+ Meer informatie

TER OVERWEGING

22 minuten leestijd

Drs. R. van der Ven, Van kwaal tot erger? Alternatieve geneeswijzen besproken door een ex-natuurarts. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1997. 479 blz. f 59,50.

De ex-natuurarts van der Ven heeft een behoorlijke studie gemaakt over natuurgeneeswijzen. Zijn kennis over alternatieve geneeswijzen is zowel door studie als door de praktijk ontstaan. Het doel van dit boek is de lezer op een degelijke wijze te informeren over de achtergronden en methoden van alternatieve geneeswijzen. En dat hij dat op een degelijke wijze doet, staat buiten kijf. Hij beschrijft 5 grote stromingen binnen alternatieve geneeswijzen en sluit af met een hoofdstuk over occultisme. Omdat velen binnen onze kerken weinig kritisch zijn over deze fenomenen leek het me goed om dieper in te gaan op de hoofdstromingen en de bevindingen van de schrijver.

1. Homeopathie

Als er een richting is binnen de alternatieve geneeswijzen die ook binnen onze kerken op weinig weerstand stuit is het wel de homeopathie. Vooral het werk en de adviezen van dr. Vogel worden hoog gewaardeerd en velen schrijven het opheffen van kwalen toe aan zijn middelen. De oorsprong van het denken van homeopaten ligt in begrippen als zelfverlossing; in de natuur is het ongerepte goddelijke te vinden en het goddelijke in de natuur en dus helpt het homeopatische middel de verstoorde harmonie in de mens te herstellen door de mens in contact te doen komen met het goddelijke in zichzelf. De middelen (planten, maar ook dierlijk materiaal, delfstoffen, chemische verbindingen) zijn de homeopatische geneesmiddelen die in gepotentieerde en verdunde vorm hun geneeskracht bezitten. De auteur gaat hier uitgebreid op in, om aan het eind van dit hoofdstuk tot de conclusie te komen dat homeopathie een geestelijke geneeswijze is, waarbij sprake is van occultisme. Hij zegt: “Is het geen leugen te benadrukken een goede relatie met de Here te willen voorstaan, terwijl we intussen stilletjes een eventuele genezing door de duivel niet radicaal afwijzen?”

2. Acupunctuur

Dit is een onderdeel van de oosterse geneeskunde, waarbij door het behandelen van bepaalde punten op de huid of de slijmvliezen het energetisch evenwicht van de mens beïnvloed zou worden. Haar oorsprong vindt ze in het taoïsme. Het taoïsme beweert de weg te zijn naar god. De weg van waarheid, verlichting, harmonie, geluk en leven. Wij kennen slechts één weg naar God, een middelaar, de Here Jezus Christus. Elke andere weg is een leugenweg, elke andere leer (zoals het taoïsme) een leugenleer.

3. Iriscopie

Iriscopie is een niet-universitaire methode van diagnostiek, die beweert pathologische en functionele stoornissen in het menselijk lichaam te kunnen herkennen door middel van abnormale vlekken, lijnen en verkleuringen in de iris van het oog. De auteur beschrijft deze methode en zijn bevindingen. Uiteindelijk komt hij tot de conclusie, en hij sluit aan bij de bevindingen van prof. dr. W.J. Ouwenee!: Iriscopie is een vorm van waarzeggerij door interpretatie van tekens in de iris. Iriscopie kan gezien worden als een vorm van tekenwichelarij.

4. Paranormale geneeskunst

In dit hoofdstuk wordt de paranormale geneeskunst beschreven. Hij gaat uitvoerig in op de verschillende uitingsvormen. Daarnaast waarschuwt hij voor de diverse uitingen van christelijke bijeenkomsten en bewegingen (zoals bijv. de Toronto-zegen) die zich uiteindelijk laten zien als bewegingen die bezeten zijn door het kwaad.

