+ Meer informatie

BELIJDEN EN BELEVEN

6 minuten leestijd

Onderwerp, uitgesproken op de ontmoetingsdag
te Zwolle op 21 augustus 1971,
door Ds. H. van Leeuwen


We moeten thans spreken over „belijden en beleven”.

Dit is een zaak van de mond en van het hart. Van de mond niet alleen. Een „mond-belijdenis” is zonder meer niet genoeg voor de eeuwigheid. Zij moet, zal het wel zijn, een zaak zijn van het hart! Anderzijds moet belijden niet alleen een zaak van het hart zijn, maar ook van hetgeen de mond belijden moet aangaande de INHOUD van het belijden.

Daarom willen we ’t hebben over twee zaken:

1e. belijden is noodzakelijk voor het beleven en 2e. beleven is noodzakelijk bij het belijden.

Deze 2 zaken komen duidelijk uit in de gelijkenis van de twee zonen, die door de vader geroepen werden om te werken in zijn wijngaard. Matth. 21 : 28-30. Deze gelijkenis willen we dan ook nemen tot grondslag en uitgangspunt voor ons onderwerp.

We vinden hier de beide zaken van belijden en beleven. De eerste zoon, die eerst weigerde in de wijngaard te werken, komt tot berouw en gaat dan in de wijngaard. Hij kwam dus tot ’t beleven.

De tweede zoon zegt wel „ja”, belijdt dus, maar daar blijft het bij. Want hij ging niet naar de wijngaard. Hij beloofde wel veel te zijn voor de vader; een oppassende jongen, op wien de vader altijd kon rekenen. Maar… helaas, hij kwam niet tot het beleven van zijn belijden.

Ontroerende uitbeelding van een belijden, zonder te zijn een zaak van het hart! Zo zijn er vele „mond-belijders”, die het hartvemieuwend werk van de Heilige Geest missen. Vaak veel beloven, maar waarvan niets terecht komt. Of zij keren terug tot de wereld en haar begeerlijkheden, óf zij blijven uiterlijk stipte kerkmensen, vaak vol ijver voor de arbeid in Gods koninkrijk, maar missende het „beleven” met het hart. Denk aan Orpa, aan Demas.

Hoe verbaasd en ontsteld stond de vader, komende in zijn wijngaard, toen hij die tweede zoon ontmoette, die „ja”-zegger, miste. Hoe smartte hem dit.

Maar hoe verrast en verblijd werd de vader, toen hij die eerste wél ontmoette en die hij vol ijver zag werken in de wijngaard.

Zo kan de Heere „neen-zeggers”, weigeraars, brengen tot het ware BELEVEN des harten. Welk een wonder van genade, wanneer de Heere tot hartelijk berouw brengt en tot Zijn dienst gewillig en bereid maakt. Dan worden het belijders én belevers!

Onderzoeken we ons ten deze, bij wie wij behoren. Anderzijds dienen we niet te vergeten, dat bij de oprechte beleving van het belijden, noodzakelijk is kennis van de INHOUD van het belijden, wát men belijdt. En dit moet zijn: al wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft. Hiervan niets af te doen en niets toe te doen. Ook niet Gods Woord zoeken aan te passen bij ónze mening en beschouwing der dingen. En zulks geschiedt toch.

Is er niet in de kerken en in het theologisch denken van onze tijd een diep-ernstige aantasting waar te nemen van Schrift en Belijdenis? Zijn er niet zulke sterke reacties aan de orde, waarbij men zaken, die voorheen in de kerk onvoorwaardelijk aanvaard en gehandhaafd werden, nu radicaal over boord werpt? Zaken, kern-waarheden, die toch het welzijn der kerk en het welzijn van een ieder persoonlijk gelden. Welke waarheden o.a.? Wel, van de doodstaat van de mens, zijn onmacht onder de zonde en tevens zijn volle verantwoordelijkheid over wat God als voorrechten geeft; de leer der verzoening van Christus DOOR VOLDOENING, hoe wordt ook die aangetast en miskend, zoals door de Gereformeerde ds. Wiersinga. De leer der verkiezing, uit Gods souverein Welbehagen. De toeëigening des heils; het werk van de Heilige Geest in het hart van de zondaar.

Het zuivere belijden is zo noodzakelijk tegenover de dwaalgeesten, bijzonder ook van onze dagen. Wat is eigenlijk „belijden”?

Belijden is: na-zeggen, wat God zegt in Zijn Woord. HETZELFDE zeggen. Maar wat doet men thans? Van hen, die Schrift en Belijdenis aanranden, zegt men: och, ze zeggen de dingen wat anders dan vroeger. Zo bijv. Kuitert. Maar, waartoe leidt dit „anders zeggen”? Is het niet tot „andere dingen zeggen”?

Daarom hoe noodzakelijk is het, het PAND te bewaren, dat God Zijn kerk heeft toebetrouwd, de onveranderlijke waarheid Gods, in Zijn Woord geopenbaard!

Die zuivere waarheid belijden: in prediking, in kat. onderwijs, in onze opvoeding, op de scholen.

Maar daarbij geldt de belangrijkste vraag: hoe belijden wij? Met de mond alleen? Dit is te kort voor de eeuwigheid. Een verstandelijk weten van de inhoud van het belijden is niet genoeg. Het moet HARTE-WERK worden, oprechte beleving! Zoals we zien bij die eerste zoon, die aanvankelijk weigerde in de wijngaard te werken. En hij behoorde toch ook tot hetzelfde gezin. We zouden zeggen, ook een „belijder”.

O, nog eens, kunt u zich indenken, welk een verrassing het was voor die vader, toen hij deze jongen wél ontmoette in de wijngaard? Hoe was dit zo gekomen bij die jongen? Wel, zoals bij de verloren zoon in de gelijkenis. Hij kwam eerst tot zichzelf, toen tot belijden, maar met hartelijk berouw en ten slotte kwam hij tot de daad van wederkeer. Niet van zichzelf, maar door de gewilligmakende werking van Gods Geest. Ja, tot welk een kostelijk „beleven” mocht hij gebracht worden!

O, smeken we, lieve jeugd ook, om tot zulk een belijden met het hart te mogen komen, door Woord en Geest, tot de oprechte keus van het hart als bij Ruth, bij Mozes, bij anderen.

Dan komt er een INKEER in zichzelf, een heilige AFKEER van de zonde en van de wereld, ja, van alle dwaalleer, hoe listiglijk zich die ook aandient. Maar dan wordt er ook in uw hart een hartelijke lust en liefde gelegd tot den Heere en Zijn dienst, tot Zijn Woord en Waarheid, ja, tot dàt volk, dat het geklank mag horen!

„Belijden is beleven”. Het is telkens weer nodig voor Gods kinderen.

Helaas, wat is er vaak een afdwalen, een toegeven, een niet-onderscheiden der dingen, een wereldgelijkvormigheid.

Worde het tot schuld! Drijve die schuld uit tot Christus.

Zo zal de troost van het beleven ervaren worden in wat die dierbare Borg verworven heeft voor al Zijn ellendig en arm volk, namelijk, dat Hij voor Pontius Pilatus heeft beleden de GOEDE BELIJDENIS. Is Hij niet op en om die Belijdenis: „Gij hebt het gezegd” (Gods Zoon te zijn) veroordeeld en naar het kruis geleid?

Welnu, dan ligt ook alleen in Hém de genade en de kracht tot het ware beleven van het belijden!

Ik heb gezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.