+ Meer informatie

ONZE Catechismus

4 minuten leestijd

(xxiv)

Uit Zondag 6: De Middelaar des verbonds

De plaatsbekledende Middelaar moet in dezelfde verzoeking gesteld worden, waar de mens in gesteld was toen hij stond in de staat der rechtheid en wandelde in het Paradijs. Satan moet op Hem los gelaten worden, om Hem van alle kanten aan te grijpen met het doel Hem, indien het mogelijk ware, tot zonde te verleiden. De weg naar de overwinning moet voor Hem lopen door een woestijn van verzoekingen. Gelijk de mens in de ataat der rechtheid de verzoeker bad kua-

nen verslaan • met het zwaard van Gods Woord, moet Hij door dat Woord de verzoeker verslaan.

De plaatsbekledende Middelaar moet als waarachtig en rechtvaardig mens buigen onder de wil van zijn God. Gelijk de mens in de staat der rechtheid Gods wil had te betrachten en het zelf niet uit te maken had wat goed en wat kwaad was, moet het voor de Borg een spijs en drank zijn de wil van Zijn God te betrachten. Altijd moet het Zijn wil zijn de wil Zijns Vaders te doen.

De plaatsbekledende Middelaar moet met tweeërlei doel eten, gelijk de mens dat te doen had, in de staat der rechtheid. Hij moest eten tot onderhouding van het natuurlijke leven en tot versterking van het geestelijk leven, daar de boom des levens diende tot versterking van het geloof. Als waarachtig mens moet Hij behoefte hebben aan spijs en drank tot onderhouding van het natuurlijke leven en als rechtvaardig mens moet Hij de sacramenten gebruiken tot verkwikking van Zijn ziel en tot versterking van Zijn geloof in God.

' Deze Middelaar is onmisbaar voor allen, die God in Zijn gerechtigheid lief hebben, daar het de eis van Gods gerechtigheid is, dat de schuld betaald zal worden in dezelfde natuur waarin zij gemaakt is.

De plaatsbekledende Middelaar moet meer zijn, dan dat de mens was in de staat der rechtheid en dat is: Waarachtig God. En dat moet Hij zijn om drie redenen: In de eerste plaats moet Hij waarachtig God zijn om de last van de toorn Gods in Zijn menselijke natuur te dragen. Die God in Zijn toorn en verbolgenheid heeft leren kennen weet, dat het niet mogelijk is die te dragen en te doordragen. Niet één mens kent de sterkte van Gods toorn en Zijn verbolgenheid naardat Hij te vrezen is. Die er iets van weet, weet dat het niet te doordragen is. Het is niet mogelijk dat een mens, al was het een rechtvaardig mens, door de zee van Gods toorn en verbolgenheid een weg kan banen naar de eeuwige zaligheid.

De plaatsbekledende Middelaar moet waarachtig God zijn, om als waarachtig en rechtvaardig mens de menselijke natuur in het dragen en doordragen van Gods oneindige toorn te ondersteunen. Op een altaar van hout kan het offer niet gelegd worden, want dan zou het altaar eer verteerd zijn door het vuur, dan het offer. Het altaar moest van koper of van goud zijn om het brandende offer te kunnen dragen en zo kan het offer van de Borg alleen gedragen worden op het altaar van Zijn Goddelijke natuur. De zee van Gods toorn en verbolgenheid moet volkomen door Hem geledigd worden, zodat het ook in dit opzicht gezegd kan worden: „En de zee was niet meer".

In de tweede plaats moet de plaatsbekledende Middelaar waarachtig God zijn om de gerechtigheid en het leven te verwerven. Door niet te zondigen, door Gods Wet volmaakt te onderhouden, kon de mens in de staat der rechtheid het recht ten eeuwige leven verdienen. Maar met dat alleen te doen kon het door de Borg niet verworven worden, daar Hij gesteld moest worden onder vloek en toorn. Om de gerechtigheid te verwerven moet Hij de ongerechtigheid overwinnen; door de ongerechtigheid te nagelen aan het vloekhout des kruises, om het leven te verwerven moet Hij de dood overwinnen door af te dalen in de vloek des kruises. Van alle kanten greep de ongerechtigheid Hem aan, om was het mogelijk Hem ter neder te werpen. Strijdende met het geweld der ongerechtigheid moest Hij door een volmaakte onderhouding van het verbond der werken de gerechtigheid verwerven, om het reèht ten eeuwige leven te kunnen schenken aan Zijn volk. Daar de ongerechtigheid geen overwinning op Hem kon behalen, al had Hij een menselijke natuur aangenomen, die kon zondigen, was Zijn offer Gode welbehagelijk. Als Borg moet Hij dus de schuld betalen en het recht ten eeuwige leven verdienen. Die twee zaken zijn wel te onderscheiden, maar nooit te scheiden. Als Hij niet waarachtig God geweest was, dan had Hij dat niet gekund.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.