5. Manuele geneeswijzen(Osteopathie, Chiropractie en Scedelosteopathie)

Deze geneeswijzen (in de volksmond weieens aangeduid met bottenkraken) gaan er van uit dat de mens kan genezen door manipulaties van spieren, botten, wervels en via bepaalde gebieden van de schedel. De schrijver waarschuwt er voor dat ook deze therapieën occult besmet kunnen zijn, alhoewel dat per definitie niet zo hoeft te zijn. Een bezoek brengen aan een therapeut vraagt om behoedzaamheid en een goed oplettend vermogen of er sprake is occultisme.

6. De gevaren van occulte besmetting

Nogmaals wijst hij op de grote gevaren die er zijn m.b.t. alternatieve geneeswijzen en hoe ze de relatie met God kunnen ondermijnen. In het bijzonder gaat hij in op het tot stand komen van een occulte besmetting en hoe sluipend dergelijke processen gaan. Hij geeft aanwijzingen hoe men van een dergelijke besmetting kan afkomen en hoe de weg naar God terug gevonden kan worden.

Voor hen die de nodige vraagtekens hebben t.a.v. de niet-reguliere geneeskunst en een goed beeld wil hebben van wat er allemaal te koop is en hoe je daar als christen vanuit de grondslagen van de Bijbel mee om dient te gaan, is dit een goed boek met uitgebreide documentatie en literatuurlijst.

Drs. R.H. Kieskamp, Kernteksten over het geloof. Handreiking voor persoonlijke meditatie en gemeenschappelijke bijbelstudie. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1997. 71 blz. f 14,90.

Het geloof in God is vandaag de dag niet alleen minder, maar hoe er geloofd wordt is ook wezenlijk anders dan bijvoorbeeld in de tijd van de Reformatie. Toen zegevierde vooral het verstand, thans is de belangstelling vooral gericht op gevoel en ervaring. De schrijver benadrukt dat alles zijn plaats mag hebben, maar dat het toch vooral gaat om bekering, het zoeken van God en de genade van Christus. In een zevental hoofdstukjes geeft hij aan wat geloven in God daadwerkelijk inhoudt en hoe je Hem kunt vinden en dat het vinden een wederkerig proces is, waarbij God de regie in handen heeft. Het is de bedoeling dat door persoonlijke meditatie en bijbelstudie het geloof verdiept wordt. Een goed boek.

Dr. Chr. Fahner, Zending en bijbelvertaalwerk. In het spoor van de reformatie. Uitgave van Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn 1997. 56 blz. f ?

In deze publicatie wordt een lijn gelegd tussen de grote beweging van herstel in de westerse kerk, de reformatie, en het zendingswerk, zoals dat in verschillende landen door en na de reformatie begonnen werd. In de tweede plaats een verheldering dat de verkondiging van het evangelie vrijwel direct samengaat met Bijbelvertaalwerk. De periode waar het in dit boek om gaat is de 16e en 17e eeuw. Hij beschrijft het gedachtengoed van een aantal reformatorische schrijvers t.a.v. het zendingswerk om vervolgens te zien wat er aan activiteiten is ondernomen. Tevens komt de beoordeling van de protestantse zending aan de orde en het bijbel- en missionaire vertaalwerk. De schrijver heeft zich de nodige beperkingen opgelegd en dat is jammer. Zeker diegenen die erg geïnteresseerd zijn in zending en het bijbelvertaalwerk gedurende de reformatie (1500-1700) vinden hierin te weinig stof.

Betty Heynis, Omega. Wonderen in deze tijd. Uitgave van de Evangelische omroep naar het gelijknamige programma. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1997. 128 blz. f 22,50.

