+ Meer informatie

Hoe luistert de ambtsdrager naar de preek?

9 minuten leestijd

De redactie had mij voor een artikel een gemakkelijker vraag kunnen voorleggen. De vraag beantwoorden zoals zij daar staat levert voor het artikel slechts vier woorden, namelijk „ik weet het niet”. Natuurlijk, men heeft in gemeenten waar men zelf in het ambt mocht dienen wel een indruk over dat luisteren door ambtsdragers opgedaan, maar men moet oppassen die indruk voor ons brede kerkelijke leven symptomatisch te laten zijn. Al zal ik er niet helemaal aan ontkomen toch iets van die indruk weer te geven, zal de vraag toch meer moeten worden gebogen in de richting van hoe door de ambtsdrager dient te worden geluisterd. Een vraag die ogenschijnlijk alleen de ouderling regardeert, eenvoudig omdat hij krachtens de inhoud van zijn ambt met betrekking tot de prediking al een zeer bizondere verantwoordelijkheid draagt. De vraag is echter evenzeer voor de diaken van belang.

Tweeledig

Men kan het luisteren van de ambtsdrager als tweeledig aanduiden. Hij luistert allereerst op precies dezelfde wijze als alle andere christenen onder de preekstoel, als schaap van de kudde, als zondaar die het bloed der verzoening als elk ander ook over zijn eigen leven heeft in te roepen. Hij heeft dezelfde geestelijke noden en behoeften als alle anderen in de kerk. De vragen, de twijfel, de zekerheden en de aanvechtingen van anderen zijn de zijne en ook hij heeft zich — al is het in het voorgestoelte — neer te zetten in de gesteldheid van de psalmregel „ik neig het oor daar ik op Gods inspraak wacht”. Ook hij komt als het goed is met zijn lege kruik naar het huis des gebeds om Hem door de Here te laten vullen. Maar tegelijk luistert hij als degene aan wie de Here door het bizondere ambt een extra verantwoordelijkheid heeft toevertrouwd, een verantwoordelijkheid die voor wat de ouderling aangaat

duidelijk is omschreven in het bevestigingsformulier. Daarin heet het:

„Ten derde is hun ambt, inzonderheid mede toezicht te nemen op de lering en de wandel van de dienaren des Woords, teneinde alles tot stichting der Kerk gericht moge worden, en dat geen vreemde leer worde voorgesteld, volgens hetgeen wij lezen, Hand. 20 : 28, waar de apostel vermaant, naarstig wacht te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus mochten komen. Om hetwelk te doen, de ouderlingen schuldig zijn, Gods Woord naarstig te onderzoeken en zichzelf gedurig te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs.”

De hier omschreven verantwoordelijkheid brengt mee dat de ambtsdrager níet uitsluitend voor zichzelf maar in de goede zin van het woord ook voor anderen, ja voor de gehele gemeente luistert. Om het laatste moet het geloof ik in dit artikel vooral gaan. En dan springen allerlei vragen naar voren. Wat houdt die verantwoordelijkheid in? Hoe moet zij worden betracht? Welke rol speelt daarin de eigen geestelijke dispositie van de ambsdrager? Voorop ga een enkele opmerking over de eis dat de ambtsdrager in het luisteren naar de preek een voorbeeld dient te zijn.

Kerkeraadsbank geen slaapbank

Van mannen, in wie in meer of mindere mate de in 1 Timotheus 3 voorgeschreven eigenschappen verenigd zijn, mag verwacht worden dat zij bij het luisteren naar de preek toonbeelden van eerbied en interesse zullen zijn. Wanneer het waar is dat bij het binnenkomen van de ambtsdragers God zelf door Zijn Woord plaats in Zijn gemeente inneemt, dan dient de houding van de ambtsdragers dienovereenkomstig te zijn. Elk spoor van verveling of misnoegd heid onder de preek blijve achterwege, geen voortdurend gegluur de kerk in envooral geen uiltjesknapperij. Dit laatste euvel komt misschien niet veel meer voor, maar wie vakantie-zondagen elders doorbrengt doet soms toch nog vreemde ervaringen op. Nog maar enkele jaren terug was ik er met mijn kinderen op een zondag met normale klimatologische omstandigheden in één van onze kerken getuige van hoe drie ouderlingen na afkondiging van tekst, thema en puntenverdeling vrij spoedig het bewustzijn verloren om daaruit eerst terug te keren toen de predikant in het toepasselijk gedeelte eens flink uithaalde. De slaap had niet het karakter van een incidenteel dutje. Hier werd regelmatig vast geslapen. Ik vraag me af hoe zulke broeders op de huisbezoeken met nut en overtuiging over de prediking kunnen spreken.

Geen curie

De verantwoordelijkheid die de ouderlingen met betrekking tot de verkondiging van het Woord opgelegd is niet zoiets als het toezicht dat door de Romeinse curie op zuivere verkondiging en toepassing van de leer in de Roomse Kerk wordt uitgeoefend. Hun taak is niet om achter elke letter een ketter te zoeken; evenmin om predikers bij wie zij vreemde bijgeluiden menen te bespeuren openlijk en genadeloos voor het gericht te roepen. Ofschoon niet talrijk, zijn ze nog wel te vinden, de broeders die bizonder snel geneigd zijn achter de schapevacht de wolf te veronderstellen en die onder de preek het geweer voortdurend aan de voet houden. Tot welke ruineuze gevolgen dit kan leiden viel in de voorbije jaren op het erf van hen die wij onze broeders noemen op verdrietige wijze waar te nemen.

