+ Meer informatie

1. Opkomst der steden.

4 minuten leestijd

Zoals vroeger gemeld, waren reeds in de Romeinse tijd en ook daarna in deze Noordelijke gewesten enkele steden.

De Kruistochten hebben tot de opkomst van nieuwe steden en uitbreiding van bestaande krachtig meegewerkt.

Immers een groot aantal vrijen ontstond door deze beweging, die zich bij voorkeur vestigden in volkrijke plaatsen, welke hun veiligheid en een gevoel van onafhankelijkheid gaven.

peze volkrijke plaatsen vond men rondom burchten (Leiden, Haarlem, Delft), bisschopszetels en plaatsen gunstig gelegen voor handel en visserij (Vlaardingen, Rotterdam). Zo waren Middelburg en Alkmaar gunstig gelegen als marktplaats; maar vooral de ligging aan goede waterwegen was van grote betekenis.

Inderdaad gaat dan, gelijk zeker schrijver zegt, aan het ontstaan de economische factör vooraf.

Hoe zijn nu deze plaatsen tot stad geworden? M.a.w. wat is de inhoud van het begrip „stad"?

Er waren reeds dorpen (villae), waarin minstens landbouw en veeteelt gedreven werden. Wanneer nu ook handel en industrie daarbij kwamen ontwikkelden de gunstig gelegen dorpen zich tot marktplaatsen. Het recht tot markt houden was een privilege, door de landsheer verleend. En uit deze marktplaatsen ontwikkelden zich nu steden.

Zij waren dan „immuniteiten" geworden (zie vroegere artikelen): hadden eigen rechtsspraak, eigen autonomie tot regeling van hun handel, hun nijverheid, hun belastingen enz.

Dit stadrecht werd hun verleend in een stadbrief of stadprivilege.

N.B. Er behoefde niet noodzakelijk in te staan, dat de plaats zich ter beveiliging met muren of versterkingen mocht omringen.

In West-Friesland waren bijv. veel niet-ommuurde steden.

We dienen dus goed in 't oog te houden: alleen de stadbrief maakte een plaats tot stad.

Verder kan gevraagd: wanneer was iemand poorter? Dat kon hij zijn of worden door geboorte, huwelijk of betaling - . Een niet-poorter moest dan ook als poorter door het stadsbestuur erkend en ingeschreven worden in het poorter-of burgerboek (voor belasting, krijgsdienst).

Door verbanning kon men het poorterrecht verliezen. Het was echter niet per sé noodzakelijk in zijn stad te wonen. Er waren ook buitenpoorters, die z.n. in rechten de hulp van hun stadsbestuur konden inroepen.

De poorters vormden samen een gemeenschap, een communiteit. Zodra het stadrecht was verkregen waren zij, hoofd voor hoofd, ten opzichte van de landsheer schotvrij (r= belastingvrij); — maar niet de stad als geheel. Deze moest een vastgestelde som betalen; het stadsbestuur verhaalde dit natuurlijk op de poorters.

Nog was in de stadbrief de heervaartplicht (= dienstplicht) opgenomen, d.w.z. hoeveel mannetjes zij aan de landsheer te leveren had in tijden van oorlog.

De stad stond nu niet meer onder het hoofd der gouw, maar had voor zichzelf schout en schepenen (= de schepenbank), die de rechtspraak en het hele bestuur in handen hadden. Bovendien hadden zij het keurrecht, d.w.z. zij konden, autonoom, rechtsregelen (keuren of wetten) vaststellen.

Natuurlijk mochten deze niet ingaan tegen de rechten van de landsheer en tegen de landswetten.

Het aantal privileges is in de loop der tijden zeer groot géworden. Soms werden ze gekocht, ook wel afgedwongen, soms waren ze te danken aan de vrijgevigheid van de landsheer.

Belangrijk was het recht, dat de poorters alleen voor hun eigen stadsrechtbank te recht behoefden te staan.

Bestuursinrichting der steden.

De schout werd benoemd door de graaf; de schepenen idem, later ook door de inwoners, als zij n.1. 't recht daartoe verkregen hadden.

Het college van schout en schepenen werd later aangevuld met raden, poortmeesters en burgemeesters, meestal vier in getal; toegevoegd in zaken van politie (= wetgeving en bestuur) en speciaal belast met financiën en administratie.

Deze functionarissen zijn in de loop der tijden de hoofden der gemeenten geworden; aan schout en schepenen verbleef de rechtspraak.

Aanvankelijk - werden de burgemeesteren door de graaf benoemd; later door de schepenbank of door de vroedschap.

In de beginne riep men n.1., ten einde hen bij finantiële aangelegenheden te raadplegen, bij klokkeslag alle burgers op; later alleen de vroeden (= wijzen) en rijken, en nog later, die aan de gerechte, geweest waren: de oud-magistraten dus.

Deze vroedschap kreeg bestuursbevoegdheid. Uit dien hoofde had zij het „keurrecht", maar geen rechtspraak. De schepenbank had echter beide: rechtspraak en keurrecht.

Voorts waren er steden, waar de gilden een woord meespraken in de stedelijke regering.

Ook wil ik nog op het volgende wijzen. De stadbrieven lijken, wat inhoud betreft alle op elkaar. Dit Kwam, omdat men gewoon was aan een te stichten stad hetzelfde stadrecht te verlenen van een reeds bestaande stad.

De eerste noemde men de dochterstad, de laatste de moederstad, (stedenfamilies!).

Verkeerde men in twijfel omtrent toe te passen rechtsregelen of anderzins, zo toog men ter hoofdvaart of hofvaart naar de moederstad, om advies in te winnen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.