+ Meer informatie

Van de boekentafel

9 minuten leestijd

DE AMBTEN BIJ MARTIN BUCER

Een bespreking van het proefschrift met genoemde titel, waarop ds. W. van ’t Spijker van Utrecht cum laude promoveerde aan de Vrije Universiteit (uitgegeven door J. H. Kok N.V. te Kampen - 1970, prijs ƒ 28,75) kan in ons blad slechts beperkt zijn. De ruimte ontbreekt om uitvoerig te informeren over dit ,dikke” boek (444 bladzijden tekst). Bovendien is een brede bespreking gezien het academische niveau van deze dissertatie voor een blad als het onze geen vereiste noch noodzaak. Toch is het goed de aandacht van de Ambtelijk-Contact-lezers — voor het merendeel immers ambtsdragers (misschien wel uitsluitend ambtsdragers) — op dit boek te vestigen.

De drie reformatoren van de 16e eeuw, Luther, Zwingli en Calvijn, zijn ons allen bij name (en soms „bij geschrifte”) bekend. Doorgaans minder bekend zijn de reformatorische figuren die als „een wolk van getuigen” rondom hen staan, wier aandeel in de geestelijke strijd van de Reformatie zeker niet minder belangrijk is. Verschillende figuren zijn in de laatste eeuw reeds voor het voetlicht gehaald. Dr. Van ’t Spijker heeft een van de meest belangrijke reformatorische figuren uit de 16e eeuw in zijn proefschrift onder onze aandacht gebracht. In zekere zin is dit een daad van moed. Immers we leven in een tijd die over het algemeen bitter weinig historische interesse heeft. Moet men sommige hedendaagse publicisten geloven dan is het tonen van historische interesse bijna een symptoom van psychische afwijking. In dat licht gezien getuigt het van moed een boek te schrijven over een hoofdfiguur van de Reformatie die met de drie zo bekende reformatoren van grote betekenis is geweest ook voor de reformatie in ons land. Het is wel tekenend dat een blad als „Trouw” — dat als het zo uitkomt, heus wel eens aandacht schenkt aan het ambtsvraagstuk — een boek als dit met een enkele regel afdoet. De verpaupering van het geestelijke, kerkelijke, culturele leven vandaag is voor een niet gering deel te wijten aan deze instelling ten opzichte van de historie met haar bekrompen en verkrampte kijk op het dusgenaamde actuele.

Dit treft met name de gereformeerde kring, waarin tot voor kort een grote mate van interesse voor de geschiedenis aanwezig was, zo groot zelfs dat er bijna normatieve betekenis aan werd toegekend en het wel eens leek alsof het adagium van Groen van Prinsterer: „Daar staat geschreven” ge-evenaard, zo niet achterhaald werd door „Daar is geschied”. De wind lijkt nu wel geheel gedraaid, nu de historie min of meer wordt verguisd althans gebagatelliseerd, zonder dat men beseft met duizend banden aan die historie vast te zitten. Wie dat besef stelselmatig ontwijkt en onderdrukt, mist de mogelijkheid tot zelfcorrectie en verengt z’n gezichtsveld, terwijl hij bovendien het „actuele” waarvoor hij beweert te ijveren, volkomen uitholt en waardeloos maakt. Wie het boek dat dr. Van ’t Spijker ons heeft gegeven, bestudeert, zal ontdekken dat het historisch onderzoek wel degelijk actuele betekenis heeft. Niet dat de auteur elk moment de lijnen naar het „eigentijdse” doortrekt. Reeds op blz. 2 betoogt hij dat niet „op directe wijze” te doen. Maar naar mijn mening zal elke lezer geneigd zijn op talloze bladzijden zaken aan te strepen die tot nadenken roepen juist in verband met de actuele discussie en die waard zijn breder uitgewerkt te worden in hun eigentijdse betekenis. Had de schrijver dat gedaan, het boek zou nog dikker zijn geworden!

