ook op het economische vlak. De economie staat in het teken van de mogelijke behoeftebevrediging van mensen. En zei president Eisenhower ook al niet, nu al meer dan vijftien jaar geleden, dat het de plicht was van elke Amerikaanse burger om te consumeren? Want als we niet consumeren, zorgen we niet voor voldoende werkgelegenheid.

De bijbel kent het motief van de onthouding. Het is niet hetzelfde als ascese, maar wanneer Jezus spreekt over zijn leerlingen, dat die zullen vasten wanneer Hij niet meer bij hen is, ligt daar een element in van de onthouding van consumptie in de tijd. Net zoals het Oude Testament de vormen kende van het zich onthouden van het gebruik, van de consumptie van bepaalde goederen, zoals bijvoorbeeld varkensvlees.

Waarom is het motief van de onthouding nu hier aan de orde? Het is een conferentie van ambtsdragers. Ambtsdragers worden verondersteld toezicht te houden op de leer en het leven van de gemeenteleden. Maar vragen rond vasten, rond onthouding, zijn toch altijd erkend als vragen van een persoonlijke levensstijl, waarbij de christelijke vrijheid ook van toepassing was? Dat is zeker zo; ook hier geldt de christelijke vrijheid in volle mate. Maar er zijn wel twee redenen, denk ik, waarom het juist op een dag als vandaag uitstekend past. In de eerste plaats zal niemand van ons kunnen ontkennen dat de juiste omgang met geld en met goederen wel degelijk valt binnen de actieradius van het Woord van God. Daarin wordt gesproken van de mogelijkheid dat mensen zó opgaan in hun geld en in hun goederenbezit, dat ze daarin een andere god dienen dan de enige ware Heer. De rijke dwaas uit het evangelie wordt als voorbeeld door Jezus genoemd.

En in de tweede plaats is het zo dat in de levensstijl van onze dagen waarin het verteren, het gebruiken van wat in de wereld voorhanden is, centraal is komen te staan, de gevolgen daarvan voor diezelfde wereld, voor de levensmogelijkheden van andere mensen zo groot zijn geworden dat daartoe ook bezinning nodig is.

Bepaalde dingen kunnen ook een zaak van belijden worden vanwege de effecten die menselijk handelen op grote schaal voor de wereld als geheel hebben. Vandaag zal ik samen met ds. Plantinga proberen dit wat verder te tekenen. Ik doe dat als econoom en dat betekent dat je dan wordt verondersteld om te spreken vanuit de schaarste.

Schaarste is typisch een woord dat past bij de economie. U vindt het ook in alle leerboeken. En wat ligt meer voor de hand om te zeggen dan dat in onze wereld de dingen schaars zijn geworden en dat we daarom een bepaalde mate van onthouding moeten toepassen? Toch zou ik die benadering niet willen nemen. Ik zou willen starten -juist omdat ik het gevoel heb dat mijn wetenschap u en mij vaak op het verkeerde been zet - met het bijbelse motief van de overvloed. U vindt dat bijvoorbeeld in het evangelie van Johannes, hoofdstuk 10, de gelijkenis van de Goede Herder. In vers 10 staat dan, nadat Jezus heeft gesproken over de Goede Herder, die Hij Zelf is: Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed. Dat is frappant om dat op een dag ter sprake te brengen waar het gaat over onthouding. Maar ik denk dat het ons dichter bij de waarheid brengt dan we zouden vermoeden. Wanneer het gaat over onthouding in deze tijd, zal dit namelijk niet mogen staan in het teken dat het Woord van God ons op bepaalde wijze steeds meer dingen wil afpakken, zodat we steeds minder overhouden. Het motief van het evangelie ook in deze gelijkenis is juist dat we besef dienen te hebben van de overvloed die Christus beoogde te brengen in de wereld en die voor Zijn leerlingen ook bracht.

