+ Meer informatie

Basisbegrippen…

die niet elke ouderling (meer) kent, maar wel zou moeten kennen

10 minuten leestijd

Naast de predikanten zijn het met name de ouderlingen die geestelijke leiding hebben te geven aan de gemeente.

Dit betreft onder meer het opzicht over de prediking, zowel van de (eigen) predikant(en) als van de studenten en kandidaten die in de diensten voorgaan. Bij het uitoefenen van deze ambtelijke verantwoordelijkheid is het uiteraard zaak, dat men weet waarover men het heeft. Aan welke vereisten moet een (christelijke) gereformeerde preek voldoen? Het spreekt voor zich dat het daarbij noodzakelijk is, dat de ouderlingen de beschikking hebben over het juiste instrumentarium om een preek te beoordelen, om van daaruit op een goede manier met de predikers – en met de gemeenteleden – over het gehoorde in gesprek te kunnen gaan. Het leek de redactie een goede gedachte om eens een aantal basisbegrippen op een rij te zetten, die even zovele handvatten bieden om de vraag te beantwoorden: was de preek naar de Schrift en naar de belijdenis en werd in voldoende mate geestelijke leiding gegeven?

Schriftuurlijk-bevindelijk

Bij het benoemen van de basisbegrippen die in dit artikel de revue passeren, maak ik onder meer gebruik van de nog altijd waardevolle inaugurele rede die prof. W. Kremer op 13 januari 1954 hield, toen hij zijn hoogleraarsambt in Apeldoorn aanvaardde: ‘Geestelijke leiding in de prediking’. Onze studenten nemen van de inhoud van deze rede in hun opleiding aan de TUA nog altijd kennis. En er zullen weinig classisexamens gehouden worden, waar op enig moment niet gevraagd wordt naar de vijf criteria waaraan een verantwoorde preek behoort te voldoen (deze rede is te vinden in Ambtelijk Contact 2017 nr. 4).

Het eerste criterium dat Kremer noemt is dat de prediking exegetisch gefundeerd dient te zijn. Het spreekt in feite voor zich dat hij dat punt als eerste noemt. Voor alles dient in de verkondiging te worden uitgelegd wat er in de betreffende tekst staat. De context moet meeklinken. De Bijbelse diepgang van kernwoorden uit de tekst mag vanuit de oorspronkelijke taal worden belicht. En door middel van het Schrift met Schrift vergelijken wordt gepoogd het geheel van de Godsopenbaring in de prediking te laten meeklinken.

Exegetisch gefundeerde prediking is daarmee Schriftuurlijk. Maar zoals het kopje al aangeeft: daarmee is de prediker er nog niet. Naast de uitleg van wat er staat, hoort de preek ook toepassingen te maken die gericht zijn op het (geestelijk) leven van de hoorders. Uiteraard niet zonder dat de tekst zodanig door de prediker zelf is heengegaan, zodat aan de verkondiging te merken valt dat er sprake is van een doorleefde boodschap. Maar: alleen Schriftuurlijk spreken, dat wil zeggen: louter verklarend, levert nog geen echte preek op. Vandaar de uitdrukking die we al sinds jaar en dag toch wel koesteren: graag horen we op onze kansels Schriftuurlijke én bevindelijke prediking. Wat het Woord zegt én wat het Woord onder inwerking van de Heilige Geest in mensenlevens uitwerkt: dat hoort allebei thuis in de prediking.

Daarbij is de volgorde van de begrippen Schriftuurlijk en bevindelijk trouwens van groot belang. Wie begint met een bepaalde – vaak schematisch getoonzette – beschrijving van bevinding, komt aan de rijkdom van het Schriftgetuigenis niet meer toe. Nee, de Schrift moet tot spreken gebracht worden en daarbij is het zaak om haar helemaal te laten uitspreken. Van daaruit zullen predikers en hoorders merken dat de toepassingen als vanzelf uit de tekst opkomen.

Voorwerpelijk-onderwerpelijk

Met het bovenstaande hangt ook het volgende begrippenpaar samen: voorwerpelijk-onderwerpelijk. In feite weer een andere manier om dezelfde zaken te onderstrepen. Voorwerpelijke prediking wil zeggen: prediking over het voorwerp van het geloof. Waarop richt het geloof zich? Op wat in Handelingen 2 genoemd wordt: het spreken van ‘de grote werken Gods’ (vers 11b). Dat moet – net als in de Pinksterprediking van de apostelen – als eerste alle ruimte krijgen. Vervolgens mag en moet ook aandacht gevraagd worden voor het ‘onderwerp’ van het geloof. De mens, die onder de prediking tot geloof en bekering wordt gebracht, krijgt met het werk van God heel persoonlijk te maken.

