+ Meer informatie

Willem van Oranje op het examen

Nieuwe examenregeling voor geschiedenis laat aantal belangrijke veranderingen zien

7 minuten leestijd

De knoop is doorgehakt. Na tien jaar voorbereiding heeft staatssecretaris Wallage van onderwijs vorige maand de nieuwe examenregeling geschiedenis voor het laatste jaar van lbo, mavo, havo en vwo vastgesteld. Rekening houdend met de wensen van docenten en historici uit het wetenschappelijk onderwijs, laat de nieuwe regeling, die per 1 augustus 1993 ingaat, een aantal belangrijke veranderingen zien. Ongetwijfeld zal dit besluit menig docent(e) geschiedenis opgelucht doen ademhalen.

De bestaande situatie riep immers steeds meer verzet op. Dan doelen we vooral op het centraal schriftelijk eindexamen. Op dit moment konden nier alleen twee onderwerpen van na 1917 aan bod komen. Het gegeven dat de onderwerpen per se na 1917 moesten vallen, beperkte de keuze in grote mate. Vervolgens was de stofkeuze binnen een onderwerp soms erg willekeurig.

Tussen de vele voorgeschreven begrippen die gekend moesten worden, bestond vaak geen oorzakelijk verband, zodat het niet zo verwonderlijk was dat leerlingen en docenten zich soms zuchtend door de brij feiten heenwerkten. Voor veel leerlingen betekende dit examen een anticlimax van het anders zo boeiende vak geschiedenis. Daar lijkt nu wat verandering in te komen!

Themavelden

Het nieuwe examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting beschirijft de eisen voor de twee gedeelten van het examenprogramma in het laatste jaar van de verschillende schooltypen: het schoolonderzoek en het centraal schriftelijk examen. Op tal van punten wijkt de nieuwe regeling af van de huidige omschrijvingen.

De grootste wijziging bestaat in het verplicht stellen van onder andere onderwerpen van voor 1870 bij het centraal schriftelijk examen en het schoolonderzoek. Een werkgroep heeft twintig themavelden opgesteld, die iedere vijfjaar herzien kunnen worden. Zo vinden we onderwerpen als: de Nederlandse Opstand, de Gouden Eeuw in de Lage Landen, de wortels van de westerse cultuur en de identiteit en invloed van de islam. De minister heeft dus een veel ruimere keus bij het vaststellen van twee onderwerpen voor het schriftelijk examen. Die keus zal in de meeste gevallen voor twee jaar gelden, waarbij er per jaar één onderwerp zal wijzigen.

Wijziging

Een tweede belangrijke verandering is dat één onderwerp voor het centraal schriftelijk examen gewijd zal moeten zijn aan de geschiedenis van Nederland en zijn koloniën/rijksdelen. Nu was dit laatste altijd al het geval, maar de wijziging zit weer in het gegeven dat ook onderwerpen uit de vaderlandse geschiedenis van voor 1870 aan de orde komen. Blijkbaar vindt men nu die geschiedenis belangrijk genoeg om in het examenjaar te behandelen.

De derde wijziging is dat in ieder geval staatsinrichting aan bod moet komen. Indien staatsinrichting niet bij het centraal schriftelijk examen als een van de twee onderwerpen aan de orde komt, dient het te worden opgenomen in het schoolonderzoek.

Ten aanzien van het schoolonderzoek zal er in de meeste gevallen niet zo veel veranderen. Hier moeten in het examenjaar drie onderwerpen behandeld worden, die niet op het centraal schriftelijk examen ter sprake komen. Men mag daarbij wel uit de lijst met themavelden kiezen.

Historisch

We beperken ons in de beoordeling tot de onderwerpen van het centraal schriftelijk examen. De keus is niet alleen ruimer, maar ook meer historisch. Een onderwerp over de denk- en leefwereld van de middeleeuwse samenleving wordt nu relevant geacht voor onze huidige maatschappij. Dat is een grote verbetering. De laatste iaren kreeg de docent(e) geschiedenis door de van bovenaf opgelegde onderwerpskeuze wel eens het idee dat hij/zij met het schriftelijk examen mee mocht werken aan maatschappelijke veranderingen.

Na twee jaar vrouwenemancipatie staat nu -voor 1992- de Europese Integratie (1945-1990) op het programma. Deze onderwerpen zijn schoolvoorbeelden van een min of meer a-historische benadering. Men veegt een aantal losstaande begrippen bij elkaar en probeert daartussen een vaak kunstmatig verband te leggen. Die kunstmatigheid kwam onder andere door de begrenzing in de tijd, het moest immers de twintigste eeuw zijn, en het losmaken van de historische feiten uit de context van de eeuw.

Maar hoe kan men in 1992 een bezonken oordeel geven over ontwikkelingen die lopen van 1945 tot 1990, zoals bij het onderwerp Europese Integratie? Voor geschiedschrijving is distantie noodzakelijk. Op deze manier wordt geschiedenis een vorm van maatschappijleer.

