+ Meer informatie

De preek in de kerkeraad

14 minuten leestijd

Geen zaak zal in de kring van de kerkelijke gemeente zo vaak onderwerp van gesprek zijn als de preek. De oren van de dominee moeten menigmaal tuiten. We kennen allemaal wel uit ervaring de diversiteit van de reacties op de Woordbediening. Dat kan gaan van dankbare opmerkingen tot scherpe kritiek. Niet zelden blijft het commentaar steken in allerlei bijkomstigheden. Maar ook kan, al of niet in kritische zin, de kern van de verkondiging in een gesprek na de preek aan orde komen.

Dat er over de preek gepraat wordt, hoeft ons niet te verbazen of te verontrusten. Preken is nu eenmaal aan de weg timmeren, al gebeurt het soms door mensen die van nature helemaal niet zo geneigd zijn de openbaarheid te zoeken. Wie aan de weg timmert, krijgt veel „berechts”, zei men vroeger; dat is: veel kritisch commentaar van de toevallige voorbijgangers. De preek ontvangt, of we het nu willen of niet, commentaar. En dat betreft alle mogelijke aspecten, en het gebeurt op alle denkbare niveaus.

Predikant noch kerkeraad mag de oren toestoppen voor de reacties uit de gemeente op de prediking, uit welke geest ze ook mogen voortkomen. Want de manier waarop de Woordverkondiging als gespreksstof fungeert, zegt veel over het peil van het geestelijk leven van de gemeente. Onder andere via de verslagen van de huisbezoeken moet dit een punt van aandacht en zorg voor de kerkeraad zijn.

Deze bijdrage handelt eveneens over het bespreken van de prediking, maar toch in een ander verband, naar een kerkordelijke regel en met een welomschreven doel. Het gaat nu om de preekbespreking als apart punt op de agenda van de kerkeraad.

Een ambtelijke opdracht

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen wordt als ambtelijke taak van de ouderlingen onder andere genoemd het toezicht op de dienaren des Woords, „voor wier leer en dienst zij mede verantwoordelijkheid dragen”. Ook de Kerkorde brengt dit punt ter sprake, min of meer impliciet. Artikel 23 zegt, dat het tot de ambtelijke opdracht van de ouderlingen behoort, „toe te zien, dat de dienaren (dat zijn in dit verband de predikanten) (…) hun ambt getrouw waarnemen”. En blijkens artikel 81 worden de diakenen van deze verantwoordelijkheid niet uitgesloten: „De dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen zullen onder elkander censura morum houden en elkander met betrekking tot hun ambtsbediening in liefde vermanen.” Het behoeft geen betoog, dat de Woordbediening hier ook onder valt.

Nu kan men wat artikel 81 tegenwerpen, dat het daar niet begonnen is om een regelmatige agendering van de preekbespreking op de kerkeraadsvergadering. De bepaling ziet veeleer op de (onverhoopte) situatie dat er bedenkingen kunnen rijzen tegen de wijze waarop een ambtsdrager zijn taak vervult. Dat moge waar zijn, maar het betekent niet dat de kerkeraad niet in zijn geheel, de diakenen inbegrepen, de Woordverkondiging als zijn gemeenschappelijke verantwoordelijkheid dient te beschouwen. De ouderlingen moeten hier evenwel in het bijzonder worden genoemd, zoals uit de Kerkorde (artikel 23) en het bevestigingsformulier blijkt.

Ambt aller gelovigen Niettemin hebben we het toezicht op de prediking te rekenen tot het ambt aller gelovigen. Daaronder valt immers ook het profetische ambt. Dat bezorgt de christen die zich onder de verkondiging van het Evangelie stelt altijd een „dubbelrol”. Enerzijds behoort hij zich geheel te onderwerpen aan de prediking in zoverre die bediening van de sleutels van het hemelrijk is. Daar komt geen toehoorder ooit bovenuit, ook de ambtsdrager niet, ook de predikant zelf niet, die in zekere zin de eerste hoorder van zijn eigen verkondiging is. Anderzijds hebben gelovigen de plicht, datgene wat ze horen te toetsen aan de enige norm, het Woord zelf.

Natuurlijk liggen hier verzoekingen op de loer. Als de ware christelijke nederigheid ontbreekt, kunnen we wel inpakken. Laten we erkennen, dat er dikwijls inderdaad hard en ongeestelijk over de preek en de predikant wordt geoordeeld. Het komt er, willen we in dezen op het goede spoor komen, of blijven, helemaal op aan, dat we in onze waardering zowel als in onze eventuele kritiek niet de mensen, inclusief onszelf, willen behagen. Preekbespreking, spontaan en georganiseerd, dient in zelfverloochening te geschieden. Ook in dankbaarheid en verwondering over het feit dat de heilige God in de prediking zo diep tot ons afdaalt.

