+ Meer informatie

OPENINGSWOORD op de landelijke voorjaarsconferentie voor ambtsdragers van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland op zaterdag 26 april 1986 in de Ichthuskerk te Amersfoort

6 minuten leestijd

Geachte broeders,

Het is denkbaar dat sommigen van u, onderweg hierheen, zich hebben afgevraagd waarmee wij als ambtsdragers van een in dit kleine lage land 75000 leden tellende kerkgemeenschap eigenlijk aan de gang gaan als we ons gaan bezinnen op de vraag „wat is gereformeerd?” We gaan dat namelijk doen op een moment in de wereldgeschiedenis waarop de mensheid bezig is weer een beetje bij te komen van de politieke temperatuur, die in de voorbije weken internationaal hoog opliep en met de gevolgen waarvan we nog wel eens op verrassende en pijnlijke wijze te maken zouden kunnen krijgen. Op een moment ook waarop nog weer eens is vastgesteld dat 450 miljoen mensen op deze planeet onder directe bedreiging van de hongerdood staan, terwijl gezaghebbende beleidsmakers hebben uitgesproken dat het verkleinen van de kloof tussen arme en rijke landen verder weg lijkt dan ooit, met alle dreiging van geweld die daaraan vastzit.

Is een bezinningsdag rond ons thema eigenlijk wel relevant? Staat het in enige relatie tot wat ons in de wereld van vandaag bezighoudt? Zijn er geen vragen die dringender zijn? Is het bovendien niet uitermate lachwekkend en bedenkelijk dat ambtsdragers van een kerk, in gereformeerde milieus geboren en gebakerd nog een antwoord op deze vraag behoeven? We hebben de Heilige Schrift, plus onze belijdenissen, vermenigvuldigd met alle toelichtende woorden die er in de loop der tijden over op papier zijn gebracht en nog zouden we niet weten wat gereformeerd is? De gereformeerde theologie is ons op het lijf geschreven en aan het bestaansrecht ervan in deze tijd hebben we ook al enkele jaren geleden, met dr. W.H. Velema als inleider, een speciale conferentie gewijd en dan toch vandaag hetzelfde thema in een andere formulering weer op tafel?

Ja broeders en wel om twee redenen. De eerste is dat de gereformeerde theologie, die diep wortelt in de Heilige Schrift en in wat het voorgeslacht daarover in de oude belij denisgeschriften heeft nagezegd, behalve voor de geestelijke ontwikkeling van de individuele mens wel degelijk ook betekenis heeft voor het brede leven in deze wereld. Niet alleen in ons persoonlijk leven maar ook in onze opstelling in alle verbanden van de samenleving zullen we moeten zoeken naar een christelijke praxis, waarin de wezenlijke elementen van de gereformeerde theologie en belijdenis tot gelding komen. De vraag hoe wij als gereformeerden met die theologie en met die belijdenis in de wereld van nu praktizeren is van de hoogste actualiteit. We blijken het met die vraag echter wel moeilijk te hebben. In plaats van eenvoudig voor Gods aangezicht vanuit Gods Woord en de grondgedachten van onze gereformeerde belijdenis in deze wereld te leven, zijn we als kerken onderling in moeite en twist verwikkeld geraakt rond de vraag wiens beschouwingen geacht kunnen worden zich nog binnen de grenzen van de belij denis te bewegen en wiens inzichten daarbuiten staan. Daarbij treft degenen, die zich sterk maken voor de conventionele visie op de gereformeerde belijdenis, het verwijt van confessionele ideologie, terwijl anderen, die gedachten proberen te formuleren rond de vraag hoe die belijdenis in de wereld van nu functioneel kan zijn, beschuldigd worden van filosofieën, waarachter de neiging tot relativering van de belijdenis verborgen gaat. Via hen dreigt het moderne levensgevoel de gereformeerde geloofstraditie te infiltreren, kan men horen en lezen. We hebben elkaar ingedeeld in gereformeerden die op statische wijze met de belijdenis omgaan en in gereformeerden die dat op een meer dynamisch-geëngageerde wijze doen.