Lijnen

In de nieuwe regeling kunnen de onderwerpen veel historischer behandeld worden. Men kan meer lijnen vanuit het verleden trekken om hedendaagse ontwikkelingen te verklaren. Ook kunnen de historische gebeurtenisen veel meer vanuit het verband van de tijd waarin ze plaatsvonden verklaard worden.

Enigszins opvallend is de herwaardering van de vaderlandse geschiedenis van voor 1870. Juist in onze tijd neemt het Europa-denken immers steeds meer toe. Misschien is op dit punt tegemoetgekomen aan de kritiek van de vakhistorici, die stellen dat leerlingen te weinig kennis van het (eigen) verleden hebben. In ieder geval is het goed om jongeren bij voorbeeld te confronteren met de wording van de Nederlandse Staat in de Tachtigjarige Oorlog. Een volk moet zijn eigen geschiedenis kennen!

Nu wordt hier zeker op menige school in de andere leerjaren aandacht aan geschonken, maar er zijn heel wat scholen voor lager en middelbaar onderwijs waar verhalen over Willem van Oranje en de Gouden Eeuw overblijfselen uit de antieke doos zijn, die niet meer verteld hoeven te worden. Daarom kunnen we de hernieuwde aandacht voor vaderlandse geschiedenis op het examen alleen maar toejuichen.

Zorgen

Het feit dat staatsinrichting weer een verplicht onderdeel van het examen geschiedenis moet worden, hangt wellicht nauw samen met de grote desinteresse van de gemiddelde Nederlander op dit terrein. Het baart de overheid zorgen dat de meeste burgers zich weinig betrokken weten bij het bestuur van het land. Enige kennis van dat bestuur is wel het minste wat gevraagd kan worden.

Los van dit aspect is het toch wenselijk dat iedere scholier een minimumkennis van de staatsinrichting bezit wanneer hij of zij van school komt. Dat dan de keuzevakker zich nog wat meer verdiept in deze materie is alleen maar toe te juichen. Een themaveld als "parlementaire democratie versus dictatuur" klinkt in ieder geval veelbelovend.

Kanttekeningen

Prof G. J. Schutte, historicus aan de VU te Amsterdam, heeft eens als kritiek geuit dat veel geschiedenisonderwijs lijdt aan presentisme: het heden wordt als grondslag genomen voor het verleden. Dat gebeurde ook wel eens bij vroegere examenonderwerpen. Het actuele vraagstuk van de vrouwenemancipatie bij voorbeeld leidt er toe dat men naarstig het verleden onderzoekt op de positie van de vrouw. Nu kan zo'n aanpak voor een keer geen kwaad, maar het gevaar bestaat dat men de feiten niet meer in hun historische context ziet. De geschiedenis wordt dan fragmentarisch aangeboden.

Bovendien maakt men bij zo'n aanpak al gauw de historische vergissing het verleden te gaan beoordelen naar de maatstaven van het heden. Hoewel er in de nieuwe examenregeling weer meer echt historische onderwerpen op het programma staan, zijn er ook voorbeelden van dit presentisme te vinden.

Wat moeten we ons voorstellen bij het onderwerp "de betekenis van het proces van de (vrouwen)emancipatie voor het Nederlandse politieke systeem"? Het is te hopen dat men zich in de toekomst bij het vaststellen van de examenonderwerpen niet zal laten leiden door "de waan van de dag".

Haaks

Een tweede kanttekening betreft de behandeling van de onderwerpen voor het centraal schriftelijk examen in het algemeen. Die behandeling staat op veel scholen haaks op het geschiedenisonderwijs zoals dat plaatsvindt in de andere leerjaren. Daar gaat het onder andere om kennis, inzicht, vaardigheden en het leggen van verbanden. Verder staat de interpretatie van de geschiedenis, zeker bij christen-historici, hoog in het vaandel.

Deze zaken komen helaas niet of nauwelijks aan de orde op het schriftelijk examen. Dat kan ook niet, want het centraal schriftelijk examen geldt namelijk alle scholen, ongeacht de identiteit. Daarom moet de leerstof zo objectief mogelijk beschreven worden in de examenbundels. Geen meningen of interpretaties.

Ieder moet zich er in kunnen vinden. Dat houdt in dat zo'n onderwerp een verzameling feiten wordt, die de leerlingen domweg in hun hoofd moeten zetten. De leraar kan natuurlijk tijdens de les wel interpretaties geven, maar op het examen worden hoofdzakelijk de feiten en een beetje inzicht gevraagd.

Zou dat nu veranderen? De nieuwe examenregeling schrijft voor dat de leerlingen naast andere zaken ook feiten van meningen en vooroordelen moeten leren onderscheiden. Dat zal dan toch bij de voorexamenklassen en het schoolonderzoek moeten gebeuren! Naast de verbeteringen van de nieuwe regeling lijkt dit bezwaar onlosmakelijk verbonden te zijn met het systeem van een centraal schriftelijk examen geschiedenis.

Drs. D. van Meeuwen is docent geschiedenis aan de reformatorische scholengemeenschap Guido de Brés in Rotterdam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.