’k Heb wel eens gehoord dat een hollandse preekbeoordeling altijd begint met de verklaring dat de beoordeier iets heeft „gemist”. Nu is een proefschrift geen preek, maar de beoordeling mag oer-hollands zijn: ik heb een biografisch overzicht „gemist”. Zeker, allerlei biografische gegevens worden overvloedig gegeven, maar ze staan min of meer verspreid door heel het boek. Het gevaar bestaat m.i. dat op deze wijze de mens Bucer verdwijnt achter de theoloog Bucer. Een korte biografie had zeker dat gevaar kunnen bezweren en de mens Bucer — en daarmee ook de theoloog — nog duidelijker naar voren kunnen halen.

Dr. Van ’t Spijker heeft met grote nauwgezetheid en geduld de „bronnen” onderzocht. In een viertal hoofdstukken geeft hij daarvan rekenschap, waarbij uiteraard de ambtsopvatting van Bucer centraal wordt gesteld. Dat heel diens theologie in dezen meespreekt, behoeft geen betoog. Het eerste hoofdstuk laat duidelijk uitkomen dat Bucers visie op het ambt bepaald wordt door zijn Christologie, pneumatologie en ecclesiologie. Dat beheerst zijn kritiek op de Roomse ambtsopvatting en de relatie die Bucer ziet tussen het priesterschap van de gelovigen en het bijzondere ambt. Dit hoofdstuk betreft met name de periode sinds zijn „overgang” naar de reformatie (op 26-jarige leeftijd), de periode van vorming en voorbereiding die hij grotendeels in Straatsburg doorbracht. Het tweede hoofdstuk is getiteld: Vormgeving. Inderdaad kan de periode 1529–1539 zo worden aangeduid. In deze tijd heeft Bucer gepoogd „vorm” te geven aan zijn visie op kerk en ambt zowel in zijn exegetische geschriften als in de kerkorden niet alleen voor Straatsburg, maar ook voor Ulm, Hessen enz. Dat lukte niet altijd volledig. Maar wel werd zijn visie, vooral exegetisch, verdiept. De volgende periode in Bucers leven (1539-1549) wordt met „Toetsing” aangeduid (hoofdstuk III). De praktijk te Straatsburg en met name de godsdienstgesprekken” en de reformatie-pogingen te Keulen betekenden een toetsing van Bucers visie. Het vierde hoofdstuk betreft de laatste periode in zijn leven (1549–1551; deze jaren bracht hij in Engeland door, waar hij in Cambridge stierf — zijn gebeente werd tijdens het bewind van Marie de Bloedige samen met zijn geschriften op de brandstapel verbrand in 1556; wel een bewijs hoezeer de contrareformatie in Bucer een tegenstander zag!). De auteur laat in dit hoofdstuk zien hoe Bucer gerijpt is door alle conflicten heen tot een visie die fundamenteel is voor de gereformeerde ambtsopvatting en daarmee voor heel de gereformeerde reformatie. In het (niet genummerde) laatste hoofdstuk „Terugblik” geeft dr. Van ’t Spijker een samenvatting van de resultaten van zijn diepgaand en respect-afdwingende onderzoek. Dit hoofdstuk zal voor het grootste deel van onze lezers wel het belangrijkste zijn, hoe boeiend het breed geargumenteerde bronnenonderzoek in de voorgaande hoofdstukken alsmede de tekening van de ontwikkeling die Bucer doormaakte, ook mogen zijn. Het zou de moeite lonen uit dit hoofdstuk veel te citeren om U een indruk te geven van de zaken die aan de orde worden gesteld en die nog van het grootste belang zijn voor de voortgang en de opbouw van een goed en gezond kerkelijk leven. Maar ook al zult U het bronnenonderzoek niet altijd kunnen volgen, leest U zèlf dit laatste hoofdstuk. Graag wil ik op een paar punten attenderen.