Voorbereiding

Daarmee zijn we wat de preekbespreking als punt van de agenda van de kerkeraad betreft bij de voorbereiding die van de kerkeraadsleden gevergd wordt. Van de predikant mag worden verwacht, dat hij bereid en in staat is, met begrip en ootmoed naar de opmerkingen van de broeders te luisteren. Alle eerzucht en lichtgeraaktheid moeten aan de kant. Veel, zo niet alles, hangt hier af van het onderling vertrouwen in de kring van de kerkeraad. In een sfeer van broederlijke liefde en vertrouwen kan men eigenlijk pas echt goed waardering en kritiek aan elkaar kwijt.

Ook de ouderlingen en diakenen behoren zich terdege te prepareren op de preekbespreking. Het bevestigingsformulier markeert de ruimte en het fundament voor de (mede-)verantwoordelijkheid, met name van de ouderlingen, inzake de gepredikte leer. Het zegt: „Daarom dienen zij Gods Woord te onderzoeken en zich gedurig te oefenen in de overdenking van de verborgenheden des geloofs.” Alleen in dat kader komt de preekbespreking tot zijn recht. Wie de rijkdom van de Schrift enigszins heeft leren kennen, is in staat gefundeerd commentaar op de prediking te leveren. Het toezicht waartoe de ouderlingen gehouden zijn, vereist een gedegen kennis van de Schrift en de confessie. Wie de norm kent, kan op evenwichtige wijze b.v. eventuele eenzijdige accenten in de verkondiging aanwijzen.

Voorbereiding moet er bij de leden van de kerkeraad ook in andere opzichten zijn. Ze dienen de gemeente goed te kennen om te weten wat er in de gemeente leeft, wat de geestelijke uitwerking van de prediking is, welke reacties er uit de gemeente loskomen. Dat komt weliswaar ook in de verslagen van de huisbezoeken aan de orde, maar meer incidenteel. De bespreking van de prediking maakt het mogelijk, er meer systematisch en alzijdig bij stil te staan. Verder moet iedere ambtsdrager zich er persoonlijk van vergewissen dat het er niet om begonnen is nu eens flink uit te pakken. Men realisere zich dat het om tere dingen gaat. Het kan al gauw lijken of de persoon van de predikant in het geding is. Alle commentaar zij daarom in de goede zin des woords zakelijk: op de zaak (van de Evangeliebediening), niet op de persoon (van de dominee) gericht. Men zij er zich van bewust dat het, zeker als de predikant nog maar pas begonnen is, de bedoeling moet zijn de voorganger met raad en daad te steunen en te bemoedigen. Alle schijn van betuttelende of pietluttige kritiek dient vermeden te worden.

De organisatorische voorbereiding is een taak van het moderamen, dat een voorstel tot agendering indient. Mocht dat op zich laten wachten, dan kan ieder kerkeraadslid om agendering verzoeken.

Een goede frequentie lijkt me één preekbespreking per jaar. Als er een vaste gewoonte bestaat, ontneemt men aan de bespreking ook de idee die bij een incidentele agendering makkelijk kan postvatten, namelijk dat er iets mis zou zijn. Voorts is het van belang er een flink stuk van een kerkeraadsvergadering voor te reserveren. Het gaat tenslotte om een zaak van het hoogste gewicht.

Om de bespreking enigszins te structureren, komt het me gewenst voor dat een der broeders een korte inleiding opstelt. Dat kan de predikant zelf zijn, een andere keer een ervaren ouderling. Er kunnen dan bijvoorbeeld wat algemene lijnen worden uitgezet: waar gaat het in de prediking om, hoe dient de verhouding van tekstuitleg (exegese) en praktische toepassing te zijn, is er een vaste regel voor de opbouw van de preek, op welke manier moet de actuele werkelijkheid van door-de-week in de Woordbediening aan de orde komen (of moet dat juist niet) enzovoort.

De bespreking zal zich als regel toespitsen op de prediking van de eigen voorganger. In gemeenten die langdurig vacant zijn, kan men onder leiding van de consulent ook de preken van gastpredikanten aan de orde stellen, maar dit dient dan toch met terughouding te geschieden, aangezien die predikanten er zelf in de regel niet bij aanwezig zullen zijn. Kerkeraden die (mede-)verantwoordelijkheid dragen voor „de leer en de dienst” van predikanten naar artikel 6, zullen zich moeten realiseren dat een bespreking van de prediking van laatstgenoemden te nuttiger is naarmate ze op eenzamer posten opereren.