Anders gezegd: het zou wel eens zo kunnen zijn dat wij gewend zijn aan een bepaalde mate van „overvloed” die in bijbelse zin geen overvloed mag worden genoemd. En dat Jezus in het spreken over leven en overvloed iets anders op het oog had dan de overvloed die in een genotscultuur zichtbaar wordt. Ik heb drie redenen om het zo te stellen en ik denk dat ik ze ook aan die gelijkenis die ik net noemde, kan ontlenen.

In de eerste plaats valt het me op dat overvloed in de bijbelse zin te maken heeft met bijvoorbeeld een beker die overvloeit van datgene wat erin is. Het veronderstelt altijd een maat waar vanuit overvloed zichtbaar wordt. Het veronderstelt een element van genoeg; meer dan je nodig hebt. Er ligt een maatstaf naar dat wat in de gelijkenis de schapen behoeven. Ze hebben fris water nodig, ze hebben gras nodig en het is er in overvloed. De eerste vraag is dus: is in onze samenleving, in onze denk- en levensstijl nog wel het besef van genoeg aanwezig en van datgene wat we nodig hebben? Ik heb vaak de omgekeerde indruk: dat in het verlengde van wat de economieboeken aandragen, namelijk dat mensen onbeperkte behoeften zouden hebben (wat bijbels gezien een leugen is) dat in het verlengde daarvan altijd wordt gesproken over tekorten, over datgene wat we nog niet hebben en wat we moeten proberen tot elke prijs te krijgen. Zo ontstaat er een ander besef van overvloed. Er is dan een zogenaamde overvloed waarin in feite er altijd tekorten zijn en blijven. Ik denk dat dat het eerste contrast is met wat de Bijbel verstaat onder overvloed.

In de tweede plaats is het zo dat het beeld dat Jezus ook in de gelijkenis oproept, te maken heeft met een kudde van schapen die gezamenlijk weide moeten vinden en daarin worden geleid en voorgegaan door een herder. Maar u kent ook al uit het Oude Testament het beeld dat vette schapen andere schapen kunnen verdringen; en dat de herder juist erop toeziet - dat is zijn taak als herder - dat dat niet gebeurt; dat ook de zwakke schapen datgene krijgen wat ze nodig hebben. En de vraag ontstaat of juist in onze samenleving en in de wereldeconomie van nu niet de vette schapen de arme verdringen. In hoeverre is onze materiële welvaart gebouwd op het bestendig blijven van de armoede van velen? Dat stelt kritische vragen die toch ook wel degelijk met geloof te maken hebben. Want het gaat niet aan dat de wereld die ons allen geschonken is, eenzijdig ten bate komt van bepaalde mensen op de wereld. Iedereen mag leven hebben. Ieder schaap heeft de belofte van overvloed.

En dan is er ook een derde element, namelijk dat Jezus uitdrukkelijk in zijn woorden overvloed met leven verbindt. Het gaat om het leven zoals Hij dat heeft bedoeld. Maar is onze materiële overvloed in vele opzichten niet juist levensverstikkend geworden? Het lijkt net alsof onze consumptie, onze gebruiksstijl, invloeden heeft over de hele wereld heen, waarbij er dan een relatie ligt - u zult allen de krant lezen - tussen onze energiebehoefte en het feit dat olietankers op de klippen gaan en het milieu van Alaska diepgaand verontreinigen. Onze behoefte als samenleving aan Produkten als tropisch hardhout veroorzaakt dat tropische bossen met grote snelheid van de wereld verdwijnen: de oppervlakte van één voetbalveld per seconde aan tropisch hout.

Onze vervoersbehoefte heeft een relatie met het ontstaan van zure regen en onze behoefte aan sprayers een relatie met het ontstaan van gaten in de ozonlaag. Ik denk dat we het zo kunnen zeggen dat onze zogenaamde overvloed fundamenteel levensbedreigend is geworden en daarom afwijkt van wat Jezus met de woorden heeft bedoeld: Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed.

Ik zou het afsluitend zo willen zeggen dat in de wijze ook van onze omgang met deze wereld, die een schepping is, een element kan zitten van heiligschennis. Want de aarde is door de Here geschapen, is de voetbank van Zijn voeten en het is het huis waarin Hij wil wonen, de oikos, waarin de Heer ook tegenwoordig wil zijn. Met zijn huis mogen we niet omgaan alsof het alleen maar ons huis zou zijn. Je hebt het te beheren als het huis van een ander en er zorg voor te dragen als het huis van een ander.