Dan dient eerst genoemd te worden het feit dat Bucer de Christocratie zo centraal stelt als het gaat over ambt en kerkrege-ring: Christus regeert de gemeente door Zijn Geest. Of de uitdrukking in onze Geloofsbelijdenis (art. 31) „altegader dienaren van Jezus Christus, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd der kerk” rechtstreeks aan Bucer is ontleend, weet ik niet. Maar de invloed van Bucer op deze door en door reformatorische formulering (die wel heel veel zeggend juist op de dienaren des Woords wordt betrokken) lijkt onmiskenbaar. De klemtoon valt sterk op het woordje „enig” Elke gedachte dat er een stedehouder Christi zou zijn in de kerk is hiermee wel radicaal afgewezen. Die ènige Bisschop, dat énige Hoofd wordt niet gerepresenteerd door welke ambtsdrager ook.

Vervolgens: die gemeente is het lichaam van Christus. Dat betekent een organische verbondenheid tussen Christus en Zijn gemeente en tussen de gelovigen onderling. Daarin functioneert het ambt. Een speciale status voor de ambtsdragers zowel in hun relatie tot de „ambtsgever” als tot de gemeente is daarmee uitgesloten. Het charisma van de ambtsdrager waaraan de gemeente hem herkent en waarin zij hem erkent, maakt hem niet tot een ander, een beter of waardiger gelovige dan de anderen. Het ambt geeft geen sacramentele wijding. En de gemeente is niet afhankelijk van de ambtsdragers. In wezen zijn alle gelovigen gelijk. Er is alleen verschil in opdracht ( = ambt) en daarmee in verantwoordelijkheid.

Dan: in wezen zijn ook alle ambtsdragers gelijk, is er maar één ambt. Episcopaat, presbyteriaat en diaconaat zijn differentiaties die uit de praktijk opkomen. Er is verscheidenheid van behoeften, er is verscheidenheid van gaven. Daarom functioneert het ambt in een pluraliteit van functies en geledingen. De grondslag is het presbyteriaat met het hoofdaccent op de zielszorg. In feite zijn predikanten en diakenen gespecialiseerde ouderlingen omdat zielszorg en hulpbetoon dat nodig maken, diaconia pro Deo. De verleiding om de „geestelijke” op een „voetstuk” te plaatsen is er altijd geweest, al geschiedt dat niet altijd „kerkordelijk” zoals bij Rome. Vooral de predikant wordt graag een speciale status toegedacht in de reformatorische kerken, te sterker bijna naarmate men meer „gereformeerd” pretendeert te zijn. De vooroorlogse discussies over de vraag of het lidmaatschap van de Staten-Generaal verenigbaar is met het ambt van predikant bewijst de latente aanwezigheid van het gevaar deze ambtsdrager een bijzondere status tegenover de „leken” te geven. Heb ik dr. Van ’t Spijker goed begrepen dan zou Bucer met deze vraag helemaal geen, althans minder moeite gehad hebben.

Tenslotte: de grote mate van specialisatie binnen het presbyteriaat die Bucer aanbrengt en waarmee hij meer dan andere hervormers recht heeft gedaan aan de Schriftgegevens, onderstreept ook de noodzaak van gedegen studie, vorming en toerusting tot het ambt, zelf als de ambtsdrager niet een volle dagtaak, wilt U levenstaak vindt in de uitoefening van zijn ambt. De momenteel aan de Theol. Hogeschool gegeven cursus voor ambtsdragers die zo volop in een behoefte blijkt te voorzien, zou zeker Bucers instemming hebben gevonden.

We mogen dr. Van ’t Spijker dankbaar voor zijn studie zijn die nog veel belooft voor de toekomst. In een tijd die als hoogste wijsheid en als een bijna onovertrefbare prestatie beschouwt letterlijk alles „ter discussie” te stellen, is ook het ambt in discussie. Wie zich op welke manier dan ook in deze discussie mengt c.q. erin wordt gemengd, kan niet dan tot schade voor zijn bezinning dit proefschrift negeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.