+ Meer informatie

Predikant worden is geen vanzelfsprekendheid

8 minuten leestijd

Aan opschudding over de benoeming van een hervormd kerkelijk hoogleraar zijn wij, jammer genoeg, wel gewend. Een aantal jaren geleden rond dr. Ter Schegget en kort geleden bij de benoeming van dr. Den Dulk. Pijnlijker komt het over als, zoals een paar weken geleden, een bericht —al is het nog zo klein— tot kop heeft: „Kand. Brienen kan tot ambt worden toegelaten". Een toelating nadat de betrokkene aanvankelijk gestruikeld was bij zijn examen voor de classis.

Zo'n bericht, hoe summier ook, kan erg onplezierig zijn voor de (christelijke gereformeerde) kandidaat en kerken in kwestie. Waarom komt zoiets zo pijnlijk over? Ik dacht, omdat wij in de gereformeerde gezindte weleens te veel leven vanuit de vanzelfsprekendheid.

Merkwaardig onderscheid

Niet altijd. Als er commotie ontstaat vanwege een hoogleraarsbenoeming in Leiden, dan verdriet ons dat. maar overigens verblikken of verblozen wij niet. Wij beschouwen het meer als onvermijdelijk dan als vanzelfsprekend. Soms toch. Want zodra in de Gereformeerde Gemeenten of in de Christelijke Gereformeerde Kerken een kandidaat zich door de classis de weg versperd ziet om tot het predikambt te geraken, kijken wij er vreemd van op. De vanzelfsprekendheid wordt doorbroken. Er dreigt weldra een sensationeel schandaal te groeien.

Dit laatste is eigenlijk niet logisch. Want de kerk stelt niet voor niets -en op onderscheiden tijdstippen- onderzoek in naar iemands leer, leven en ambtelijke gaven. Zo'n onderzoek kan positief en negatief uitvallen. Zo'n onderzoek serieus nemen betekent ook serieus rekening houden met afwijzing. Zo'n onderzoek serieus nemen houdt in elk geval in dat het geen vanzelfsprekendheid is om degene die zich aanmeldde toe te laten. Door ons dat te realiseren wordt de nieuwswaarde van een afwijzing en de sensatie van ai wat daar op volgt aan nieuwe pogingen om het begeerde doel alsnog te bereiken, geringer.

Geen wassen neus

Het onderzoek naar leer en leven van een toekomstig predikant is geen wassen neus. In artikel 31 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt de kerk nadrukkelijk dat een ieder zich ervoor moet wachten „zich door onbehoorlijke middelen in te dringen, maar schuldig is de tijd te verwachten, dat hij van God beroepen wordt, opdat hij getuigenis heeft van zijn beroeping, om van dezelve verzekerd en gewis te zijn, dat ze van de Heere is". Ds. Arnoldus Rotterdam zegt in zijn boek "Zions roem en sterkte" over die „beroeping", dat deze tweeërlei is: inwendig en uitwendig.

Ook artikel 3 van de Dordtse Kerkorde spreekt over het „wettelijk beroepen". Over die inwendige roeping zou een apart verhaal te schrijven zijn. Maar in artikel 3 en volgende gaat het in het bijzonder over de uitwendige roeping tot het ambt. De inwendige roeping moet bevestigd worden door een uitwendige „beroeping" van de kerkeraad en de gemeente. Die uitwendige „beroeping" gebeurt in vier stadia: verkiezing, examinatie, approbatie en bevestiging.

Het onderzoek naar iemands leer, leven en ambtelijke gaven is dus geen formaliteit. Het is gegrond in de belijdenis. Onder anderen ds. Wilhelmus a Brakel geeft in zijn "Redelijke Godsdienst" aan de hand van de Bijbel een aantal criteria voor onderzoek naar de inwendige roeping. De kerk der Reformatie legde in haar kerkorde ook regels vast voor de uitwendige roeping. Wat gold in de tijd van A Brakel en Koelman is in de post-christelijke maatschappij anno 1991 des te meer van toepassing. En als wij vinden dat er onderzoek gedaan moet worden, moeten wij het niet vanzelfsprekend vinden dat alles maar goed en glad verloopt.