Ik wil twee aanwijzingen geven dat we wellicht nog iets dieper moeten gaan. Het element van de tijd zou ik willen inbrengen en het element van de gezondheid. Tijd, zo zeggen we in onze samenleving, is schaars, en in zekere zin is tijd altijd schaars geweest. Maar is tijd ook niet schaarser aan het worden? Er is een spreekwoord in Amerika dat zegt: Vroeger stierven hier mensen door gebrek aan voedsel, nu gaan Amerikanen dood door gebrek aan tijd. Je ziet het hoe wij allen steeds minder tijd blijken te hebben, ook voor elkaar. En u zelf zult ook de zorg gehad hebben dat, als bijvoorbeeld de kerkeraad moet worden aangevuld en er mensen daarvoor nodig zijn, hoe ongelooflijk snel het beroep wordt gedaan op het feit dat mensen daarvoor geen tijd meer hebben. Is dat alleen maar een verzinsel van mensen, om onder een roeping uit te komen? Ik denk het niet. Ik denk dat tijd in toenemende mate schaars is geworden in onze samenleving. Dat heeft te maken met de wijze waarop wij met goederen en met geld omgaan en hoe we in het economisch leven ons opstellen. Consumptie van goederen kan namelijk nooit plaatsvinden zonder enig tijdsbeslag. Als u goederen aanschaft kost dat tijd. Als u goederen gebruikt kost dat tijd. Als u ze onderhoudt kost dat tijd. Als u ze moet vervangen kost dat ook tijd. Als een samenleving materieel steeds welvarender wordt, zie je dan ook dat steeds meer tijd van de mensen gaat zitten in de omgang met goederen. Je kunt ook zeggen dat, net zoals wij tijd besteden aan contacten met mensen, iets als een televisietoestel tijd van ons opeist. En daarom is een materieel welvarende cultuur vaak een cultuur waarin de contacten tussen de mensen wezenlijk afnemen. Niet de contacten die je functioneel zou kunnen noemen, met iemand die je in een bepaalde taak tegenkomt, maar de vormen van spreken van mensen onder elkaar, van mens tot mens. Daar is steeds minder tijd voor, omdat de samenleving door goederen en geld getypeerd raakt. Dat betekent dat ook vormen van menselijke gemeenschap minder kans hebben in een cultuur die alles sterk zet op het groeien in consumptiebezit, in levensstandaard.

Iets soortgelijks geldt ten aanzien van de menselijke gezondheid. Het is, denk ik, wel algemeen bekend dat te veel consumptie kan betekenen dat de menselijke gezondheid bedreigd wordt. Maar er is ook nog een andere kant. Is het u wel eens opgevallen dat de gezondheidszorg, de medische zorg, steeds meer in de richting gaat van niet alleen het levensbehoud van de mensen, maar ook van de kunstmatige levensverlènging van de mensen? Je zou het ook zo kunnen zeggen, dat de lengte van het menselijk leven een economische behoefte is geworden waarvoor miljarden worden uitgegeven. De gezondheidszorg staat steeds minder in het teken van het herstellen van ziekte maar veeleer in het teken van de schaarste die ontstaat omdat mensen langer willen leven, welhaast tot elke prijs. Zo wordt ook een gezondheidszorg onbetaalbaar in de samenleving.