Ook de vraag hoe de geboden Gods in een geseculariseerde samenleving tot gelding moeten komen, houdt de geesten verdeeld; een vraag die eigenlijk helemaal samenhangt met de visie op Schrift en belijdenis. En dat alles dan tegen de achtergrond van een uiteen gegroeid zijn op het punt van de prediking, waarvan binnen onze kerken drie soorten te onderscheiden zouden zijn. In dit alles ligt de tweede reden om met het thema van deze dag bezig te zijn.

Het comité landelijke ambtsdragersconferenties meende er goed aan te doen aan dit alles nog weer eens een speciale conferentie te wijden. Duidelijk moet zijn dat het comité zich bepaald niet opwerpt als een soort comité van goede diensten, dat in de binnenkerkelijke verhoudingen een bemiddelende rol wil spelen. Wel mag men misschien zeggen dat onze halfjaarlijkse conferenties nog zo wat het enige platform zijn waarop de verschillende richtingen die onze kerken kennen, elkaar ontmoeten.

Ook kon in de voorbije weken worden gehoord dat deze conferentie door sommigen wordt beschouwd als een soort generale repetitie voor de komende generale synode, zo onder het motto: als deze ambtsdragersconferentie goed verloopt dan houdt dat wellichteen positieve belofte in voor de breedste kerkelijke vergadering die verderop in dit jaar gehouden zal worden. Het lijkt mij goed deze bijeenkomsten los van elkaar te zien, al zou een goed klimaat en een zegenrijk resultaat vandaag voor wat later in het jaar moet gebeuren bemoedigend kunnen zijn.

Broeders, we zetten ons nu tot onze bezinning op de vraag „wat is gereformeerd?” Laat ons dat doen in de geest van het voorgelezen Schriftwoord uit Filippenzen 2.

Wij willen vandaag eerlijk, maar tegelijk behoedzaam, onze eigen en eikaars geestelijke instelling en kerkelijke opstelling toetsen aan Schrift en belijdenis. En dat dan op een wijze die door de naam die wij als kerken dragen, wordt gedekt. Want het zou kunnen zijn dat we voluit gereformeerd zijn en te weinig christelijk; het is denkbaar dat we wel christelijk zijn maar niet of te weinig gereformeerd. Ik spreek de hoop uit dat er vandaag uit mag komen dat die twee onlosmakelijk bij elkaar horen. Tenslotte dit.

Zo goed als in andere verbanden van de samenleving zitten we ook in de kerken met de complicerende omstandigheid dat binnen kleine gemeenschappen iedereen iedereen door en door kent en met tegengestelde meningen voortdurend tegen elkaar oploopt. Dat kan persoonlijke verhoudingen vergiftigen en volstrekte ongevoeligheid voor elkaars broederlijke correctie tot gevolg hebben. Moge dit vandaag onder ons niet zo zijn. We zijn hier bijeen als mensen die allen onder hetzelfde oordeel vallen en die allen op dezelfde genade in Christus aangewezen zijn. Laten we ons deze dag ook bewust zijn dat we van elk gesproken woord en elke gedachte jegens de ander, waaraan wij zouden kunnen toegeven, eenmaal rekenschap zullen moeten afleggen.

Het hart van de wijze maakt zijn mond verstandig en versterkt het betoog op zijn lippen. Het moge op ons allen van toepassing zijn. Hopelijk is hier niemand binnengekomen om straks winnaars en verliezers uit een kerkelijke competitie naar buiten te zien gaan.

„De vreze des Heren voedt op tot wijsheid en ootmoed gaat vooraf aan de eer” en „het oor, dat luistert naar de terechtwijzing die ten leven is, zal vertoeven te midden der wijzen”. Onder het regiem van deze woorden uit het Spreukenboek zou ik vandaag met u allen hier samen willen zijn. Ik open er in elk geval deze conferentie mee.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.