Onderzoek in fasen

Het bestaat in verschillende fasen. En tijdig onderzoek kan teleurstelling voorkomen. Stel je voor dat iemand de studie begint zonder dat hij straks, als hij de studie afrondt, door de kerken beroepen wordt. Als er sprake is van een strikt kerkelijke opleiding tot dienaar des Woords —zoals bij de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de beide Gereformeerde Gemeenten- dan begint zulk onderzoek bij de plaatselijke kerkeraad. Het vindt een voorlopige afronding, positief of negatief, namens de kerk in haar geheel, in een toelatingsgesprek met het curatorium —men zou ook kunnen zeggen: de commissie van toezicht of bestuur— van die opleiding.

Als het goed is, vinden er met degenen die toegelaten werden, ook tussentijdse gesprekken plaats. Uiteraard is er ook sprake van tentamens en controle op de vorderingen. Dat alles draagt echter een meer individueel karakter. Pas een aantal jaren na de toelating tot de studie heeft het nader onderzoek door de kerk plaats. Als er sprake is van de eindexamens en het uitbrengen van een beroep.

Preparatoir en peremptoir

De beslissing om de bewuste kandidaat toe te laten tot de evangeliebediening ligt in principe niet bij de theologische opleiding, maar bij de kerk in meer directe zin. In de Nederlandse Hervormde Kerk is er sprake van een colloquium, een bijzonder gesprek, met gedelegeerden van de provinciale synoden. In de Gereformeerde Kerken lag de toelating —zoals in vroeger eeuwen ook bij de Hervormde Kerk— altijd bij de classis. Wij spreken daarbij over het preparatoir examen. De Gereformeerde Gemeenten hebben dit preparatoir examen opgedragen aan het curatorium van de Theologische School.

Als er uiteindelijk sprake is van het aannemen van een beroep en de daarmee verband houdende bevestiging tot dienaar des Woords, dan komt de volgende, de laatste fase aan de orde. Dan moet de kandidaat zijn peremptoir examen afleggen. Dat is feitelijk het beslissende moment. Ook dat gebeurt gewoonlijk voor de classis. Dan valt de definitieve beslissing over de toelating tot de volle bediening van Woord en sacramenten. Dat was het moment waarop de in de aanhef genoemde kandidaat struikelde en —gelukkig voor hem— weer opstond.

Vanzelfsprekendheid

Waarom heb ik dit verhaal verteld? Om nog een poosje na te zeuren over Brienen of Den Duik? Geenszins. Maar om in meer algemene zin te wijzen op het gevaar van de eenzijdigheid en de vanzelfsprekendheid.

Er zijn mensen die alle nadruk leggen op de inwendige roeping tot het predikambt. Op het onderzoek daarnaar en de daaruit voortvloeiende toelating tot de studie door een commissie van onderzoek of een curatorium, zoals dat met name in enkele kleinere afgescheiden kerken geschiedt. Aan die eerste beslissing aan het begin van de studie kan zo veel gewicht worden toegekend, dat men zo niet met woorden dan toch in de praktijk de verdere examens —ook het peremptoir examen voor de classis- beschouwt als een formaliteit.

Dat eerste onderzoek en een inwendige roeping zijn noodzaak. Toch ligt hier het gevaar van de vanzelfsprekendheid. Wie het gewicht van de toelating na het gesprek over de inwendige roeping tot het predikambt al te zwaar laat wegen, loopt het risico om niet meer vatbaar te zijn voor kritiek. Ook niet wanneer deze misschien wel scherp is, maar toch uit de aard der liefde, onder vier ogen en tot opbouw van de kerk, wordt gepresenteerd.