Daarbij kent het werk van de HEERE grote variatie. God is, kunnen we zeggen, in de herschepping minstens zo creatief als Hij in de schepping blijkt te zijn. Voor zover de tekst er aanleiding toe geeft, is het geboden om ook aan dit aspect aandacht te besteden. Opdat er geen sprake zal zijn van een objectieve afkondiging van (heils)feiten, maar opdat er een warme en levensechte verkondiging van het Evangelie, inclusief het effect daarvan in mensenlevens, plaatsvindt. Zoals trouwens ook in Handelingen 2 zichtbaar wordt in de reactie van de hoorders op de priemende vinger van Petrus (zie vers 37 en volgende).

Heilshistorisch en/of heilsordelijk

Eigenlijk blijven we met het volgende begrippenpaar wat in dezelfde sfeer. Opnieuw gaat het erom: in hoeverre wordt de verkondiging van Gods werk persoonlijk gemaakt. Heilshistorische prediking laat daarbij allereerst de grote lijn zien, die God in de geschiedenis van Israël en de volken heeft getrokken bij het realiseren van Zijn verlossing. Daarbij komen vragen aan de orde als: in welke fase van de heilsgeschiedenis bevinden we ons bij het luisteren naar een bepaalde tekst? Het maakt bijvoorbeeld nogal verschil of er over een oudtestamentische of een nieuwtestamentische tekst gepreekt wordt. Welke bedeling van het verbond vormt de achtergrond van wat er bepreekt wordt? Spreekt de tekst vanuit de ‘schaduwdienst’ van tabernakel en tempel, of wordt – zoals in de brieven gebeurt – het volle heil in Christus verkondigd?

Opnieuw geldt: in het ene aspect van de heilshistorie mag de prediking niet blijven steken. Synodaal-gereformeerde en Gereformeerd-vrijgemaakte predikers waren (resp. in de decennia vóór en na de Tweede Wereldoorlog) vermaard in het trekken van heilshistorische lijnen. Daar zal menig christelijk-gereformeerd predikant in zijn voorstudie nog wel eens gebruik van maken. Tegelijk moeten we waken voor het gevaar, dat in de bedoelde preken niet denkbeeldig is gebleken, dat het heilshistorische accent in de verkondiging er wel voor zorgde dat de heilsordelijke kant te weinig belicht werd. Heilsordelijk: een term die verwijst naar wat we op catechisatie leren over de weg waarlangs de Heilige Geest het door Christus verworven heil uitdeelt en toepast. Weet u het nog? Roeping, wedergeboorte, bekering en geloof, rechtvaardigmaking en heiligmaking en tenslotte heerlijkmaking. In de prediking zal, naargelang de tekst het voorschrijft, ook voor deze basisbegrippen aandacht moeten zijn. Wellicht dat ook een bredere behandeling van de onderdelen van de heilsorde nuttig zou kunnen zijn voor de lezers van Ambtelijk Contact, maar dat zou het bestek van dit artikel wat te buiten gaan. Wellicht stof voor een nieuw artikel in de (nabije) toekomst?

Trinitarisch getoonzet

We gaan naar het tweede criterium dat prof. Kremer in zijn rede noemt. De preek dient trinitarisch getoonzet te zijn. Anders gezegd: theologisch verantwoord. De drie goddelijke Personen hebben elk hun bijzondere aandeel in de verlossing van zondaren. De Vader is het, Die verkiest, de Zoon Die verlost, de Heilige Geest, Die via de toepassing van het heil de mens vernieuwt. Uiteraard geldt ook hier: de ene tekst legt een ander accent dan de andere. Maar een prediking, die door de jaren heen bepaalde accenten vrijwel steeds verwaarloost, geeft aan de gemeente geen goede geestelijke leiding. Altijd in het algemeen over God spreken, zonder de drie Personen afzonderlijk aan de hoorders voor te stellen, leidt tot oppervlakkigheid. Dat geldt ook voor een verkondiging die eigenlijk alleen maar weet te spreken over Jezus’ Persoon en werk. Immers: zonder Geest geen geloof. En het grote doel van het Evangelie is uiteindelijk niet dat wij alleen de Persoon van Jezus leren kennen. Hij is het, Die Zijn leven gaf opdat zondaren weer kinderen van de Vader zouden mogen worden! Zoals een bekend (kerst)lied zegt: ‘Die tot God ons terugbrengen zou’,