Wie ooit eens het programma heeft gezien van Omega van de EO weet dat daarin dingen besproken worden die boven ons verstand gaan. Wonderen, engelen, dromen, diverse van deze fenomenen komen aan de orde, waarbij door mensen wordt aangegeven hoe God in hun leven heeft ingegrepen op mysterieuze wijze en hoe hun geloof daardoor is versterkt. In dit boek wordt een aantal van die getuigenissen beschreven en van commentaar voorzien. Opmerkelijk is dat de beschreven wonderen, gebeurtenissen, veelal voorkomen in gemeenten (pinkstergemeenten e.d.) waar openlijk getuigen van de liefde van Christus in de gemeente heel gewoon is. Binnen onze reformatorische kringen is alles veel ingetogener. In dit boekje wordt echter ook ingegaan op voor-beelden waarbij alleen het Woord van God tot de mens spreekt en waarbij een bepaalde tekst een ommekeer geeft in een levenswijze en een zwak geloof wordt veranderd in een enthousiast en groot geloof. Zowel het zien van het programma als het lezen van dit boek geeft nogmaals een bevestiging dat de Here ons niet vergeet en dat voor Hem niets te wonderlijk is om ons daadwerkelijk te ontmoeten.

Drs. C.B. Elsinga, Aan het Woord over actuele gebeurtenissen. Uitg. J.J. Groen en Zoon, Leiden 1996. 72 blz. f 19,95.

Veel mensen hebben behoefte om actuele gebeurtenissen in het licht van de Bijbel te bespreken. Op grond van die behoefte is dit boekje geschreven. Er komen veel zaken aan de orde zoals: leiding van God, engelen, vreemdelingschap, gebed en genezing, gokverslaving. Aan het einde van elk hoofdstukje zijn gespreksvragen geformuleerd. De onderwerpen zijn goed gekozen en de gestelde vragen zijn goed herkenbaar. De inhoud moet echter wel gezien worden als een eerste aanzet om over een onderwerp te discussiëren. Het aangedragen materiaal is soms te weinig om fundamenteel een relatie te leggen met Schrift en belijdenis. Maar voor een gespreksavond met jongeren of op een vereniging is het een prima leidraad.

Inez van der Zee, Ik kom van ver. Een persoonlijk verhaal over incestverwerking en therapie.Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1997. 120 blz. f 19,75.

Incest is tegenwoordig een actueel onderwerp, althans zo schijnt het te zijn. Maar laten we ons niet vergissen. Reeds in de Bijbel wordt hierover gesproken en door alle eeuwen heen zijn er vaders geweest die niet van hun dochters konden afblijven. Ook binnen de kerken - de Christelijke Gereformeerde Kerk zal daarop geen uitzondering zijn -gebeuren dergelijke dingen. Het trieste is dat het vaak binnen een gezin gebeurt, waarvan iedereen achteraf zegt dat het zo’n fijn christelijk gezin leek te zijn. De schrijfster komt uit zo’n gezin. Kerkelijk meelevend, christelijk opgevoed, maar wel jaren misbruikt door haar vader en onbegrepen door haar moeder. Ze heeft jarenlang via goedwillende hulpverleners uiteindelijk een therapeute gevonden die haar via langdurige gesprekken bevrijd heeft van angst voor mannen (en God) en die haar ook geleerd heeft zichzelf te accepteren als mens. Dat proces heeft ze middels brieven aan de therapeute beschreven. In haar beschrijving gaat ze de rol van de vader en haar strijd met het geloof niet uit de weg. Het boekje kan ik aanbevelen. Niet alleen omdat het onderwerp incest goed besproken wordt en omdat je leest hoe een verwoest leven weer tot bloei komt, maar ook omdat de strijd met het geloof (de Vader in de hemel) zo goed aangeeft welk een proces doorlopen moet worden.

H. Folkers e.a. (red.), Ik geloof, deel 1A (werkboek voor catechisanten), vijfde, gewijzigde druk. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1997. 88 blz. f 12,90.