De inhoud van de preekbespreking

In beginsel kan elk aspect van de prediking ter sprake worden gebracht. Een eerste, voordehandliggende indeling is die naar vorm en inhoud.

Wat de vormgeving betreft kunnen we weer allerlei elementen onderscheiden. Ik hoef nu niet volledig te zijn - stel al dat dat zou kunnen - en ik geef daarom maar een stuk of wat voorbeelden. Overigens gaat het niet om onbelangrijke dingen. Want de vorm is eigenlijk zoiets als het „vehikel” waarmee de boodschap van de prediking naar de mensen wordt gebracht. Verwaarlozing van de vorm kan dan ook - in de middellijke weg, maar dan in negatieve zin! - het „overkomen” van het Evangelie verhinderen of althans bemoeilijken. Er mag en moet dus aandacht zijn voor zaken als: een duidelijke uitspraak, een natuurlijke spreektoon, een verzorgde stijl. De kerkeraad kan de vraag stellen: is het taalgebruik in de prediking eigentijds genoeg om de aansluiting bij de „leefwereld” van de gemeenteleden niet te missen? Komen de jongeren in de kerk wat dit aangaat aan hun trekken? Het gevaar is immers niet denkbeeldig, dat de taal van de preek de jeugd, maar ook anderen, die in het volle leven staan, de indruk bezorgt dat er een waterdichte scheiding is tussen de zondag en alles wat met het geloof te maken heeft aan de ene kant, en het gewone leven aan de andere kant. De taal van deze tijd: daarmee bedoel ik geen doorslaan naar een gewild populaire trant. Er is een gezond midden met betrekking tot woordkeus en stijl mogelijk, waarbij de schriftuurlijk-confessionele terminologie en het hedendaagse taalgebruik elkaar ontmoeten. Beelden en voorstellingen dienen aan het leven van alledag ontleend te zijn om herkenbaar te zijn. Dit alles vraagt voorbereiding in de studeerkamer van de predikant, maar ook in zijn pastorale werk. Een dominee kan in sommige opzichten in een maatschappelijk isolement verkeren. Gesprekken met de mensen kunnen helpen dat enigermate te doorbreken en motieven maar ook taalmateriaal voor de preek leveren.

Over de bespreking van de inhoud van de prediking zou heel wat te zeggen zijn. Ook op dit punt moeten we ons beperken tot een stuk of wat centrale zaken. We zouden ons uitgangspunt kunnen kiezen in de vraag die bij de jaarlijkse kerkvisitatie aan de kerkeraad wordt gesteld terwijl de predikant afwezig is. Deze vraag: „Gaat de predikant bij de uitoefening van de predikdienst en bij de bediening der sacramenten getrouw te werk volgens Gods Woord, de formulieren van enigheid en de kerkorde?” De Schrift en de belijdenis der kerk worden hier aangewezen als de eigenlijke maatstaven voor de beoordeling van de prediking. De kern van de vraag is: komen alle elementen van het Woord van God tot hun recht? De belijdenisgeschriften helpen ons de voornaamste facetten van „de volle raad Gods” te overzien (Handelingen 20, 27). Het toezicht van de kerkeraad op de verkondiging is, dunkt me, vooral ook: erop letten dat er geen wezenlijke dingen ongenoemd blijven. Daartoe is - het is vaker opgemerkt - een trouwe uitleg van de Heidelberger van groot nut.

Dezelfde vraag in ietwat andere inkleding is: kenmerkt de prediking zich door on-een-zijdigheid? Prof. Velema heeft daar op kernachtige wijze iets over gezegd in een der „handreikingen aan de ouderling”, Verricht uw dienst ten volle (p. 16-17). Hij signaleert het gevaar van bepaalde eenzijdigheden: nadruk op zonde en verdorvenheid zonder de prediking van de kracht van de Geest die vernieuwt. Omgekeerd: „halleluja-prediking” zonder besef van de diepte van ellende waaruit we worden verlost. Activistische verkondiging die voorbijziet aan ons schuldige onvermogen. Daartegenover een „passivistische” leer die blind is voor Gods beloften en voor de menselijke verantwoordelijkheid in het kader van het verbond der genade. Prediking van de rechtvaardiging met verwaarlozing van de heiliging, of andersom.

