+ Meer informatie

De uitgave van de herziene kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland

8 minuten leestijd

In 1972 verscheen de „Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, vastgesteld door de generale synode van Assen (1957) met de door volgende Synoden daarin aangebrachte wijzigingen en aangevuld met een aantal annexe bepalingen, voorts onder toevoeging van een reeks Bijlagen en een Aanhangsel, uitgegeven op last van de generale synode van Sneek (1969) van deze Kerken”.

Het is een hele lange naam die op de titelpagina van deze uitgave prijkt.

Daaruit blijkt dat de uitgave van deze kerkorde een lange geschiedenis heeft gehad, zoals trouwens het verhaal van de herziening van de kerkorde in de Gereformeerde Kerken op zichzelf ook al een lang verhaal is.

Op de synode van de Gereformeerde Kerken gehouden in Den Haag (1949) werd het besluit genomen om de herziening van de kerkorde ter hand te nemen. Tot op dat ogenblik hadden deze kerken geleefd onder de kerkorde van Dordrecht, waarin weliswaar enkele wijzigingen waren aangebracht. Daartoe had de synode van Utrecht (1905) besloten. Ook waren er in het verloop van een aantal jaren twee nieuwe artikelen aan toegevoegd, maar in zijn geheel genomen was deze kerkorde de aan de feitelijke omstandigheden enigermate aangepaste erfenis van Dordt (1618-’19). Op de voorgenomen wijziging hebben enkele factoren invloed uitgeoefend. In het commissierapport dat destijds op de generale synode der Gereformeerde Kerken diende (zie de Acta van deze synode ’s-Gravenhage 1949/’50, Bijlage LXI, blz. 353-355) vindt men deze zaken vermeld: 1. de toenemende neiging om in bepaalde artikelen van de kerkorde veranderingen aan te brengen die soms van vrij ingrijpende aard waren; 2. het feit dat er, gezien het gebruik van verouderde uitdrukkingen, sprake is van een gémis aan duidelijkheid. Een minder scherpe en preciese wijze van omschrijving geeft aanleiding tot misverstand. Met name werd hierbij gedacht aan moeilijkheden die men bij het voeren van Processen voor de burgerlijke rechter had ondervonden als gevolg van een onduidelijke en minder scherpe formulering van sommige artikelen van de kerkorde. Ter tafel van de synode was een schrijven waarin verzocht werd „na te gaan”, of het mogelijk en gewenst is maatregelen tot veiligstelling der kerkelijke goederen te nemen voor die gevallen, waarin de kerkeraad mocht besluiten tot verbreking van het kerkelijk verband, doch de meerderheid der gemeente zich daarmede niet kan verenigen”. Ook met deze kwestie zou men met de revisie van de kerkorde kunnen rekenen. De derde reden ten gunste van een algehele revisie van de kerkorde was het doorwerkende besef dat men het werk van de zending en van de evangelisatie niet diende te omschrijven in een afzonderlijke orde die aan de kerkorde was toegevoegd, maar dat een en ander ondergebracht diende te worden in de kerkorde zelf omdat het zendingswerk in zijn vele aspecten niet maar een bijkomende aangelegenheid is, maar wezenlijk behoort bij de roeping van de kerk en deshalve ook in de kerkorde geregeld dient te worden.

De volgende synode, die van Rotterdam (1952), stelde een aantal richtlijnen vast die bij de revisie in het oog zouden moeten gehouden worden. Zij kwamen er op neer dat het karakter van de kerkorde als zijnde een gereformeerde regeling van het kerkelijke leven niet verloren zou gaan. De oude kerkorde van Dordrecht zou duidelijk herkenbaar moeten blijven in de gereviseerde. Deputaten togen aan het werk en het resultaat van een en ander was, dat op de synode van Assen (1957) de tekst definitief kon worden vastgesteld terwijl werd besloten dat zij per 1 januari 1959 algemeen van kracht zou zijn.

Er zou nu een definitieve officiële uitgave moeten verschijnen. Daartoe werd wel besloten, maar het verhaal van de uitgave is ook een lang verhaal geworden. Allerlei factoren hebben een en ander vertraagd. Maar tenslotte kon de officiële tekst worden aangeboden aan de kerken. Dit geschiedde in augustus 1971. Tot die tijd toe had men zich moeten behelpen met een voorlopige uitgave waarvoor het kerkelijk bureau zorg had gedragen. Na de uitgave van de herziene kerkorde verscheen een jaar later de uitgave van dezelfde orde met toevoeging van een aantal bijlagen, waarin verschillende regelingen van diverse synodes werden opgenomen. Het gevolg van deze langdurige geschiedenis is, dat bij de uitgave rekening kon worden gehouden met een aantal besluiten die door de synode van Dordrecht (1971) werden genomen, zodat men zeggen kan dat voorzover het gaat om een weerspiegeling van het gereformeerde kerkelijke leven, men met deze kerkorde een getrouw beeld kan ontvangen van hetgeen althans op kerkordelijk gebied het leven van deze kerken dient te bepalen.

