+ Meer informatie

Alle eind en der aarde

7 minuten leestijd

Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de Heere bekeren. Psalm 22:28b

Er is een zekere bloem, die de naam draagt van Passiebloem. In deze bloem toch meent men, in stengel, blad en kelk, afgebeeld te zien, de banden, geselroede, kruis en doornenkroon, waarmede Christus gepijnigd, gegeseld en doorstoken werd. Voorwaar wanneer men de psalmbundel een rozenhof zou noemen, dan is deze 22ste psalm zulk een passiebloem. Immers in deze roerendschone psalm klaagt David zijn smart uit, en daarin beluisteren wij profetisch het lijden, dat over Christus komen zou en de heerlijkheid daarna volgende.

Ja, hier wordt bezongen de kruistriomf van Vorst Messias.

Aijéleth hasschachar, wat betekent: hinde des dageraads, staat in verband met de inhoud van deze lijdenspsalm. Christus was als een zwaar gewonde en gejaagde hinde in Zijn lijden, maar voor Hem brak de dageraad aan. Ja ’t is of we hier een stem horen, als eenmaal tot Mozes: „Ontbind de schoenen van u voeten, want de grond waarop gij staat is heilig land.”

Want als een donderslag klinkt ons in ’t begin van deze psalm tegen, de diepste klacht van de Man van smarten: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”

Dit vierde kruiswoord, dat door de lieflijke in psalmen wordt uitgeklaagd zouden we kunnen noemen: het allerdiepste punt van Christus’ lijden. In dit woord toch vatten zich samen de ontzettende benauwdheden, helse angsten, smart en zielelijden van de Man van smarten. Hier zinkt Hij neer onder het heilig ongenoegen van God. Hier is het wraakzwaard van Gods gerechtigheid, hier wordt Hij verscheurd en verteerd.

Doch neen, niet verteerd, want al werd Hij als een lam ter slachting geleid, toch heeft Hij als de Leeuw uit Juda’s stam overwonnen. En daarom noemden we deze psalm de kruistriomf van Vorst Messias. Want nadat Hij de strijd heeft gestreden, de pers alleen heeft getreden, zo stijgt Hij straks op vanuit dit strijdperk en neemt Zijn ganse kerk mee op als een buit; „De kerker werd Uw buit, o Heere, Gij zaagt Uw strijd bekronen”, enz. We zien daarom een sterke overgang tussen het 22ste en het 23ste vers. Daar wordt in de volgende verzen in heilige geestdrift bezongen welke vrucht die overwinning voor Christus Zelf is. En nu, die vrucht bestaat ook in: „alle einden der aarde zullen het gedenken”. Zij zullen gedenken het lijden van Christus, in ’t evangelie ons voorgesteld.

En het voorwerp en de inhoud van dat evangelie is de gekruiste, maar daarna ook de verheerlijkte Christus.

Zij zullen gedenken een stervende liefde, ja de liefde van Hem, Die als het Lam van God, gehoorzaam zijnde aan de Raad des Vredes,het altaar is bestegen van God de Rechter.

Zij zullen gedenken welk een offer is gebracht, welke de verdienende oorzaak is van hun zaligheid. Gedenken, dat is in gedachten brengen, zich herinneren, ergens melding van maken. Gods Woord nu is vol van dit gedenken. Het Oude Testament sprak reeds van het Lam dat geslacht is. Het wees heen naar Hem: het manna en de steenrots in de woestijn, de slang die verhoogd werd door Mozes. Kortom de ganse dienst des ouden verbonds met zijn priesterscharen en offertonelen was een schaduw van toekomende dingen.

Alle einden der aarde. Met Christus toch is de middelmuur des afscheidsels tussen Jood en heiden verbroken en gaat dan ook de kruisbanier van volk tot volk en is dit woord van onze tekst tevens een rijke belofte, dat het Evangelie van een lijdende en verhoogde Borg gepredikt zal worden in alle talen tot alle volken en natiën. Niet alleen Joden maar ook: Zover de blindste volken wonen, tot Hem bekeerd. Ja, door Woord en sakrament: „Doe dat tot Mijn gedachtenis”. Verkondig de dood des Heeren totdat Hij komt.