Degradatie

Anderen zijn eenzijdig in de andere richting. Zij achten die inwendige roeping een volstrekt persoonlijke zaak, waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of zij rekenen het accent op de noodzaak van de inwendige roeping tot valse mystiek. Op die manier ligt alle gewicht bij de uitwendige roeping. In de praktijk bij de theologische kennis en de examens.

Hier loert het gevaar van een andere vanzelfsprekendheid. Die van het rationalisme en van de veronachtzaming van de bevinding der heiligen. Als ik dogmatiek, ethiek en alles wat erbij hoort maar goed in mijn hoofd geprent heb, dan is dat genoeg en dan kom ik er wel.

Deze gevaren zijn duidelijk aanwezig in de Gereformeerde Kerken synodaal en vrijgemaakt, en in de Nederlandse Hervormde Kerk. Zo dreigt de bijzondere roeping tot het predikambt te degraderen tot een beroep.

Elkaar aanvullend

Voor de beide uitersten hebben wij ons te wachten. Noch de eerste fase in het onderzoek van de aanstaande dienaren des Woords, noch de laatste fase leidt als vanzelfsprekend tot de kansel. Onze gereformeerde vaderen hebben daar wijs en weloverwogen over geschreven. Wij moeten —nuchter— het onderzoek naar de roeping, zoals dat begint bij de plaatselijke kerkeraad, èn de ten slotte plaats hebbende classicale examens volkomen serieus nemen en als een elkaar aanvullend geheel zien. Dat behoedt ons voor eenzijdigheid.

Op deze manier is ook het gevaar minder groot dat de kerk moet afgaan op de indruk van één ogenblik of een enkel gesprek. Daarin kan men immers geïmponeerd worden door een fraai verhaal, door titels. Of afgeschrikt door een slechte presentatie. Wijselijk verloopt in de gereformeerde traditie -zoals geschetst- de weg naar de kansel in verschillende fasen. De plaatselijke kerkeraad bemoeit zich ermee.

Invloed naar de toekomst

Er is sprake van een toelatingsgesprek tot de studie waarin ook de inwendige roeping tot het ambt aan de orde komt. Er zijn de examens voor de classis. Het een kan niet zonder het ander.

De gesignaleerde vanzelfsprekendheden kunnen ook later nog hun invloed laten gelden. Tot ver nadat de dienaar des Woords bevestigd is. Gedurende de vele zondagen daarna in de consistories van de plaatselijke kerken. In beide gevallen kan het vanzelfsprekend worden dat de ouderlingen —aan wie het toezicht op de leer is opgedragen— hun waakzaamheid verliezen.

Aan de inwendige roeping kan zo'n groot gewicht gehecht worden, dat elke vorm van het oneens zijn met de preek bij voorbaat en in de kiem gesmoord wordt als „vijandschap". Anderzijds kan ook eenzijdige nadruk op de uitwendige roeping, in de zin van het voor-predikant- geleerd-hebben, de veelal eenvoudige ambtsdragers de moed benemen om er iets tegen in te brengen.

Niet indringen

Er is ootmoed en nederigheid voor nodig om ons ernst te doen maken met de belijdenis dat ieder zich ervoor moet wachten „zich door onbehoorlijke middelen in te dringen". Maar dan is er ook plaats voor het toezicht houden op elkaar.

Wij mogen het op hoge prijs stellen dat scriba's van vacante gemeenten zich beijveren om op zondag een predikant voor te laten gaan. Onze snelle vervoersmogelijkheden bieden daarvoor des te groter kansen. Maar waar is de tijd dat de kandidaat tot de heilige dienst of de predikant de zondag over logeren moest bij een in het leven der genade geoefende ouderling?

Ik wil die tijd niet verheerlijken. Maar ik denk dat er toen meer gelegenheid was om dingen te zeggen, rustig, weloverwogen, kritisch en opbouwend, onderwijzend onder vier ogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.