+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

60.

De vraag: „Maar als dit pad onsnueens van de weg zou afvoeren?” kwam bij Hoop opuit de innerlijk0 schroom voor ’t dwalen van het rechte pad. Maar dat was in het oog van de Pelgrim niet waarschijnlijk. „Kijk”, zo sprak hij beslissend, „loopt het niet geheel evenwijdig met de weg?” En daarmee was het pleit be slecht.

De jeugdige Hoop gaf zich over aan de leiding van zijn broeder, die ouder in jaren en rijker in ervaring was. En hoe zal dat nu aflopen? Waar zullen zij terecht komen? Bij het klimmen over het hek dat scheiding te kennen gaf, kwamen zij het rechte spoor te verlaten. Nauwelijks waren zij aan de overzijde, of zij vonden dat het pad heel effen en gemakkelijker was om te bewandelen. En waarom zou men het zich moeilijk maken als het niet nodig is? Voor zich uit zagen zij iemand lopen, genaamd IJdelvertrouwen. Vragende riepen zij hem toe, waar het pad op uitliep. „Op de hemelpoort”, was het antwoord. „Ziet ge wel”, zei de Pel grim, „juist wat ik zei. Ge ziet dat we op de goede weg zijn”.

En nu geen kommer meer. Een mens mag het zich toch niet nodeloos moeilijk maken. Wij zijn op het rechte spoor naar Sion. Met niet de minste achterdocht kwamen de pelgrims zich te verlaten op de bevestiging van IJdelvertrou wen. Er werd niet gebeden: „Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast”.

Met de lichtvaardigheid van een vleselijk geredeneer volgden zij de man die sprak van de weg naar de hemelstad. Het werd niet eens beproefd of hij het geleerd had de voetstappen van Christus te drukken en op Hem te ver trouwen. Maar weldra viel de duisternis in en het was niet mogelijk elkaar te onderscheiden. Toen nu IJdelvertrouwen, want hij liep nog steeds vooruit, de weg niet meer kon zien, viel hij in een diepe kuil, die daar opzettelijk was gegraven door de eigenaar van de landerijen om ijdele dwazen daarin te vangen, zodat deze leidsman geheel verminkt beneden kwam. Nu stond het ineens vast dat deze gemakkelijke weg niet de rechte weg was, de welgebaande weg des Heeren. Het is dan ook de ijdelheid gekroond te vertrouwen op een godsdienstige beschouwing van een mens. Elke stap dieniet getoetst is aan de proefsteen vanhetWoord,is een stap in de ijle ruimte van het menselijk denken, waarin deze reiziger nu is omge komen.

De Pelgrim en zijn reisgenoot hoorden die val en riepen hem toe om te weten water gebeurd was, doch zij kregen geen antwoord. Het enige dat zij vernamen, was een dof gekreun. Toen zeide Hoop: „Waar zijn wetoch?”Maar zijn vriend bewaarde het stilzwijgen, want hij vreesde zijn reisgenoot op de verkeerde weg te hebben gebracht. Het begon nu ook te regenen en te donderen, terwijl felle bliksemstralen de lucht doorkliefden en het water wies met kracht. Nu begon Hoop te zuchten: „Ach, was ik toch maar op de goede weg gebleven!” En terecht, want door te wijken van het rechte pad gaat het eerst slecht, en dan van kwaad tot erger. „Wie had nu toch ook kunnen denken dat dit pad ons van de rechte weg zou afbrengen?” vraagt de Pelgrim met eenzekere verschoning tegenover zijn broeder, alsof hij in deze aange legenheid onschuldig was.

Maar dat werd door Hoop niet aanvaard. „Daar was ik”, zo sprak hij om die veront schuldiging weg te nemen, „al terstond be vreesd voor en daarom gaf ik u een bedekte wenk om u te waarschuwen. Ik zou zeker met meer beslistheid gesproken hebben, maar gij zijt zoveel ouder dan ik”.

