+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

6 minuten leestijd

16.

Met de vraag „Wat heeft u dan bewogen, lief kind, om deze weg in te slaan? ” wist Uitlegger deze jonge dochter, Barmhartigheid genaamd, met meer klaarheid aan de praat te krijgen vanuit hetgeen haar bewogen had de Heere te zoeken door de stad van haar geboorte te verlaten.

„Wel, toen mijn vriendin zich gereed maakte om de stad te verlaten, ging ik met een andere kennis uit de buurt haar bezoeken. Wij klopten aan haar deur en traden binnen. Toen wij haar zo bezig zagen, vroegen wij, wat dat moest betekenen? En nu deelde zij ons mede, dat zij geroepen was om haar echtgenoot te volgen en dat zij hem gezien had in een droom, en hoe hij woonde in een heerlijk oord, temidden van zalige geesten, een kroon op het hoofd dragende. Ook had zij in de droom aanschouwd hoe hij de lof des Heeren verkondigde op de harp, hoe hij gespijsd werd aan des Konings tafel en die Koning eeuwig lof en eer mocht toebrengen.

Toen ik haar dit alles hoorde verhalen, was mijn hart brandende in mij, en ik overlegde bij mijzelf: Indien dit alles waarheid is, dan wil ik ook mijn vader en moeder en mijn geboorteland verlaten, en, indien zij het mij toestaat, met Christinne optrekken.

Dus ondervraagde ik haar verder naar de waarheid van deze dingen en of ik met haar gaan mocht. Want ik zag nu in, dat er in onze stad geen woning meer was die niet met ondergang werd bedreigd. Toch ben ik met een bezwaard hart weggegaan. Niet omdat ik onwillig was om te gaan, maar omdat zovelen van mijn betrekkingen achterbleven. En ik ben gekomen met al de begeerten van mijn hart. En ik zal, als ik mag, met Christinne gaan tot haar echtgenoot en zijn Koning”.

Uitlegger is door die eenvoudige mededelingen van Barmhartigheid verblijd, want zij heeft de stem der Waarheid, en dat tot roem van Gods genade, gehoor verleend. Zij is door de dierbare werkingen van de Heilige Geest de lokstem van het Evangelie gehoorzaam geworden. Bemoedigend sprak hij nu tot haar: „Gij zijt gelijk aan Ruth, die uit liefde tot Naomi en tot de Heere haar God, haar vader en moeder en het land van haar geboorte verliet, om uit te gaan naar een volk dat zij tevoren niet kende. De Heere zegene uw arbeid en de God van Israël, onder Wiens vleugelen gij met vertrouwen de toevlucht genomen hebt, zij uw overvloedig loon! ”

Nu was de avondmaaltijd afgelopen en men maakte toebereidselen om zich ter ruste te begeven. De vrouwen kregen elk een afzonderlijke slaapplaats, en de knapen kregen samen één kamer. Toen Barmhartigheid zich te bed had begeven, kon zij van blijdschap met slapen omdat haar twijfel, van tenslotte bedrogen te zullen uitkomen, meer dan ooit van haar was weggenomen. Zij dankte en loofde God, Die alles zo wel had gemaakt.

Zie, de Heere breekt de banden, Hij scheldt de vijand en brengt het bedroefde hart tot vreugde in Hem. O, dat blij, dat innig en zalig blij zijn in de Heere. En blij het smaken van het genot van de zaligheid geeft de Heilige Geest ook nog klaarheid in de vastigheid van de grond der zaligheid.

Met het opgaan van de zon verlieten zij hun legersteden en maakten zich gereed om te vertrekken. Uitlegger verzocht hun echter nog een wijle te toeven, want zeide hij: „Gij moet naar de regel van dit huis van hier gaan”. Toen riep hij het dienstmeisje, dat hun het eerst de deur had geopend en zeide: „Breng onze gasten in de tuin naar de badkamer, opdat zij gereinigd worden van het stof, dat hen van de weg aankleeft”.

