+ Meer informatie

Ds. Gezelle Meerburg De boeteprediker von het land van Altena

2 minuten leestijd

12

We hebben in de voorgaande artikelen al iets laten zien van het diepe besef van de verantwoordelijkheid ten aanzien van de hem toebetrouwde zielen, dat Gezelle Meerburg in zijn prediking gedreven heeft.

Wie de preken van hem leest, wordt daar telkens door getroffen. Daarom maakt hij het zichzelf niet gemakkelijk en tracht de volle raad Gods te prediken.

In verband hiermee is het goed hier in te gaan op een beschuldiging, die aan zijn adres gericht is.

We hebben op het oog de beschuldiging dat hij de welmenende nodiging des heils in de toepassing achterwege gelaten zou hebben. Hij zou zelfs een vals-lijdelijk christendom gepreekt hebben. Sommigen hebben hem zelfs willen indelen bij een richting, die de verkiezing en verwerping enkel wilde voorstellen, zonder de welmenene roepstemmen Gods uit te dragen.

Nu zal het genoegzaam bekend zijn, dat juist Gezelle Meerburg een afkeer had van het bevorderen van één bepaalde richting. Daartoe zocht hij te veel de waarheid Gods. We zouden het haast zeggen: die waarheid was zijn richting. En dat niet alleen; zo wordt hem ook groot onrecht aangedaan.

Zelf heeft hij op deze zaak gewezen. We kunnen dit lezen in een preek over Titus 2 : 14: „Die Zichzelf voor ons overgegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken”.

Tegen het einde van de preek komen we dit gedeelte tegen: „Men heeft mij wel eens gezegd, dat wij de dode zondaar alleen moesten voorstellen hoe ellendig hij is en wat hij te wachten heeft, maar hem niet op Christus, niet op ontkoming of verlossing wijzen moesten, omdat hij toch dood is en daarom niet horen kan. Doch indien dit onze regel moest zijn, dan zouden we hem niets moeten zeggen, dewijl hij dan ook het eerste niet kan horen. Neen, zo zou er aan duivelen gepredikt mogen worden, niet aan mensen.

Indien de apostelen zo onder de heidenen hadden gepredikt, dan zouden zij met recht hebben kunnen vragen: „Zijt gij gekomen om ons te pijnigen voor de tijd?” Maar men zegt: „Zij kunnen toch niet horen, zij zijn doof en blind”. Doch de vraag is niet, wat zij kunnen, maar wel wat zij verplicht zijn. Is dit antwoord nog niet genoeg, lees dan wat God zegt in Jesaja 42 : 18: „Hoort gij doven, en aanschouwt gij blinden, om te zien”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.