Laat ik het voorlopig samenvatten, om van hieruit verder met u te gaan - als het ware een tussenconclusie:

In de eerste plaats blijkt het niet zo te zijn dat, wat wij overvloed noemen, samenvalt met het bijbelse woord overvloed. Eerder zijn we - het is een uitdrukking van dr. Achterhuis - in het rijk van de schaarste terechtgekomen, waarin veel wezenlijks steeds meer schaars is en schaars wordt: tijd, milieu, gezondheid, de menselijke gemeenschap. En in de tweede plaats: nu in de samenleving als geheel een steeds verdere verhoging van de levensstandaard materieel zo fundamenteel belangrijk wordt gevonden dat die levensstandaard steeds verder wordt opgeschroefd, ligt daar een principe achter dat de dood in zich draagt. Ik wil dat illustreren met wat een joodse filosofe, Hannah Arendt, heeft geschreven in haar boek over de menselijke conditie (the human condition). Zij zegt - en daar ligt de wijsheid achter van het Oude Testament - dat God elk mens heeft gebonden aan een bepaalde conditie, een bepaalde wijze van mens-zijn. En daar zitten altijd drie elementen in, zo zegt zij. In de eerste plaats dat geen mens kan leven zonder de ander. Als mens kan je niet mens zijn dan in gemeenschap met anderen. De tweede conditie is dat we allemaal een lichaam hebben en ook niet buiten ons lichaam om kunnen leven, kunnen functioneren. Het bindt ons aan de aarde. En in de derde plaats zijn wij ook allemaal gebonden aan een levensloop. We worden geboren, groeien op en zullen ook sterven in de levensloop als sterfelijke mensen. En nu zegt ze dit: datgene wat God als conditie, als bepaaldheid in elk mens heeft gelegd, dat heeft de westerse mens gezien als barrières die je moet nemen, als iets waar je moet proberen overheen te komen, omdat het lastige beperkingen zijn. En daarom moet je proberen ook in je economisch leven los te komen van het feit dat je als mens aangewezen bent op de hulp van anderen. Het individualisme dat zegt dat alles wat een ander bezit, ik ook als individu (= eenling) moet hebben, los van anderen. Dat ik los moet proberen te komen van de beperkingen die de natuur mij steeds stelt. Ik zal steeds verder moeten gaan om de aarde te gebruiken om mijn welvaart te vergroten. En ik moet ook proberen zo lang mogelijk te leven. Ook de laatste barrière moet vallen, dat ik aan levensloop gebonden ben waarin ik ook zal sterven. Het verzet van de mens tegen zijn menselijke conditie is in feite de opstand tegen de Here die de mensen zo gemaakt en geschapen heeft.

Ik denk dat we hier iets raken van de crisis van onze tijd. Maar ook van de kern van ons geloof. Want als dit waar is, is een groeiende levensstandaard kennelijk voor velen in onze samenleving een zaak van geloof geworden. Dat is iets waarvoor je niet alleen hard loopt, hard werkt, maar waarvoor je in ruil, als ware het een gòd, geluk verwacht, leven, overvloed. Maar je merkt niet op dat tegelijkertijd deze god die je dient, je vormen van gemeenschap afneemt, je de tijd afneemt die je nodig hebt, en je ook de gezondheid afneemt; en de natuur om je heen zie je onttakeld worden. Je bent op een pad gegaan van het steeds meer willen hebben, maar het is een weg waarin je de bijbelse overvloed mist en waarin je wordt voorgegaan door goden die wel eens corrupt zouden kunnen zijn. Want de in de bijbel genoemde goden, de afgoden, zijn altijd goden die mensen bedriegen als ze hen volgen.

Is er een andere weg als we zó, op die manier spreken over de tendens in onze tijd van het steeds maar meer willen hebben? Er kan zo gemakkelijk op gereageerd worden: ja, dat kunnen we wel zo zeggen en bekritiseren, maar er zijn geen àndere wegen voorhanden, we hebben niet eens een mógelijkheid om een andere weg te gaan. Ik zou dat willen ontkennen en ook hier, voor dit laatste deel van mijn betoog, willen starten met een bijbels gegeven, wat u vindt in de brief van Paulus aan Timotheus, 1 Timotheus 6. Daar staan de woorden: Als u voedsel, kleding en onderdak hebt, dan moet u dat genoeg zijn. En onmiddellijk daarop volgend: want zij die rijk willen worden, vallen in vele schadelijke begeerten en doorboren zichzelf met smart. Zo’n woord in de Bijbel kun je natuurlijk betrekken op het persoonlijk leven van mensen. Maar het is volstrekt niet onbijbels om zulke woorden ook te betrekken op samenlevingen als geheel. Ook gebeurt dat in het Nieuwe Testament wanneer Jezus spreekt over de etnè, de volken, de heidenen, die streven naar de zekerheid van het steeds meer willen hebben. Hun hart gaat uit naar het zeker stellen van hun welvaart. Maar dan zegt Jezus: maar gij, zoekt het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid en al de dingen waarnaar de etnè, de volken streven, die zullen jullie worden toegeworpen. Welnu, in Timotheus kunnen wij iets soortgelijks lezen. En wel dat als samenlevingen niet op een gegeven ogenblik willen aanvaarden dat er genoeg is op het materieel-economische vlak, dat zo’n samenleving zichzelf te pakken neemt, terechtkomt op het vlak van begeerten die schadelijk zijn en die maken dat je jezelf als mens met anderen de levensmogelijkheden gaat vernietigen.