Gekoppeld aan de benadering van de vorige alinea is de vraag inzake de gevarieerdheid in de tekstkeuze van de predikant. Niet dat niet elke voorganger een zekere voorliefde mag koesteren voor bepaalde bijbelboeken of schriftuurlijke thema’s. Maar juist als hij die bij zichzelf onderkent, zal hij ervoor dienen te waken dat er variatie in het menu blijft bestaan. De kerkeraad kan daar zonder veel moeite een positieve stimulans in geven (vgl. Prof. Van ’t Spijker in Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente, p. 90).

Het is waar, een gevarieerde tekstkeuze kan soms niet verhinderen dat de prediking als het ware iedere zondag dezelfde thematiek aan de orde stelt. Vooral als er de neiging is bijvoorbeeld een systeem inzake de weg des heils aan de verkondiging ten grondslag te leggen, kan aan bijna iedere bijbeltekst wel een of andere plaats in dat systeem toegewezen worden. De vraag is dan, of de uitleg van de Schrift niet ondergeschikt wordt gemaakt aan het van tevoren aanwezige denkpatroon. Het is een gevaar (ik mag het als tekstuitlegger van professie wel zeggen) dat iedere exegeet „van nature” bedreigt: in de tekst in te lezen wat hij zo graag wil dat er staat. Ik geloof niet dat ik de predikant te laag, de andere ambtsdragers te hoog neerzet, als ik stel dat een in de Schrift door-kneed kerkeraadslid de dominee helpen kan zich voor inlegkunde te hoeden.

Als vanzelf dringt zich dan de volgende vraag op: zit de predikant vaak en lang genoeg op zijn studeerkamer? Zorgt hij ervoor de vakliteratuur bij te houden? Het is een vraag met een boemerangeffect: geeft de kerkeraad de dominee voldoende tijd en gelegenheid om te studeren? Hier ligt een belangrijke taak voor de kerkeraad: de voorganger te beschermen bijvoorbeeld tegen een mogelijke dreiging tot onevenredige aandacht voor het pastorale werk of tegen een gemeente die te makkelijk een beroep op hem doet.

Wat de kerkeraad in het bijzonder ter harte behoort te gaan is het praktische karakter van de prediking. En dan onderscheid ik (zonder te scheiden) twee aspecten: 1. is de verkondiging gericht op de praktijk van het geestelijk leven? 2. komt de levenspraktijk van alledag, het zogenaamde „gewone” leven, onder het beslag van Christus’ heerschappij?

Het eerste punt is de vraag naar het bevindelijk gehalte van de preek. Ouderen en jongeren hebben gelijkelijk behoefte aan heldere voorlichting waar het gaat om zaken als schuldbesef, het verkrijgen van zekerheid des heils, de aanvechtingen waar een christen aan blootstaat, de worsteling om bepaalde zonden de baas te worden. Nee, ik bepleit niet het preken van een systeem van de bevinding, maar een verkondiging waarin het werk van de Heilige Geest tot zijn recht komt.

En wat het tweede punt betreft: de kerkeraad mag verlangen, dat de zondagse preek ingaat op de moeiten en zorgen van de mensen van deze tijd. Een predikant hoeft niet als buiten adem achter de actualiteit aan te hollen. Maar hij mag zijn preek ook niet als een tijdloos woord boven de gemeente laten zweven. Hij dient te laten merken, dat hij als een goede herder de noden van de kudde kent. Dat hij niet boven, maar naast de mensen staat, in al hun vragen en problemen. Middenin die moeitevolle werkelijkheid moge het verlossende Woord klinken.

Tenslotte. Van geen enkele herder kan worden geëist dat hij een schaap met vijf poten is. Daarom zou ik als laatste soort vragen bij de bespreking van de preek inde kerkeraad mij deze kunnen voorstellen: kan de dominee op de preekstoel zichzelf zijn? Wordt hem door kerkeraad en gemeente een eigen stijl, een eigen toon gegund? Maakt de gemeente, maakt de kerkeraad het hem niet te moeilijk, ontspannen bezig te zijn in de schatkamer van de Schrift? Krijgt hij de ruimte om zelf te groeien in zijn ambtsbediening? Wordt hij niet op onbillijke wijze met andere predikanten vergeleken? Staat de kerkeraad achter hem - of liever: vóór hem - als er pijlen van benedenmaatse, ongeestelijke kritiek op hem worden afgevuurd?

Wanneer ook dergelijke vragen aan de orde komen, kan het des te duidelijker worden dat de bespreking van de preek in de kerkeraad geschiedt in een geest van liefde tot Christus en Zijn gemeente.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.