De catechisatieserie ‘Ik geloof’ verschijnt binnen de kring van de Geref. Kerken (vrijg.) en is geheel opnieuw opgezet. Niet alleen een heel frisse uitstraling, zowel op de kaft als binnenin, maar ook qua schrijfstijl: veel puntiger, meer toegesneden op de jeugd anno 1997. Dat is zeker winst. In dit deel worden de eerste 7 zondagen van de HC behandeld, via bijbelstudie, kernwoorden van de catechismus, alles verhelderd door tekeningen en schematische blokken. Het is inderdaad een werkboek, dat in zijn vormgeving uitnodigt om er in te werken - en dat is m.h.o.o. de doelgroep mooi meegenomen! Op de eerste bladzijden wordt al meteen afgerekend met een gedachte die men (ook onder ons naar de ‘vrijgemaakten’ toe) nog wel eens hoort: ‘Daarom moet je nooit denken: ik hoor er bij en dus is het met mij in orde’ (blz. 12). Een antwoord op Gods keus voor ons is noodzakelijk; dat is uit onszelf niet mogelijk. God wil echter de middelen die Hij geeft daartoe zegenen (blz. 11 en 12).

M.R. van den Berg, Woorden ten leven. Uitg. Buijten en Schipperheijn, Amsterdam 1997. 202 blz. f 25,90.

Een deel uit de serie ‘Zicht op de bijbel’. De Ned. Geref. emeritus-predikant Van den Berg belicht de tien Woorden van Gods verbond - en hij laat in zijn boek ook telkens merken dat de geboden in dat kader aan Gods gemeente gegeven zijn en zó heilzaam zijn voor kerk en samenleving. Liefde voor God en liefde voor de naaste zijn een onverbreekbare eenheid. Stap voor stap gaan we de geboden langs, meestal via meerdere hoofstukken per gebod. De uitleg is eigentijds, principieel waardevol en altijd toegelicht via een (of meerdere) bijbelgedeelten. Soms zet men een vraagteken, zoals bijv. bij de uitleg van het vierde gebod, waar het = teken tussen sabbath en zondag wordt weggehaald, maar waar node de aanzetten uit de Schrift worden gemist die naar de zondag als NT-ische rustdag wijzen. Het voorbeeld van een huwelijksformulier (blz. 136 e.v.) staat er wat vreemd tussen. Overigens een boek dat bijv. voor gesprekskringen goede diensten kan bewijzen.

M.R. van den Berg, De Leeuw heeft gebruld (een uitleg van de profetieën van Amos). Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1997. 124 blz. f 19,90.

De profetiën van Arnos behoren niet tot de gemakkelijkste om over te preken of een bijbelstudie over te houden. Het boekje van ds. Van den Berg kan vanaf heden goede diensten daartoe bieden. Pericoopsgewijs gaat hij het hele boek Amos door. Daarbij komt de oude tekst dicht bij de lezers van vandaag; vele voorbeelden en toepassingen voor het heden maken het lezen tot een levendige aangelegenheid. Dat daarbij een enkele keer (bijv. op blz. 29, als het gaat over Amerika en Vietnam, over het Vaticaan en het samen-op-weg-proces) vraagtekens rijzen, is te overkomen. Actuele toespitsingen, zowel voor het persoonlijk als voor het kerkelijk leven, met Gods voetstappen hoorbaar in het kader van het komende gericht, maken de venwerking van het gebodene tot een ernstige aangelegenheid. Twee beelden t.a.v. de verkiezing wil ik niet onvermeld laten: op blz. 43 dat verkiezing van de gemeente geen all-risk verzekering is - zodat men in ongerechtigheid kan voortleven -, en op blz. 121 in hetzelfde kader: de verkiezing is ‘geen chip-knip, waarmee je ongeacht je levenswandel de toegangsdeuren van het koninkrijk kunt openen’.

Johan Weij, Verliezen en toch winnen? (rouwverwerking binnen het gezin). Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1997. 94 blz. f 19,90.