En gelukkig, er kwam geen verwijdering. De Pelgrim heeft deze tedere bestraffing aanvaard. „Lieve broeder”, zo sprak hij, „duid het mij niet ten kwade. Het doet mij ten zeerste leed, dat ik u op een verkeerde weg heb gebracht en aan grote gevaren heb blootgesteld. Ach, vergeef het mij toch; het was geen boos opzet”. En dat wil Hoop en zeide: „Stel u gerust, broeder, ik vergeef het u. Ik geloof dat er voor ons nog iets goeds uit zal voortkomen”. Maar of dat laatste wel te verwachten is, betwijfel ik ten zeerste. Uit een verkeerde zaak kan nooit iets goeds voortkomen. Werkt het mede ten goede, dan heeft dat een andere oorzaak. „Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht”, en dat hebben de broeders van Jozef ten volle bekend, „doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het ten deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden”.

Het is deze twee trouwe vrienden wel duidelijk geworden dat uit deze verkeerde stap alleen maar boosheid en bitterheid is voortgekomen, ’t Was door Gods genade toen zij weer mochten komen op het rechte pad der gehoorzaamheid, en niet een gevolg van die verkeerde stap. Niet het kwaad dat was bedreven, maar het getuigenis van Gods vergevende liefde bond het hart van deze pelgrims inniger saam en dat tot verootmoediging. Nu wilden zij voor elkan der de minste zijn in dienende liefde. Met ernst werd dit woord: „Zet uw hart op de rechte baan, op de weg die gij gewandeld hebt, keer weder”, ter harte genomen.

Het water stond echter zeer hoog op de weg, zo dat het gaan zeer gevaarlijk en moeilijk was. (Ik begreep hoeveel gemakkelijker het is van de rechte weg af te wijken dan er weer op te komen). En neem het dan ook maar gron dig ter harte.

Toch waagden zij de terugreis, maar het was zo donker en het water stond zo hoog, dat zij op de terugweg wel negen of tienmaal gevaar liepen van te verdrinken. Het was hun ook niet mogelijk, hoeveel inspanning zij zich ook getroostten, vóór de nacht het hek te bereiken. Daarom zetten zij zich eindelijk, toen zij toe vallig een kleine schuilplaats ontdekten, neder tot de dag zou aanbreken. Door vermoeienis overmand vielen zij weldra in slaap. Nu was er, niet ver van de plaats, waar zij zich bevonden, een kasteel, genaamd Twijfel, dat toebehoorde aan de reus Wanhoop. En het was zijn grond waarop zij nu sliepen. Toen hij dus in de vroege morgen zijn akkers eens door wandelde, vond hij de Pelgrim en Hoop, die daar lagen te slapen. Met een grimmigeen norse stem gebood hij hun wakker te worden. Daarna vroeg hij vanwaar zij kwamen en wat zij daar uitvoerden. Zij deelden hem mede, dat zij arme, verdwaalde pelgrims waren.

Zie hoe een verkeerde stap, die naar hem dacht geen kwaad zou baren, de pelgrims in de greep van wrede honden bracht. Dat moest ook voor deze broeders wel droeve en ver strekkende gevolgen hebben.

Hierop sprak de reus tot hen: „Gij hebt tegen mij overtreden door op mijn grond te lopen om u hier te slapen te leggen, gaat dus met mij mee”. Zij waren, hoe erg zij het ook vonden, genoodzaakt hem te gehoorzamen, omdat hij sterker was dan zij. Ook hadden zij niet veel in te brengen, want zij wisten dat zij ongelijk hadden. De reus dreef hen voor zich uit en sloot hen op in zijn kasteel in een zeer donker, vunzig, onrein kerkerhol. Hier bleven zij liggen van woensdagmorgen tot zaterdag avond, zonder dat men hun een bete broods of een dronk water bracht. Ook hadden zij hoegenaamd geen licht en niemand kwam naar hen omzien. Hun toestand was dus hoogst treurig, verwijderd als zij waren van hun vrienden en bekenden.

Zie, daar zijn de pelgrims terecht gekomen door zich aan de bedachtzaamheid van het geloof te onttrekken. O, dat oppervlakkig den ken doet ons wijken van de koninklijke weg en voert ons naar de gevangenis van het wrede ongeloof. Het mag wel altijd onze bede zijn: „Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast”. En dat verzuim moest in de gevangenis betreurd worden. De Pelgrim vooral was zeer bedrukt omdat hij door zijn ondoordachte raad de oorzaak was van het onheil dat zij over zich gebracht hadden.

N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.