+ Meer informatie

Slotwoord

4 minuten leestijd

We lazen Openbaring 12 :1-6. Dat schriftgedeelte vertelt in beelden, dat Jezus Christus is geboren. De duivel belaagde Hem heel Zijn leven door, tot bij het kruis. Het kind werd eerst naar de hemel weggevoerd. De duivel heeft het niet gewonnen. Jezus is ten hemel gevaren.

Dan richt de duivel zich tegen de kerk op aarde. Over haar wordt in vers 12 het wee uitgeroepen. De duivel weet dat hij het verloren heeft en juist daarom is hij fel en wreed.

En dan komt hef. De vrouw, dat is de kerk, vlucht naar de woestijn. Daar krijgt ze een plaats, haar door God bereid. Waarom daar? Zo is ze onttrokken aan het gezicht van de draak (vs. 14). De draak manifesteert zich in de moderne cultuur: medische techniek en manipulatie, de wetenschap, computers en de kennis ervan, ontspanning, mode, reclame, walkman en disco, de STER en het feest als een „must”, maken er deel van uit. Het is een all-in verzekering, die beslag legt op denken en doen.

De woestijn herinnert aan de periode tussen uittocht en intocht. Wat Israël betreft niet verheffend. Het volk murmureerde en wilde terug naar de vleespotten van Egypte. Van Gods kant de ondertrouw, de sluiting van het verbond bij de Sinai’, de verrassende verzorging van brood (manna), vlees (kwakkels) en water uit de rotssteen. De tijd van de eerste liefde. De Here sprak naar het hart van-Zijn volk (Hosea 2 :13).

Dat is de plaats van de kerk in de tijd tussen hemelvaart en wederkomst: de woestijn. Buiten het gezicht van de draak. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Toch niet zo, dat de kerk in massa, per vliegtuig, naar de woestijn wordt getransporteerd? Neen zo, dat de kerk innerlijk los is van de moderne cultuur. Ze laat zich er niet door beheersen. Ze gaat er niet in op en niet in onder! Ze neemt innerlijk afstand, omdat ze weet dat dit leven niet het laatste is. Betekent het dat ze van de aarde geen gebruik mag maken? Dat stellig wel, mits dedingen slechts als middel dienen en voor haar niet het einde zijn. Opmerkelijk is dat Calvijn in zijn Institutie, Boek III, hoofdstuk 9 het onderwerp behandelt: De overdenking van het toekomende leven, en daarop hoofdstuk 10 laat volgen: Hoe men deze tegenwoordige wereld en zijn hulpmiddelen moet gebruiken. Het is niet de bedoeling uit dit leven weg te vluchten en aan de opdracht voor deze aarde ontrouw te zijn. Het gaat erom dat we innerlijk los zijn en weten van een andere toekomst.

De vrouw wordt in de woestijn gevoed. We mogen daarbij denken aan het Woord, water, brood en wijn. Dat zijn de genademiddelen waardoor God Zijn kerk in stand houdt. Voor de draak zijn het onbetekenende zaken, al moeten we niet denken dat hij ook niet in de kerk probeert te infiltreren. Israël had in de woestijn ook last van de duivel. Wat in de kerk gebeurt, is voor de satan bijzaak, voor ons is het voedsel op onze pelgrimstocht. Het gaat erom dat wij zo verbonden zijn door de Heilige Geesten het geloof aan Jezus Christus, dat wij de noodzaak van het woestijnleven inzien en in de woestijn het voedsel zoeken.

Zo worden wij vanuit een ander gezichtspunt met het thema van deze dag geconfronteerd. De vraag is of de kerk in oprechtheid kerk in de woestijn wil zijn, zonder dat ze haar roeping op aarde verzaakt. Israël moest door de woestijn naar het beloofde land. De kerk van de nieuwe bedeling zal de nieuwe hemel en de nieuwe aarde niet beërven zonder dat ze haar plaats in de woestijn heeft ingenomen. Het is, om zo te zeggen, een plaats van beschutting en bescherming.

Dat wij ook als ambtsdragers met de gemeente die plaats mogen kennen, ons door God bereid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.