Een tweetal gebeurtenissen maakte dat de schrijver (pastor binnen de Geref. Kerken, afkomstig uit onze kerken) een heel persoonlijke handreiking doet aan allen die met sterven in de gezins- of familiekring in aanraking komen: het plotseling overlijden van zijn vader en het sterven - na een ernstige ziekte - van één van zijn kinderen. Het maakte het ook voor mij tot een persoonlijk boekje, omdat ik bij één van die gebeurtenissen zelf betrokken was. Wie kan beter over rouwverwerking schrijven dan wie de pijn in eigen hart heeft ondervonden? Zo zullen velen die vanuit die pijn dit boekje in handen krijgen herkenning voelen en zo bemoedigd kunnen worden. Naast heel persoonlijke zaken (voorbereiding, rondom het sterven, persoonlijke wensen) komen ook andere zaken rond principiële kwesties (begraven of cremeren, knagende onzekerheid rond het eeuwig behoud, het oordeel) aan de orde. Op het eind van het boekje komen de meeste vragen: daar waar het gaat om dromen of visioenen, wat weten de ontslapenen, zal er herkenning zijn? Soms lijkt mij daar het boekje op de rand van speculatie te komen (kan bijv. Lucas 16 t.a.v. de aangesneden zaak van mogelijke herkenning echt zo uitgelegd worden?). Toch… een heel tere weergave van persoonlijk doorleefd verdriet en (gelukkig!) gesterkt geloof, en daarom een dapper, moedig boekje.

Dr. B.G.J. Reitsma, Geest en schepping (een bijbels-theologische bijdrage aan de systematische doordenking van de verhouding van de Geest van God en de geschapen werkelijkheid). Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1997. 214 blz. f 35,-.

De schrijver, zendingspredikant in dienst van de Geref. Zendingsbond in Beiroet, sluit met dit proefschrift zijn theologische studie af, die hij in Kampen, Apeldoorn en Utrecht heeft beoefend. Op de zevende assemblee van de Wereldraad van Kerken werd - n.a.v. het thema - nagedacht over de verhouding tussen de Heilige Geest en de hele schepping. Dat was voor de auteur, en anderen met hem, een teleurstellende ervaring: een teleurstelling die echter positief werd omgebogen en stimulans werd tot een zelfstandige doordenking van de verhouding Geest en schepping. Zo ontstond het proefschrift dat nu verschenen is. Na weergave van de positieve benaderingen van deze verhouding, waarvoor m.n. Berkhof, Cobb, Lampe, Moltmann en Van de Beek staan en de meer kritische benadering van Barth en Noordmans (hoofdstuk 2) komt een uitgebreide exegetische analyse van Rom. 8 en Col. 1:15v (hoofdstuk 3 en 4).

De oogst wordt in hoofdstuk 5 binnengehaald: als het gaat om de verhouding tussen Geest en schepping is te bedenken dat de schepping van Gen. 1 en 2 besmet is geworden door de zondeval. Iedere theologische benadering van het thema die daar niet mee rekent, gaat scheef. De Geest van God is slechts te kennen als de Geest van Christus (blz. 159). Los van Hem kan over de Geest niets gezegd worden. De Geest brengt op deze wijze de crisis in de wereld, die immers geregeerd wordt door zonde en dood. “Er loopt geen ongebroken lijn van de gebroken schepping naar God. Slechts bij het kruis leren we de wereld als schepping te interpreteren”, blz. 168. Van daaruit worden de lijnen in het boek verder doorgetrokken naar het nieuwe leven en de herschepping op de jongste dag. Enkele toespitsingen naar o.a. natuur en milieu, kunst en avondmaal completeren deze studie, die een belangrijke aanvulling is op wat in dit kader eerder verscheen in de theologische wereld.

W.G. van Dorp, arts, drs. L. Terlouw, Kinderloosheid, in de serie Praktisch en Pastoraal. Uitg. Groen, Heerenveen 1997. 104 blz. f 24,95.