Daarop bracht Onschuld hen naar de hof en onderrichtte de vrouwen hoe zij zich moesten baden en reinigen om de reis zó voort te zetten als de heer des huizes dit verlangde. Toen gingen zij binnen en wasten zich, zij en de jongens; zij kwamen uit het bad, niet slechts rein en fris en helder, maar ook geheel verkwikt en versterkt in hun leden.

Toen zij weer in huis kwamen en Uitlegger hen aanschouwde, gaf hij zijn tevredenheid te kennen, en zeide tot hen: „Helder als het maanlicht! ” Van de bruid wordt gezegd: „Schoon gelijk de maan”. Een schoonheid, die zij had vanuit de gerechtigheid van haar Bruidegom. En vanuit die borggerechtigheid worden de pelgrims nu met klaarheid onderwezen.

Toen vroeg Uitlegger om het zegel waarmede allen, die gereinigd waren, verzegeld werden. Het zegel werd dus gebracht en nu zette hij zijn merkteken op hun voorhoofden, opdat zij herkend zouden worden in de plaatsen, die zij moesten doortrekken. Dit zegel was geheel overeenkomstig het Pascha, dat de kinderen Israëls moesten eten toen zij uit Egypte togen. „En het zal u zijn, sprak de Heere, tot een teken op uw hand en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet des Heeren in uw mond zij, en dat u de Heere door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft”. Het verhoogde zeer hun schoonheid, want het was een sieraad op hun aangezichten. Ook verhoogde het hun ernst en maakte hun voorkomen meer gelijk aan dat der engelen.

Daarop zeide Uitlegger tot het dienstmeisje dat voor deze vrouwen moest zorgen: „Ga nu uit de kleedkamer klederen halen voor deze pelgrims”.

Dus ging zij en haalde witte klederen en legde die voor hen neder. Toen gebood hij, dat zij daarmede bekleed zouden worden. Het was fijn linnen, wit en helder. Toen de vrouwen zo sierlijk waren uitgedost, zagen zij elkander vol eerbied aan, want zij konden aan zichzelf niet de heerlijkheid waarnemen die zij aan elkander zagen. Zij begonnen dus de één de ander uitnemender te achten dan zichzelf. „Gij zijt veel schoner dan ik”, zei de één; „gij zijt veel bevalliger dan ik”, zei de ander. Ook de kinderen waren verbaasd over hetgeen aan hen geschied was.

Nu gebood Uitlegger één van zijn dienstknechten, Stoutmoedig genaamd, zijn zwaard, helm en schild te nemen, en zeide tot hem: „Geleid deze mijn dochters naar het paleis Liefelijkheid, hun volgende rustplaats”.

Hij gordde dus zijn wapenen aan en ging voor hen uit, nadat Uitlegger hun Gods zegen had toegewenst en de gehele familie hen met vele goede woorden uitgeleide had gedaan. Nu gingen zij op weg en hieven het lied aan:


Hoe werden oog en oor verkwikt,
Ten tweede rustplaats ons beschikt,
Door dingen, die veel honderd jaren,
Voor anderen verborgen waren.

De vuilnisharker en de spin,
De hen, het kieken, ’t al heeft zin;
Ze geven nutte lessen, wenken,
Mocht ik er aandacht maar aan schenken.

De slachter, als de tuin in ’t veld,
’t Roodborstje dat de spin beknelt, De boom, inwendig gans vergaan, Hoe doen zij ernstig mij verstaan.

Dat ’k toch naar waken, bidden streef,
Dat ik oprecht van harte leef,
God dien met beving alle dagen,
Gewilliglijk Zijn kruis moog dragen.


Met waardering spreken de zangers van het zo leerzame en het daarom onvergetelijke huis van Uitlegger. Daar werd van zijn vriendelijkheid en onderwijs genoten.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.