+ Meer informatie

Spaanse woorden gaan terug tot Columbus

UIT DE GESCHIEDENIS VAN ONZE WOORDENSCHAT

7 minuten leestijd

Wanneer het gaat over Spaanse leenwoorden zijn we als Nederlanders misschien te snel geneigd te denken aan de Tachtigjarige Oorlog, die onze vaderen tegen Spanje gevoerd hebben. Zou zo'n lange strijd, die voor ons volksbestaan van een grote betekenis is geweest, geen diepe sporen in onze woordenschat hebben achtergelaten? Het antwoord daarop kan heel kort zijn: nee. Oorlogen, ook al duren die 80 jaar of meer dan een eeuw, zoaIs de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland (1939-1453) zijn uitermate slechte gelegenheden voor volken om iets van elkaar te leren, op zijn hoogst leren ze vechten en leren ze elkaar uitschelden.

Wat de Honderdjarige Oorlog betreft, de Frans taalkundige (Pierre Guiraud, die nog professor in Groningen is geweest) heeft erop gewezen dat de Fransen in die tijd praktisch geen enkel woord aan het Engels hebben ontleend. In onze Tachtigjarige Oorlog is deze notie bestudeerd door prof. C. F. A. Dam in zijn mooie artikel: De Spaanse woorden in het Nederlands. Ook hij komt tot een vergelijkbare, negatieve conclusie. Hij noemt de dukdalf (misschien van Due d'Alve - Hertog van Alva), het auto-da-fé (eigenlijk Portugees) en het sambenito. (Het laatste woord, dat het „ketterhemd" aanduidt is nu niet bepaald een gangbaar Nederlands woord geworden). Verder noemt prof. Van Dam nog de minachtende woorden Spanjolen en maranen. Marranos is het Spaanse woord voor varkens of zwijnen; de Spanjaarden hadden dit scheldwoord al op de Moren toegepast, het was dus wel slim bedacht van onze vaderen om de Spanjaarden in hun eigen taal uit te schelden, zodat ze het vooral goed konden verstaan! Verder nog een aantal militaire termen: armada, parade, commando en misschien ook adjudant, sergeant, majoor.

Verwijt

Uit de tijd van die oorlog stamt vermoedelijk ook de minachtende betekenis van het woord Spaans, in „er Spaans toegaan, het spaans hebben". De Nederlanders hebben toen de gebreken en de gruwelverhalen over Alva, Filips II en anderen ijverig in het buitenland verder verteld. In oorlogstijd is dat een heel normaal verschijnsel, want hoe meer haat er tegen de Spanjaarden kwam in Europa, hoe gunstiger het was voor de Neder-, landers. Tegenwoordig zou men dat een psychologische oorlogvoering noemen. Daarvan is in Spanje, zoals prof. Van Dam vermeldt, zelfs nu nog iets overgebleven. De Spanjaarden „verwijten ons, dat wij tot de eersten behoord hebben die zich schaarden aan de zijde van de gezworen vijanden van hun imperium". Daardoor zou er, nog steeds volgens prot. Van Dam, in Europa een al te zwart beeld van Spanje ontstaan zijn. (Dit was echter niet meer dan logisch en sommige Spaanse leidslieden, Alva en Filips bijvoorbeeld, hebben maar al teveel bouwstoffen voor dit zwarte beeld geleverd).

Vóór de Tachtigjarige Oorlog, toen de Spanjaarden en onze vaderen in vrede met elkaar leefden, hebben de Nederlanders heel wat meer, ook heel wat meer woorden, van de Spanjaarden geleerd. In plaats van „Nederlanders" had ik in de vorige zin misschien beter kunnen schrijven „Vlamingen". Want in Vlaanderen, in steden zoals Antwerpen en Brugge, zijn de Spaanse Kooplieden eerder gekomen enze zijn er ook langer gebleven.

Scheepstypen

Aan deze Spaans (en ook zeer veel Portugese) zeehandelaren danken we o.a. een aantal namen van scheepstypen. Deze typen zijn voor een groot deel verouderd, maar liefhebbers van scheepvaart vinden die oude namen misschien juist leuk. Daarom schrijf ik het hele rijtje op zoals het bij prof. Van Dam staat: bergantijn, galjoen, galjoot, kano, palander, patas, barkas, fregat, karveel, kraag, en polakker. (In het Spaans luiden die resp. bergantin, galeón, galeota, canoa, palandre, patache, barcaza. fragata. caravela, carraca en polacre. Bij enkele van deze woorden, karveel en fregat bijvoorbeeld, denken sommige taalgeleerden aan een, andere herkomst.)

Andere Spaanse woorden van toen en van later met betrekking tot de zeevaart zijn orkaan, tornado, embargo, misschien enteren, stuwadoor, harpoen, carga en cargadoor. Tenslotte is ons ,,kaapstander" (een bepaald soort windas) ook van Spaanse afkomst (cabestante), hoe Nederlands het woord er ook uitziet.

Een gevolg van dit meest VlaamsSpaanse contact is geweest dat sommige Spaanse woorden speciaal in het Westvlaams en andere Vlaamse dialecten zijn blijven leven en dat het vooral Vlaamse taalkundigen zijn die zich voor de oude en soms verouderde Spaanse leenwoorden geïnteresseerd hebben.