Een arts en een geestelijk verzorger schrijven over kinderloosheid. De somatisch-medische en de psychisch-geestelijke kant van het onderwerp komen breed ter sprake. Er is een hoofdstuk over bijbelse gegevens en enkele hoofdstukken over vruchtbaarheidsonderzoek en behandelingsmogelijkheden. Reageerbuisbevruchting, adoptiemogelijkheden en overdracht van geslachtscellen worden duidelijk en principieel besproken. Daarnaast de taak van pastoraat en gemeente en de verwerking van kinderloosheid.

De toonzetting is als van andere delen in deze mooie serie Praktisch en Pastoraal.

Ter bestudering en ter bespreking (vooral ook door ambtsdragers) aanbevolen.

Dr. James Dobson, Liefde en discipline. Basis voor verantwoord ouderschap. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen, vierde herziene druk 1997. 184 blz. f 29,90.

De schrijver is hoogleraar kinderpsychologie aan de universiteit van Zuid-Californië. De grondstelling van zijn boek: kinderen hebben liefde en tucht nodig. Ouders moeten consequent zijn. In allerlei toonaarden, met veel voorbeelden wordt deze stelling toegelicht. Er zijn hoofdstukken die bestaan uit het beantwoorden van vragen. Ik moet zeggen: met wijsheid. De inhoud van dit boek doet me denken aan een reeds eerder besproken boek van dezelfde auteur: Eigenzinnige kinderen. De strekking van beide boeken is dezelfde. Er zijn in Amerika meer dan twee miljoen exemplaren van dit boek verkocht. Een aanbeveling is overbodig.

Drs. P. van Ruitenberg, Met hart en ziel. Godsdienstige gevoelens gewogen. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1996. 157 blz. f 24,90.

De ondertitel doet veel verwachten van dit boekje. Hij wijst op een hoge inzet. Die wordt in dit boek waargemaakt, in die zin dat de schrijver een duidelijke en scherpe onderscheiding aanbrengt tussen gevoelens van een bekeerd en van een onbekeerd mens. Dat is het weeg-proces dat in dit boek wordt voltrokken. De schrijver toont zich op tal van plaatsen er bezorgd over dat godsdienstige mensen hun gevoelens aanzien voor een teken van echt, wedergeboren geestelijk leven.

Dit onderscheid tussen echt en onecht (als teken van geestelijk leven) bepaalt het hele boek. Hierin zit een waardevol element. Dat stel ik met nadruk voorop.

Of de lezer bij de titel en de ondertitel van het boek ook direct in die richting heeft gedacht, weet ik niet. Zelf verwachtte ik een andere aanpak. Ik had gedacht dat de schrijver eerst (psychologisch) over gevoelens zou schrijven, daarna over godsdienstige gevoelens en tenslotte over het onderscheid tussen gevoelsbeleving en gevoelservaring van een bekeerd en een onbekeerd mens.

De schrijver begint met algemene godsdienstige gevoelens. In dat hoofdstuk wordt verlangen naar liturgische veranderingen toegeschreven aan de behoefte aan magie en mystiek. In hoofdstuk 2 wordt de waarde van godsdienstige gevoelens behandeld. Daar wordt historisch, wonder- en tijdgeloof behandeld. Het historisch geloof kan echt, zaligmakend geloof worden. In hoofdstuk 3 worden onder godsdienstige gevoelens onder andere besproken: de vreze des HEEREN, gemeenschap met God en hoop. Naar mijn gedachte zou hier scherper onderscheiden moeten worden. Genoemde onderwerpen hebben een gevoelsmatige kant. Wat is nu echter het specifiek gevoelsmatige en wat is de in de termen aangeduide zaak? In hoofdstuk 6 worden bij godsdienstige gevoelens en pastoraat behandeld: Emotionaliteit en extraversie, Rigiditeit, Negativisme, Optimisme, “Teksten krijgen”. Een aantal van de psychologische gegevens had ik op een eerder moment in het boek besproken verwacht.

Het boek biedt waardevolle overwegingen. De structuur van de behandeling en daarmee het onderscheid tussen psychisch en pneumatisch had naar mijn gedachte anders gekund, ja zelfs anders gemoeten.

