+ Meer informatie

RumoeR om ons Psalmboek

3 minuten leestijd

(7.)

Westkapelle: Ook hier onenigheid over de manier van zingen. Tevens hebben we er hier weer een voorbeeld van, hoe in die dagen de stedelijke regering zich bemoeide met kerkelijke zaken.

De voorzanger had al enkele malen geprobeerd, de korte zingtrant ingevoerd te krijgen, steeds zonder resultaat.

Op 11 Maart 1776 ging de stadsregering zich er mee bemoeien. Van haar verscheen toen een wet, waarin besloten was:

1. De gemeente te verzoeken en desnoods te gelasten om bij de openbare godsdienstoefeningen de voorzanger met oplettendheid na te zingen om alle verwarring te voorkomen,

2. Aan dominee Johan Frederik van der Sloot werd verzocht voor het oplezen van de tekstwoorden de Bedezang voor de predikatie te laten zingen. (Dit lied wilde de gemeente tot nog toe niet zingen.)

3. De voorzanger werd gelast om „alle gevoegelijke bekorting der zangmaat" in acht te nemen en de gemeente er allengs aan te gewennen.

Op 17 Maart d.a.v. werd deze wet vanaf de preekstoel voorgelezen. Al spoedig werd als gevolg hiervan een begin gemaakt met de verandering van psalmgezang. De eerste de beste keer liep het al mis. Enige jongens, aangezet en geholpen door ouderen, meest dijkwerkers, begonnen reeds te zingen voordat de voorzanger inzette en ze zongen nog na, toen de gemeente het vers uit had. Ze brachten dus onstichtelijke verwarring te weeg.

Bijgevolg lieten Baljuw, Burgemeester en Schepenen op 21 Juni een waarschuwing voorlezen en aanplakken,

waarin zij hun verontwaardiging te kennen gaven; gelastende verder, dat niemand anders mocht zingen dan bij voorgemelde resolutie was bepaald. Ieder die zich hier niet aan hield, zou als een verstoorder der openbare orde worden aangezien en zo iemand werd de inwoning binnen Westkapelle ontzegd.

Ook deze waarschuwing had de gewenste uitwerking niet. De tegenstribbeling en verwarring werd zo groot, dat men weer besloot volgens de oude zangwijze te gaan zingen.

Hiervan kreeg de timmermansbaas IJsbrand Leinse Borggraaf de schuld. Door verschillende geschiedschrijvers genoemd een godvruchtig en voorbeeldig Christen. Hij werd er van beschuldigd de hand te hebben gehad in de strubbelingen en tot dien einde zou hij in zijn huis een vergadering met verdachte personen gehouden hebben. Op het Stadhuis ontboden en ondervraagd zijnde, ontkende hij zijn misnoegen over het nieuwe psalmgezang en enige andere bijzonderheden niet, welke hem ten laste werden gelegd. Toen men hem verder onderhield over de betamelijkheid van enige plichten, b.v. of men zijn naasten niet moest lief hebben en of men zijn overheden niet moest gehoorzamen, was gedurig zijn antwoord: „Daar sta ik niet"; of „daar sta ik niet voor mijn gemoed; of „ik ben maar een eenvoudig mens."

Prompt werd hij de stad uitgebannen, waarop hij zich in het naburige dorp Zoutelande vestigde. Wel heeft hij nog getracht, zijn vonnis herzien te krijgen, maar zonder succes. Het heeft hem zijn verdere leven echter aan niets ontbroken, want door meer dan honderd boeren van het eiland Walcheren werd hij met geld en goederen onderhouden. „De Heere vergeet de Zijnen niet."

Van nog enige andere plaatsen zijn ons ongeregeldheden bekend, bv. te Zaamslag, Vrouwenpolder enz. Om niet eentonig te worden, zullen we daarover zwijgen. Al de genoemde bewegingen kunnen echter niet in de schaduw staan bij de geweldige opstand, die er naar aanleiding van deze kwestie te Maassluis is uitgebroken. Om het typische en onverzoenlijke karakter hiervan duidelijk te doen uitkomen, zullen we dat nog uitvoerig bespreken. In het volgende nummer hopen we D.V. daarmee te beginnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.