Nog een opmerking over deze scheepvaarttermen. In boeken over de Vaderlandse Geschiedenis worden de Spanjaarden weleens voorgesteld als echte landrotten, die helemaal niet varen konden (met de Armada bijvoorbeeld). Maar toch moeten ze op dit gebied aardig deskundig zijn geweest, anders hadden we zoveel scheepvaarttermen niet van hen kunnen leren.

Wanneer het nu in hoofdzaak bij het bovenstaande gebleven was, dan zou het Spaans voor de opbouw van onze woordenschat heel weinig betekend hebben. Maar een gebeurtenis van letterlijk wereldwijde betekenis heeft veroorzaakt dat we nog tientallen andere woorden, heel eenvoudige soms uit het dagelijks leven, zoals tabak en chocolade, aan het Spaans hebben ontleend. Deze wereldhistorische gebeurtenis was de ontdekking van Amerika, in 1492, door Christophorus Columbus. Daardoor zijn de woorden uit vreemde werelddelen, vooral die uit Amerika, niet alleen via het Portugees tot ons gekomen, maar ook, en in nog groter aantal, via het Spaans.

Columbus

De zeeman-ontdekker die de aandacht van de Spanjaarden op Amerika richtte, is de beroemdste van allemaal, Columbus, zelf vermoedelijk een Italiaan. Columbus wilde naar Indië, en omdat hij in tegenstelling tot de meeste van zijn tijdgenoten, geloofde dat de wereld rond was, wilde hij naar het Westen gaan en dan net zolang doorvaren tot hij in Indië was. Met veel moeite wist hij in 1492 van de Spaanse koningin Isabella van Castiliê daar een paar schepen voor te krijgen. Het was toen juist in de tijd dat de Portugezen, Da Gama en Diaz, ook de weg zochten naar Indië, het land van de specerijen, maar die wilden om Afrika heenvaren. Columbus wilde de Portugezen vóór zijn door een heel andere weg te kiezen, de weg om de wereld. Het was een geniale gedachte van een groot man.

Het had maar weinig gescheeld of Columbus had helemaal niets ontdekt. De bemanning van zijn schepen werd aangetast door scheurbuik en de tocht over de zee, de Atlantische Oceaan, duurde veel langer dan verwacht was. Columbus' mannen zagen er geen heil meer in en wilden terug. En toen Columbus maar hardnekkig door bleef varen, liepen er onder de bemaningen geruchten dat hij waanzinnig was met zijn geklets over een ronde aarde en ze zeiden dat hij maar beter opgehangen kon worden.

Indië

Tot ieders verbazing kwam er tenslotte land in zicht, de Bahama-eilanden. Columbus' leven was gered en iedereen, dacht dat Indië gevonden was. De Bahama-eilanden en de Antillen, de eilanden van de Caraïbische Zee - ook ons Curasao - kregen daarom de naam Indië en de inwoners werden Indianen genoemd. Die hele naamgeving berustte op een vergissing en toen de Portugezen later het eche Indië ontdekten, ging met spreken van West-Indië (dat eigenlijk niets met Indië te maken had) en Oost-Indië.

De Caraïbische Indianen stonden op een vrij lage trap van beschaving, veel lager dan de door opgravingen zo beroemd geworden Azteken in Mexico en Inca's in Peru. Toch zijn heel veel Amerikaanse woorden in het Spaans van Caraïbische oorsprong: kano, orkaan en mais bijvoorbeeld (in het Spaans canao, huracan en maiz). Dat komt doordat de Spanjaarden het eerst met de Caraïbiërs in aanraking gekomen zijn.

Later hebben de Spaanse veroveraars (of conquistadores) met veel strijd het Inca-rijk in Peru veroverd. Uit de Inca-taal komen (via het Spaans) alpaco, concor en jaguar. Aan de talen van de Azteken danken we chocolade, cacao en tomaat. Andere namen uit de Amerikaanse planten- en dierenwereld zijn alligator, alpaca, armadil, chinchilla, lama en muskiet; tomaat, tabak, kina en het Spaanse woord patata, dat we terugvinden in het Nederlandse patat en het Engelse potato. Van de tabak komen de tabaksprodukten die ook al Spaanse namen heboen: sigaar, cigarillo. De merknaam senoritas (letterlijk juffertjes) is naar Spaans model gevormd.

Er zijn nog veel meer Spaanse woorden die betrekking hebben op Zuid- en Midden-Amerika: savannes, pampa's, kannibalen. Maar de namen van dieren, en nog meer die van planten en vruchten, tabak, tomaat en chocola, zijn door het dagelijks gebruik dat we ervan maken voor ons van het meeste belang. Daar staat tegenover dat we aan het Spaans maar weinig woorden voor culturele begrippen te danken hebben. Enkele daarvan, te vinden in Van Dale, zijn inquisiteur, renegaat (afvallige), guerrilla, guerrillero en pronunciamento (sein voor opstand). Van de woorden die op Spanje zelf betrekking hebben noem ik siesta, junta, Cortes. Aan Spanje danken we ook de reeds heel oude ontlening kurk (van corcho) omdat in Spanje de kurkeik groeit.

De Spanjaarden hebben dus, zoals boven reeds opgemerkt is, voral woorden geïmporteerd uit Midden- en Zuid-Amerika; in Afrika en Azië hebben vooral de Portugezen gekoloniseerd. Op deze wijze hebben het Spaans en Portugees beide als „brugtaal" voor overzeese termen gefungeerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.