Dr. S. Albas, Een belofte voor de toekomst. Over de ark van het verbond in Openbaring. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen. 143 blz. f 29,90.

De schrijver is gepromoveerd op een studie over de ark in Openbaring 11:19.

Dit boek is een bewerking van het proefschrift. Helaas kan ik niet zeggen dat het een populaire bewerking is. Het boek is meer een excerpt van de oorspronkelijke studie, lijkt me.

Het eerste deel gaat over de structuur van het bijbelboek Openbaring. De structuur vormt het kader voor de uitleg van hoofdstuk II. Vanuit het Oude Testament wordt de betekenis van de ark belicht. Daarbij komen ook latere joodse geschriften ter sprake. Ook andere gedeelten uit Openbaring worden in de bespreking betrokken. De conclusie: De ark is onderpand, waarborg van het verschijnen van het nieuwe Jeruzalem, waarin de troon van God en Zijn Gezalfde centraal zal staan. Zo is de ark tevens waarborg van het verdorven worden van Gods vijanden, met name het beest en Babylon.

Er is veel materiaal in dit boek verwerkt. Het is opeengehoopt, zodat men veel details voorgelegd krijgt. Mij viel op dat de studie van prof. De Vuyst buiten beschouwing blijft. Is dat omdat de schrijver een andere visie heeft op de structuur van Openbaring? Het zou nuttig zijn geweest als de visie van prof. De Vuyst in elk geval verwerkt was in dit boek.

Dat “hetgeen na dezen geschieden zal” uit 1:19 wijst op de hoofdstukken 2 en 3 (waar we de zeven brieven vinden), lijkt mij niet juist. De brieven beschrijven toch niet wat geschieden zal (blz. 33).

Het boek getuigt van studie. Soms vraag ik me af: wil de schrijver niet te veel bewijzen?

Dr. C.J. Labuschagne, Deuterononium III. De prediking van het Oude Testament. Uitg. Callenbach, Baarn 1997. 392 blz. f 109,50.

Met dit derde deel heeft de emeritus-hoogleraar Oude Testament uit Groningen zijn commentaar op Deuterononium voltooid. Het is een magnum opus, waarmee de auteur te feliciteren is. Hij heeft zijn eigen kritische benadering van dit bijbelboek. Dat werkt door in heel de uitleg. Niettemin heeft vooral het slot van het commentaar mij getroffen: Het einde van Mozes en een terugblik op heel het boek.

Wie de vorige delen in bezit heeft zal dit niet willen missen, al ligt de prijs boven de honderd gulden.

Dr. Piet Schelling, Ezra, Nehemia. Serie Verklaring van een bijbelgedeelte. Uitg. Kok, Kampen 1997. 165 blz. f 29,90.

De schrijver behandelt in 18 hoofdstukken de boeken Ezra/Nehemia. Hij doet dat nauwkeurig. Hij wijst op de historische context en leest met de lezer de tekst in hoofdlijnen en onderdelen. We worden opmerkzaam gemaakt op zinvolle herhalingen, op de opbouw van elk hoofdstuk. Land en cultuur staan centraal. De aandacht verschuift in beide boeken (vooral in Nehemia) van de cultuur naar de tora. Ik heb genoten van de uitleg van de Schrift. Ik wil dit boek vooral bij predikanten aanbevelen om er eens een serie preken (maar geen 18!) uit te houden. Voor hen die de twee bijbelboeken willen bestuderen, biedt dit boek goede hulp.

Wim Rietkerk (red.), Platzak bij de wensput. Facetten van de moderne jeugdcultuur. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen, in samenwerking met l’Abri. 96 blz. f 17,90.