Met opzet formuleer ik de zaak zo. De kerkorde geeft weer welke orde het leven van de kerken heeft te bepalen. Zij is officieel door deze kerken aanvaard en men mag dus verwachten dat zij zich zullen houden aan deze gestelde regels.

Nu is dit voor elke kerkenformatie een zaak van spanning tussen de indicatief en de imperatief. Een beschrijving van het in de kerk aangenomen patroon voor onderling kerkelijk samenleven valt niet automatisch samen met dit samenleven der kerken zelf. Dit behoeft ons op zichzelf genomen in het geheel niet te verwonderen. De wetenschap van het kerkrecht heeft immers altijd onderscheid weten te maken tussen het recht zoals dit in de kerken gelden moet en het recht zoals dit metterdaad in de kerken geldt. Er is in de wetenschap van het kerkrecht iets normatiefs én er is iets descriptiefs. Men kan de normen stellen en ieder heeft er naar te staan om die eenmaal aangenomen normen te hanteren en te handhaven. Maar dikwijls geldt hier van de kerken: wij jagen er naar om het te grijpen. Déze spanning is heel normaal voor het kerkelijke leven. Wanneer zij niet meer aanwezig zou zijn zouden er immers geen kerkelijke vergaderingen gehouden behoeven te worden. Men zou eens en voor goed de regels kunnen vastleggen. En dan zouden die regels automatisch toegepast kunnen worden.

Zo werkt echter het kerkelijk leven niet. Daar is geen sprake van automatisme. Dit leven heeft niets van de werkzaamheid van een computer. Dáár heerst de wetmatigheid. Het leven lééft. Dit brengt met zich mee het element van de verrassing, van het onverwachte. En daarvoor zijn er de kerkelijke vergaderingen om, aan de hand van een eens aangenomen kerkelijke orde die regels toe te passen. Dit geeft aan iedere kerkelijke orde iets van bewegelijkheid. En met het oog daarop is de wijze van uitgave ook die van een losbladige multomap. Eventuele toekomstige veranderingen kunnen zonder veel moeite worden aangebracht.

Maar of zij ook zó, met de levendigheid van de spanning tussen indicatief en imperatief een duidelijk beeld geeft van het kerkelijke leven binnen de gereformeerde kerken? Men mag zeggen: zo dient het daar dus te gaan. Maar men hoort binnen de gereformeerde kerken - en waarlijk toch niet van de eerste de beste - nog al eens klagen in de laatste tijd dat men zich niet aan de regels houdt. Dat er op het plaatselijke vlak nog al eens vreemd met de kerkorde en met verschillende synodale bepalingen wordt omgesprongen. Zij worden genegeerd, wanneer dit zo uitkomt. Zij worden geïgnoreerd, d.w.z. men doet alsof ze er niet zijn. En dit is een zaak die niet alleen binnen deze kerken aan de orde is, maar men kan deze houding signaleren bij zo velen voor wie een kerkorde een noodzakelijk kwaad is. Niet dat men van een regel afwijkt is te betreuren, maar dat men voor die afwijking geen gronden heeft en dat dus de afwijking, het terzijde stellen, het niet-nakomen volledig ongeregeld geschiedt, dát is het kwaad, dat niet alleen binnen de gereformeerde kerken voorkomt. In de gereformeerde opvatting van kerkrecht en kerkorde is de buiten-werking-stelling van een regel zelfs geregeld. Dit om het ougeregelde, het individualisme en het subjectivisme te voorkomen. En wanneer ik nu dus schrijf dat het de vraag is, of men aan de hand van de kerkorde een recht inzicht kan krijgen in de kerkordelijke gang van zaken binnen de gereformeerde kerken, dan geldt dit niet alleen deze kerken, maar ook andere kerken van gereformeerde signatuur.

Al met al blijft deze uitgave een zaak van grote betekenis binnen de kerken van de gereformeerde gezindte. Deze laatste heeft niet in de laatste plaats voor wat het kerkrecht betreff, aan de beoefenaars van deze wetenschap binnen de gereformeerde kerken veel te danken. In het gereformeerde kerkrecht zijn namen als Rutgers, Bouwman, Jansen en Nauta begrippen, die aantonen van hoe grote waarde men onder hen de bestudering van het gereformeerde kerkrecht achtte. Mede met het oog daarop mag deze kerkorde op belangstelling rekenen ook buiten de gereformeerde kerken. Niet dan tot eigen schade wordt juist wanneer het gaat om de regeling van het kerkelijke leven, de arbeid van anderen ongelezen gelaten. Men kan leren - soms hoe het moet - soms hoe het niet moet. Zou dit laatste ook het geval kunnen zijn? Daarover een volgende keer nog iets.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.