Maar is het wel mogelijk een samenleving van materieel genoeg? Er wordt gesproken over de economische onmogelijkheid daarvan. Stelt u zich voor dat wij ons consumptiepatroon zouden wijzigen, zouden matigen, dan klapt toch de werkgelegenheid in? Dan is er toch minder voor bedrijven om af te zetten? Als we bewust zouden kiezen voor een soberder levensstijl - en dan bedoel ik niet jezelf op tal van manieren ascetisch dingen ontzeggen, maar de soberheid die gepaard gaat met de rijkdom van een leven, waar andere dingen nog mogelijk blijven - wat moet je dan doen? Als bijvoorbeeld bedrijven meer milieuverantwoordelijk handelen naar hun omgeving toe, wanneer de menselijke kwaliteit van werk belangrijk wordt gevonden in bedrijven, dan gaan toch de kosten van het produceren omhoog? Dan zal blijken dat de concurrentie het afstraft zodat er geen mogelijkheid is om die weg op te gaan.

Hiertegenover zou ik willen zeggen, dat heel belangrijk is, ook in onze stijl van economisch denken, dat we leren te beginnen niet te denken vanuit wat de feiten op een bepaald ogenblik toelaten, maar allereerst vanuit wat behoort. Het is namelijk niet zo dat het gebod van God wereldvreemd is, dat Zijn geboden, zodra je die serieus gaat nemen, je in een economisch moeras doen eindigen. Het is net andersom. Ook wanneer het gebod van God betrekking heeft op het economisch leven, geldt het woord dat we daarin perspectief kunnen zien, dat daarin een wijdte zit die je op geen andere wijze zult ondervinden op de wereld. Welnu, laten we dat eens serieus nemen, voorrang geven aan wat behoort. Het zou in de eerste plaats in onze samenleving voorrang betekenen voor degenen, met name in de derde wereld, die geen mogelijkheden hebben om te leven, omdat ze het meest elementaire missen. Hun moet gerechtigheid worden gedaan. Zij mogen niet onder blijvende schuldenlasten worden begraven. Het is in de Thora verboden om schulden tegenover de armen langer te laten bestaan dan zes jaar. Het zal in de tweede plaats betekenen: voorrang geven aan de zorg voor de natuur, dat de natuur behouden blijft in zijn soortenrijkdom en niet wordt leeggeroofd. En er zal ten derde ook de zorg moeten zijn dat mensen in onze samenleving werk kunnen doen, zinvol werk, ook jongeren. Welnu, economisch is het heel wel mogelijk om in een samenleving gemeenschappelijk aan zulke dingen de voorrang te geven. Het is ook netjes uitgerekend door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in Den Haag. Maar het heeft één consequentie. Je kunt dan niet meer in de samenleving de stijging van de levensstandaard centraal stellen. Als je namelijk op dat vlak niet leert genoeg te hebben met elkaar, dan zal blijken dat de inflatie een land gaat overheersen of dat de buitenlandse concurrentie aan alles een einde maakt. We zullen met andere woorden datgene wat we uit het economisch leven halen aan inkomen, aan loon, aan salaris en aan goederen dienen te matigen, om die àndere dingen op het veld van voorzorg economisch mogelijk te doen zijn. Dat is in feite de grote wisselsom die dan in de samenleving nodig is. De weg is er wel. Maar ze kan niet meer worden begaan zonder dat we zelf die matiging aanbrengen in wat we willen gebruiken. En daar ligt het eigenlijke probleem. Want dat gaat tegen het hart van een cultuur in, die een genots- en een gebruikscultuur is geworden. Het krijgt scherpte naar de loonontwikkelingen in deze tijd, die opnieuw dreigen de pan uit te rijzen, maar die daardoor betekenen dat die velden van zorg, waarbij het leven zou behoren te beginnen, geen kans krijgen om op langere termijn te worden gerealiseerd.

