+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

5 minuten leestijd

46

DE SCHEPPING (vervolg)

De schepping van de mens (1)

God heeft de mens geschapen op de zesde dag. Hoe komt allereerst hierbij de wijsheid uit van de grote Schepper in de orde van Zijn werken. Zo heeft de Heere eerst de woonplaats toebereid van de mens, die Hij boven alle schepselen stelde als een redelijk, zedelijk schepsel, begaafd met zulke rijke funkties van denken, willen en begeren, zelfbewust.

De moderne wetenschap spreekt van een„oermens”, uit het vóór-Adamitisch tijdperk. De dwaasheid van de mens, zoals hij door de zonde geworden is, treedt hier weer zo duidelijk aan het licht. W ant tot zulke waanzinnigheden komt men, wanneer men Gods W oord verwerpt en eigen meningen en theorieën gaat uitspelen.

We hebben reeds gewezen op de leer van Darwin met zijn evolutie-theorie, d.w.z. dat alles zich vanzelf ontwikkelde uit de lagere soorten van de schepselen tot de hogere. Zo dus ook de mens, volgens dit ongeloofsstandpunt. Hoog boven al deze dwaasheden staat het beschreven Woord van God, dat ons duidelijk openbaart, dat God de mens heeft geschapen en wel na een bijzondere RAADSLAG Gods. Want we lezen, dat God tot Zichzelf sprak en zeide: „Laat ons mensen maken naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis”. Gens. 1:26. Dit wijst reeds op de hoge plaats, waarop de mens gesteld is als het „pronkjuweel” van Gods schepping, gelijk dit ook blijkt uit zijn geschapen zijn naar het beeld Gods, waarop wij nader hopen terug te komen.

De mens is geschapen uit het stof der aarde, wat zijn lichaam betreft. Aarde heet naar de Hebreeuwse taal ook: adam, roodachtig. Van de ziel des mensen lezen we, dat God in zijn neusgaten blies de adem des levens. „Alzo werd de mens tot een levende ziel”.

De mens bestaat dus uit ziel en lichaam. Wel lezen we in 1 Thess. 5 : 23 de onderscheiding van: geest, ziel en lichaam, maar in deze tekst gaat het niet over een psychologische uiteenzetting als zodanig, gelijk men bij de leer van de psychologie (zielkunde) wel ziel en geest als afzonderlijke substanties heeft willen stellen. Wel maakt de Bijbel „onderscheiding” tussen ziel en geest, maar zij bedoelt nooit daarmede aan te willen geven een principiële scheiding tussen beide. 1 Thess. 5 : 23 wijst op het volkomene van de mens: „En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al”. Dit is: naar alle zijden, in alle delen. Geest en ziel duiden beide het onstoffelijk deel van de mens aan, hebben beide betrekking op de geestelijke zijde van des mensen bestaan. Maar er is enig onderscheid tussen beide. Geest is het beginsel en de kracht des levens, ziel is de zetel des levens. Als geest is de mens aangelegd op de onzienlijke wereld, als ziel staat de mens in relatie tot het stoffelijke, het natuurlijke leven.

We onderscheiden drieërlei leven: plantenleven, dierlijk leven en menselijk leven. Is er sprake van de „ziel” van het dier, dan bedoelt de Schrift aan te geven het natuurlijk leven van.het dier. „Want de ziel des vieses is in zijn bloed”. Lev. 17 : 11a.

Wat is nu de ziel van de mens?

De ziel is een onsterfelijke geest, waardoor wij leven en rede gebruiken, zo omschrijven haar de dogmatici.

We hopen nog nader te bezien de kwestie over het ontstaan van de ziel.

Eerst willen we echter nog even wijzen op de verhouding, waarin God de mens heeft geschapen, op zijn onderling verband. Zulks in onderscheiding van de engelen.

De engelen zijn zonder enig onderling verband geschapen, zo hebben we reeds in een vorige les opgemerkt. Individueel: los naast elkaar, zonder familieverband. Zij zijn allen tegelijk geschapen.

De mens daarentegen is wèl in onderling verband geschapen. Dit lezen we in Handel. 17 : 26a: „En heeft uit enen bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op de gehele aardbodem te wonen”.

In Adam heeft God heel de mensheid begrepen doen zijn.

Twee aangrijpende zaken vloeien hieruit voort.

Allereerst, dat wij vanwege dit onderling verband (uit enen bloede) allen deel hebben aan de zonde van Adam. Krachtens het feit, dat Adam ook was gesteld als een vertegenwoordigend HOOFD van heel het menselijk geslacht, wordt ons de schuld van zijn overtreding en de straf daarover door het Goddelijk oordeel toegerekend. Maar wij hebben ook allen een verdorven bestaan gekregen, omdat Adam ons aller STAMVADF1R was. De erfsmet, de inklevende verdorvenheid, erven wij van onze ouders. „Wie zal een reine geven uit de onreine?” Job 14 : 4.

Zijn we aan onze verdorvenheid ontdekt geworden? Zo alleen komt er plaats voor de heilrijke mogelijkheid om door één Middelaar verzoend en gereinigd te worden. Want de tweede zaak, die uit de schepping van de mens voortvloeit, namelijk uit het geschapen zijn in één onderling verband, is: de mogelijkheid der PLAATSVERVANGING, één voor velen! Daarom kunnen door de ene Middelaar, Jezus Christus, velen verzoend en behouden worden. Rom. 5 spreekt daarvan zo duidelijk. Zieo.a. 5:19: „Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Een velen tot rechtvaardigen gesteld worden”.

Zo wordt dan ook die ene Middelaar en Borg dierbaar, gepast, algenoegzaam voor een gans schuldig, onrein zondaar, die zich ook al meer leert kennen in zijn verdorven bestaan voor God.

Is het niet de roemtaal van Gods levende kerk: „Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen!”

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.