Het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.

En dit wasvoor de lijdende Borgookhet loon op Zijn Middelaarswerk: „Die om de vreugde, die Hem was voorgesteld, het kruis heeft verdragen en de schande veracht”.

En dan op het Pinksterfeest zal het in vervulling gaan: „Ik zal uitstoten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben”.

Ja, alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de Heere bekeren.

Zij zullen zich bekeren. Dit is een nadere weldaad, die afvloeit van het kruis. De bekering is als ’t ware de refleks van het gedenken. Het is de vrucht van de prediking van het Evangelie des kruises. Het is als ’t ware de echo van het Evangelie. Want zegt Paulus: „Hoe zullen ze Hem aanroepen in Welke zij niet geloofd hebben, en hoe zullen zij in Hem geloven van Welke zij niet gehoord hebben, en hoe zullen ze horen, zonder die hen predikt? Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God”.

Bekering wil eigenlijk zeggen: omkering. Dit is noodzakelijk voor U en voor mij. En van de verloren zoon lezen wij: „en tot zichzelf gekomen zijnde”. En van Efraïm in Jeremia 31: „en nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt, heb ik berouw gehad”. Immers wanneer God een werk van vrije genade vestigt in het hart van een zondaar, komt Hij hem door ontdekkende genade te leiden in een verloren paradijs, naar wat we lezen in Zondag 3: „Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des mensen? Antw.: Uit de val en ongehoorzaamheid van onze eerste ouders”.

In het paradijs toch hebben we ons omgekeerd, afgewend van onze Schepper en Weldoener. En zo treedt de mens steeds verder van God af, op de brede weg des verderfs. Ja zo staan we allen met de rug naar God toe.

We hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. En als God door Zijn Woord, gelijk als tot Adam, tot de mens roept: „Waar zijt gij”? Dan, omgekeerd op de weg van Gods heilig aangezicht, zo worden de binnenkameren van de buik doorlicht en worden al onze zonden gesteld voor Zijn heilig aangezicht. Geplaatst voor de spiegel van Zijn heilige wet die de echo van Gods deugden en anderzijds de spiegel van onze zonden is, zien we onszelf melaats van de kruin van ons hoofd tot de zool van onze voeten.

Voorwaar, de mens geboren in een verbroken werkverbond, wanneer hij alzo zichzelf leert kennen in zijn schuld en verdoemelijkheid, waaraan verbonden de straf der zonde, de dood, beproeft, gelijk als Adam, zich te bedekken met de vijgebladeren van de werken der wet. Doch bij ontdekkend licht van Gods Geest leert hij:


Hoe ik dieper poog te delven
Hoe ik meer bederf ontmoet
Och, ik wanhoop aan mijzelve.


Wat zal ’t nu een wonder zijn voor zulk één, die van alle eigengelegde gronden, als een omkomend mens in zichzelf, als een gans verlorene, hel- en doemwaardige, leert zien op een stervende liefde. Zij zullen dat sterven overdenken, dat sterven inleven, ja, zich tot de Heere bekeren, met het:,,Heere bekeer mij tot U, dan zal ik bekeerd zijn”.

Wanneer Christus ontdekt wordtin Zijn noodzakelijkheid en dierbaarheid, als de van God geschonken Borg voor een gans verloren volk, dan toch leren wij als een uitgewerkt schepsel aanschouwen een uitgewerkte zaligheid. Maar zulkéén kan ook niet rusten, dan alleen in de toegepaste en toegerekende gerechtigheid door de Heilige Geest, omnu tot troost van zijn ziel te ervaren:


Dit trooste mijn geweten,
Het is al voor mij geschied.


Op deze toepassing komt het aan, om de vrucht van Christus’ lijden, ook straks in de stervensure te ervaren:

’k Houd dan in stervenssmarten
Het oog op ’t kruis gericht.
En klem dat vast aan ’t harte
Zo valt het sterven licht.


S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.