Toch zou ik hier niet de spits willen leggen deze ochtend. Ik zou die ergens anders willen leggen. Waar we het hier over hebben, kan en mag niet de betekenis hebben van een blauwdruk van een nieuw soort samenleving, die ons bestaan zal gaan redden. Ik denk dat wij allen vermoeid zijn geraakt, en terecht, van al de blauwdrukken die mensen verzinnen om te zeggen: op die manier kan een samenleving worden gered. De problemen in de wereld en in onze eigen samenleving zijn zo intens geworden dat we weinig andere mogelijkheden hebben dan het te wagen met het Woord van God dat zegt: begin nu om zó om te gaan met de medemens, begin nu om zó om te gaan met het land dat Ik je gegeven heb, zoals Ik dat heb gezegd en laat het dan aan Mij over om in het verlengde daarvan de mensen en het land te zegenen. Want de gehoorzaamheid aan de Thora is gebonden aan de zegen van overvloed. Misschien mag ik het ook zo zeggen: overvloed is nooit een doelstelling waar je met bepaalde instrumenten naar kan streven. Het is in het bijbelse gedachtenklimaat verbonden met de zegen van de Here die een gevolg is van gehoorzaam handelen. En dus zullen we geen andere mogelijkheid hebben dan die weg in te slaan. Dat is dan een opening naar een economie die niet zijn centrum heeft in het krijgen, maar die zijn centrum heeft in het geven en waarin de overvloed meer typerend is dan de schaarste.

Maar dat is zo ver weg. U zult zeggen: dat kan dan wel in beginsel besloten liggen in de wet van God als een mogelijkheid waarop deze schepping aansluit, maar waar staan wij nu en hier? Welnu: het zou juist van grote betekenis zijn als in het gemeentelijk leven in deze tijd iets zichtbaar wordt van wat overvloed in bijbelse zin zou kunnen betekenen. Wanneer daar iets van het geheim zichtbaar wordt dat, wanneer soberheid wordt gekozen, ook in zijn maatschappelijke uitwerking van het niet meedoen met loongolven die over een samenleving heenspoelen, dat dan in het leven een overvloed zichtbaar wordt die aanstekelijk is naar een samenleving als geheel.

Laat ik proberen het nog iets duidelijker te zeggen. Als wij met elkaar ook op het vlak van het gemeentezijn tot uitdrukking brengen - en dat mag elk gezin voor zichzelf kiezen - dat je op een gegeven moment genoeg hebt in wat je materieel bezit; en we zouden datgene wat we meer hebben dan nodig (de een zal het in geld hebben, de ander in tijd) in overleg met elkaar samen ter beschikking stellen om in te springen in de grote tekorten aan zorg die je in en buiten je eigen gemeente overal ontwaart, dan is in het klein een economie van een andere stijl aan het ontstaan. Een stijl die in het teken staat van een bereidheid om te delen, om te geven, uit een overvloed die zichtbaar wordt. Het zou kunnen lijken op wat we vinden in het boek van de Handelingen, waarin zij, die de christenen werden genoemd („mensen van de weg” was de oudste naam die zij kregen), in de gunst stonden bij het hele volk.

Ik hoop diep op een zodanige vernieuwing van het gemeentelijk leven als een leven waarin men weet van de overvloed in bijbelse zin en men van daaruit de lijnen van genezing trekt naar een samenleving in het groot.

Dank u wel voor uw aandacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.