De titel is ontleend aan de songwriter Mark Heard. Het boek is geschreven door vijf auteurs. Zij schetsen het beeld van de hedendaagse jeugd. Zo is er een hoofdstuk ‘De uitdaging van de adolescentie’ (M. Keyzer), ‘Pop in de jaren negentig: Postmodernisme in de straat’ (M.H. Hengelman-Rookmaker), ‘Zoopra’ (H.C. de Jong), ‘Het lichaam in de film’ (T. Ramaker).

Een enigszins Amerikaanse benadering van de jeugd via trefzekere onderwerpen. Wim Rietkerk opent de bundel: ‘De’ jeugdcultuur bestaat niet’. Hij sluit af met: ‘Jezus Christus en de jeugdcultuur. De uitdaging voor de gemeente’. In dit slothoofdstuk komen oude thema’s voor de nieuwe generatie aan de orde: Boodschap en Boodschapper; Eenheid van leer en leven vanuit de oude catechismus; Jezus Christus Priester, Profeet en Koning.

Op een aansprekende wijze wordt in de hedendaagse samenleving Jezus Christus getekend. Met als conclusie: voorleven, christelijke tegen-cultuur, actieve passiviteit. Vooral dit laatste hoofdstuk sprak mij aan: persoonlijk, pretentieloos en tegelijk met een warm hart geschreven.

Dr. Jan B.G. Jonkers, De Gereformeerden. In de serie Wegwijs - Kerken en groepen. Uitg. Kok, Kampen 1997. 96 blz. f 19,-.

Dit is een nieuwe serie. Dr. Jonkers schrift over De Gereformeerden. Binnen een bestek van nog geen honderd bladzijden geeft hij interessante en inzichtgevende informatie over gereformeerden vanaf de Reformatie van Calvijn tot vandaag. Alle stromingen binnen de gereformeerden komen aan de orde. Een korte, heldere typering in hun historische samenhang, met verwijzing naar data en namen. Aan het eind een lijst van publicaties als een soort bronnenboek. Het trof me dat voor onze Kerken ‘Ambtelijk Contact’ wel vermeld is, maar ‘De Wekker’ niet.

Een overzichtelijke, beknopte inleiding in de wereld van de gereformeerden. Een aardig boekje, ook voor de jeugd.

J.C. Ryle, De zaligheid van het Evangelie, uit het Engels vertaald door Ds. W. Pieters. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen. 95 blz. f 17,50.

Niet minder dan vierentwintig korte meditaties van de bekende Engelse auteur Ryle.

Kort, krachtig, priesterlijk en profetisch, waardevol voor stille ogenblikken.

Goede moed, Dagkalender 1998. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1997. f 13,95.

Het bekende groene boekje verschijnt ditmaal vroeg. Een woord van waardering aan de redactie, ’t Is de 32e jaargang. Geen geringe prestatie om het vol te houden. Gelukkig blijft er behoefte aan bestaan. De predikanten P.D.J. Buijs, J. Oosterbroek en J.G. Schenau vormen de redactie en verzorgen ieder een maand. Daarnaast nog negen andere predikanten.

Ik heb van enkele maanden een aantal stukjes gelezen. Mijn indruk is dat de auteurs vooral de Schrift willen uitleggen. Dat is lofwaardig. Toch vraag ik me af of er niet wat meer actualisering mogelijk en nodig is. Vooral omdat bijbelgedeelten op de voet gevolgd worden, is de stof soms wat naar binnen gekeerd, dat wil zeggen gekeerd naar de verzen die in behandeling zijn. Ik zou ze wat meer naar de situatie willen keren.

De behandeling van Maleachi op de Kerstdagen en daarna “viel” bij mij niet. In het verleden heb ik dit bezwaar minder gevoeld. Vandaar dat ik het maar eerlijk neerschrijf. Men zou het voor een volgende jaargang eens kunnen “meenemen”. Op zichzelf waardeer ik het dat aaneengesloten schriftgedeelten worden behandeld. Er zitten echter ook nadelen aan. Die heb ik ditmaal meer gevoeld dan voorheen.

Maar: neem en lees.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.