Christocentrisch preken

Intussen mag de verkondiging van de Heere Jezus en Zijn werk wel een zwaar accent krijgen. Hijzelf zegt: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Joh. 14:6). Daarom zal het het verlangen van iedere rechtgeaarde prediker zijn om Hem in elke preek centraal te stellen. We noemen dat christocentrisch preken. Niet te verwarren dus met christomonistisch preken, waarbij de Vader en de Heilige Geest (en de aangesproken mens) buiten beeld blijven…

Het pneumatologisch aspect

Over de Heilige Geest gesproken… Het benoemen van Zijn werk met en onder het Woord wordt wel het ‘pneumatologisch’ aspect van de prediking genoemd (pneuma is het Griekse woord voor geest). Hier is sprake van een zeer breed terrein. Het is de Geest Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel (Joh. 16:8). Hij ontdekt en ontmaskert en werkt nood in het hart, die uitdrijft tot de Zaligmaker. Hij leidt in al de waarheid, over God, over Christus en over onszelf (Joh. 16:13). Hij is het, Die het heil uit Christus neemt en het ons verkondigt (Joh. 16:14). Hij eigent toe. Hij leidt (Rom. 8:14). Hij troost. Hij bidt voor de gelovigen met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom. 8:26). Een kerkenraad die de gemeente gezonde geestelijke leiding wil (laten) geven, zal in het opzicht houden over de prediking zeker aandacht moeten hebben en houden voor de pneumatologie.

Confessioneel georiënteerd

Het derde aandachtspunt dat prof. Kremer wezenlijk acht voor de prediking is dat zij confessioneel georiënteerd is. U hoort: daarin gaat het om de relatie tot de confessie oftewel de belijdenisgeschriften. Kremer wijst er onder meer op dat in de Drie Formulieren van Enigheid aandacht is voor de verscheidenheid van de hoorders. Er zijn niet alleen gelovigen onder het Woord, maar ook hypocrieten (art. 29 NGB). Bij de confessionele oriëntatie van de prediking mag u trouwens ook gerust denken aan de ‘stukken’ die volgens de Heidelbergse Catechismus nodig zijn te kennen in leven en sterven. Ten overvloede: dat zal per bepreekte tekst verschillend gewicht krijgen. Maar een kerkenraad mag zich – over een langere periode van prediking in de gemeente – best de vraag stellen: hoe is in de preken die onze gemeente hoort de aandacht verdeeld over de kennis van de ellende, de verlossing en de dankbaarheid?

Onderscheidenlijk preken

Nog een uitdrukking die in onze kerken altijd hoog in het vaandel is gehouden: onderscheidenlijk oftewel (nog iets ouderwetser gezegd) separerend preken. Aansluitend bij wat al aangehaald werd uit art. 29 NGB: er is in de ene verbondsgemeente nogal wat onderscheid aan te wijzen tussen de hoorders onderling. Kremer benoemt dit als ‘afgestemd zijn op de werkelijkheid in de gemeente’. Er zijn gelovigen en ongelovigen. Er zijn zoekers en onverschilligen. Er zijn zwakken en sterken, bekommerden en verzekerden. Er zijn er ook die in leer of leven ‘de weg kwijt’ lijken te zijn en die daarom ook vanaf de kansel terecht gewezen dienen te worden. Een prediker en een kerkenraad die in dit opzicht de gemeente niet kent, kan door een te algemene aanspraak van de hoorders het gevoel doen postvatten dat mensen door hun louter lid zijn van de kerk half of helemaal verzekerd zijn van de zaligheid. We voelen hopelijk allemaal aan: hier ligt ook een grote verantwoordelijkheid, tegenover de hoorders maar zeker ook tegenover de grote Opdrachtgever van de prediking…

‘Ad hominem’ preken

Tenslotte nog een Latijnse term, eveneens ontleend aan de inaugurele rede van prof. Kremer. Ad hominem wil letterlijk zeggen: op de man (mens) af! De verkondiging moet doelbewust zijn. Daarom zei men vroeger al: een prediker die vruchtbaar wil arbeiden in Gods Kerk, moet allereerst zijn Bijbel kennen, maar niet alleen dat. Ook het ‘boek’ van het leven en van het geweten van de hoorders (met zijn diverse vragen en aanvechtingen) zal hij moeten kennen. De mens van deze tijd moet vervolgens niet besproken maar aangesproken worden, zegt Kremer. ‘De descriptieve (louter beschrijvende) preek is krachteloos. Zij is een pijl zonder punt’.

Ik hoop dat met de behandeling van bovenstaande begrippen handvatten gegeven zijn, die kerkenraden van dienst kunnen zijn bij het luisteren naar én leiding geven aan de verkondiging van Gods Woord in onze tijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.