Naarstig wacht houden tegen binnendringende wolven houdt niet in dat achter elke boom een moordenaar moet worden verondersteld. Dat is een negatieve instelling die èn voor de ambtsdrager persoonlijk èn voor de gemeente nooit heilzaam kan zijn. De preekbeluisterende ambtsdrager, die

samen met z’n collegae op de zuivere prediking van Gods Woord moet toezien en van wie veronderdsteld mag worden dat hij een goede kennis van de Schrift en van de belijdenis heeft, zal zich onder het luisteren rekenschap moeten geven van de vraag of de prediking structureel overeenstemt respectievelijk inhoudt datgene, wat God in Zijn Woord zegt over de wijze waarop Hij in Jezus Christus met deze wereld en met de zondaar wil handelen. Samen met zijn medebroeders heeft hij voorts tot taak na te gaan of de prediking in voldoende mate ingaat op de geestelijke behoeften die hij in zijn ambtelijke praktijk heeft onderkend en die, als het goed is, regelmatig onderwerp van gesprek in de kerkeraadskamer zijn. In dit verband wil ik graag wijzen op het enorme nut van de regel om elke kerkeraadsvergadering te beginnen met een kort gesprek over een of ander aspect van het geestelijk leven. Als dit gesprek wordt gevoerd tegen de achtergrond van wat men in de gemeente waarneemt dan geeft dat de predikant zekere indicaties voor de zondagse preek. Deze gesprekken lenen er zich bij uitstek voor de predikant gelegenheid te geven de vragen en geestelijke noden van zijn schapen te inventariseren om er zondags het Woord Gods over te laten schijnen.

Dan is er de waarborg dat een prediking wordt gebracht die de gemeente in haar concrete situatie aanspreekt. Deze gesprekken heffen vaak ook het probleem op van de ambtsdrager die individueel misschien wel eens minder tevreden is. Bepaalde tekorten of eenzijdigheden kan hij op broederlijke wijze in het gezamenlijke gesprek betrekken en op deze wijze de prediking — waar nodig — wat bijsturen.

Welke stemvork?

Om vast te stellen of de bazuin een helder geluid geeft moet de ambtsdrager over een stemvork beschikken. Nu zijn er nog al wat broeders die, goed bedoeld, de stemvork van hun eigen geestelijke ervaringen hanteren. Die zal natuurlijk nooit helemaal buiten gesloten kunnen worden, maar wanneer eigen geestelijke dispositie bepalend is voor het luisteren en beoordelen van de preek, dan krijgt men al gauw zoveel ouderlingen zoveel meningen. Dan ontstaat ook al gauw de situatie waarbij de waarde van de prediking per preek wordt beoordeeld. Ik heb ze wel meegemaakt, de beste broeders, die klaagden over een eenzijdige prediking wanneer niet in elke preek alle facetten van de gangen die de Here met Zijn volk houdt, tot uitdrukking kwamen en die er geen begrip voor hadden dat in één preek niet alles kan worden gezegd. Of de broeder, die op eigen geestelijke weg zo sterk bij ’s-mensen onmacht was bepaald en die na een preek, waarin dominee nogal nadrukkelijk over de activiteit van de mens in het geloofsleven had gesproken, maar één kwalificatie had: „domines, ’t was vanmorgen half-jodisch-half-asdodisch (van God een beetje en van de mens een beetje) en allen die genade kennen weten toch uit ervaring dat het een eenzijdig werk Gods is.” Daar was de predikant het overigens helemaal mee eens, maar zijn preek was een beetje buiten de lijn van zijn doorgaande prediking geplaatst en daardoor ontstond een onjuiste beoordeling. De ambtsdrager moet geen momentopnamen maken maar de algemene trend van de prediking peilen. Als het goed is zijn ambtsdragers vol van de Heilige Geest. Dat moeten zij vooral ook zijn tijdens het luisteren naar de preek, want een zuiverder stemvork is niet denkbaar.

Zij zijn geen theologen, die de exegese op elk punt kritisch kunnen wegen. Dat hoeft ook niet, maar zij kunnen met een door de Heilige Geest gescherpt inzicht in de Schriften wel beoordelen of aan de volle rijkdom van het Woord Gods recht wordt gedaan en of het grote thema „Gods genade voor een ieder die zich een arm zondaar weet” op Schriftuurlijke wijze steeds weer aan de gemeente wordt voorgehouden.

Preek en huisbezoek

Met het oog op de gesprekken tijdens het huisbezoek is het van groot belang dat er door de ambtsdragers scherp wordt geluisterd. De grote trekken van de preek dienen zij goed in zich op te nemen. Veel gesprekken op huisbezoek nemen immers hun beginpunt in een recente preek? Soms gaat het initiatief daarbij van de bezochten uit. En dan dienen de broeders ouderlingen precies te weten waar het over gaat. Dat geldt evenzeer voor de diakenen. Als het goed is beperkt hun taak zich niet tot het neerzetten en instellen van de bandrecorder bij zieken en ouden van dagen. In zijn gesprek zal hij misschien eens op een essentiële opmerking uit de preek moeten ingaan en hier en daar op eenvoudige en troostrijke wijze een kanttekening maken. Dat vereist een nauwgezet luisteren. En al komt primair de diaken het toezicht op de prediking niet toe, hij zal aan de kerkeraadsgesprek-ken rond en over de vrucht op de prediking toch ook het zijne bijdragen. En die bijdragen zijn soms waardevol.

Tenslotte — en dit kwam in een gesprek met enkele ambtsdragers uit Den Haag sterk naar voren — dient de ambtsdrager in deze tijd waarin op theologisch gebied de meest wilde dingen op de markt worden gebracht, zijn uiterste best te doen de geesten van vandaag te peilen en te luisteren of de prediking op de voortbrengselen van het moderne denken voldoende weerwoord geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.