+ Meer informatie

WATERSNOOD

2 minuten leestijd

1. Febr. 1953

I.

Wij voelden ons zo veilig achter dijken, ; zo knus en rustig op het lage land — waarop zo vredig onze velden prijken — : wat zou ons deren in dit kalm bestand?

Het vruchtbaar veld vermocht ons te verrijken, door regen, zon, door arbeid en verstand; zelfs buitenlanders stonden vreemd te kijken naar lage akkers achter 't hoge strand.

Toen is zo plots de grote ramp gekomen: de zeeën braken wild de wallen door en gulpten gulzig in steeds breder stromen

de wonderlijke prooi op 't vreemde spoor; wat wij zo veilig waanden werd ontnomen, ons kostbaar goed ging eensklaps wreed te loor.

WATERSNOOD

I.

7Aj zat met andren bibbrend in de boot; nauw waren zij de wrede dood ontkomen, slechts 't lichaam leefde, alles was ontnomen toen wilde stroom door grote gaten schoot.

Zij keek verward: haar ouders dreven dood in 't bruisend water, dat maar steeds bleef stromen; ivas 't werkelijkheid of leefde zij in dromen ? waar was een sterkte, die haar houvast bood ? „Zeg schipper, luister, duurt verdrinken . lang; is 't worstelen in 't wilde water bang; O zeg mij, is 't een'harde dood verdrinken? "

De schipper meende dat z aan d' ouders ' dacht, en sprak tot haar: „verdrinkingsdood is zacht. Een plons — zij' zagen allen 't kind verzinken.

M. N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.