+ Meer informatie

EEN GEVENDE GEMEENTE

8 minuten leestijd

Nogal wat plaatselijke kerken kampen met teruglopende inkomsten voor het eigen kerkelijke leven. Dat vertaalt zich landelijk door in de druk op kerkelijke kassen. Hoewel de omslag daarvoor relatief laag is en tijdens de laatste synode nauwelijks verhoogd, wordt deze in toenemende mate als een last ervaren.

GOUDEN JAREN

Regelmatig wordt als reden de financieel-economische crisis genoemd. Deze zal in persoonlijke situaties soms zeker een rol spelen, maar het is de vraag of dit het hele verhaal is. Annegreet van Bergen zet in haar boek Gouden jaren wat cijfers op een rij: ‘Tussen 1948 en nu is het inkomen per hoofd van de bevolking verviervou-digd. Dat is meer dan het dubbele van de groei in de vermaarde Gouden Eeuw…’ (blz. 17). Deze groei is gecorrigeerd naar de prijsstijging en inclusief overheids-uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid, infrastructuur etc. Kortom, ondanks individuele verschillen, is onze welvaart in de economische geschiedenis ongekend.

Opvallend is ook dat bij zusterkerken in het buitenland, in omvang vaak geringer dan wij, meer mogelijk lijkt. Zo heeft de Evangelical Presbyterian Church of England and Wales vijftien plaatselijke kerken, waarvan de grootste (en dat zijn er maar een paar) zo’n 150 leden tellen. Al deze kerken hebben een eigen predikant en pastorie. Er zijn vanuit verschillende gemeenten kerkplanters actief. De kosten worden volledig door de leden gedragen.

Ik heb te weinig grond om te veronderstellen dat onze offervaardigheid is afgenomen. Er zijn nog steeds ontroerende voorbeelden van te noemen. Om niet te spreken van de liefdevolle inzet van vele niet-materiële gaven. Wel denk ik soms, juist op basis van ervaringen in het buitenland: is ons eigen kerkelijke leven niet ten prooi gevallen aan vanzelfsprekendheid? Zien we het wonder ervan nog? De genade erachter? En wat mag het ons uit dankbaarheid kosten om het in stand te houden? Eerst maar terug naar de Schrift.

WAARVAN WIJ GEVEN

Het Bijbelse uitgangspunt van geven is, dat de Here God de eigenaar van ons bezit is en blijft. Wij zijn slechts rentmeesters over wat Hij ons toevertrouwt. Het beheer van Gods goed dient allereerst Zijn eer. Tegelijk stelt het de mens in staat te zorgen voor eigen onderhoud en onderdak. Dit – onderhoud en onderdak – is in Gods ogen het bestaansminimum voor alle mensen. Daarom behoort het tot verantwoord beheer ook elkaar ten minste van dat bestaansminimum te verzekeren. Nu geeft de Here in Zijn genade zelfs in een aan de zonde vervallen wereld meer dan alle mensen samen voor onderhoud en onderdak nodig hebben. Als alle mensen ter wereld zouden kunnen beschikken over een veilig dak, voldoende voedsel, schoon drinkwater, kleding, basale sanitaire voorzieningen, medische zorg en onderwijs – dan zou er nog een ruim overschot te verdelen zijn.

Daardoor is het niet onverantwoord, dat de een nu meer heeft dan de ander. Van wat een mens meer heeft dan hij strikt behoeft, mag hij (mits eerlijk verworven) met een vrolijk hart genieten. Bij dat genieten dient wel tweeërlei grens in acht te worden genomen. In de eerste plaats moet de mens zijn afhankelijkheid van de Here niet verliezen. In de tweede plaats mag door zíjn overvloed de naaste niet door de bodem van het bestaansminimum zakken. Of, om het positief uit te drukken: ook in de omgang met geld en goed komt het erop aan de Here lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf. Waar deze liefde tot God en de naaste ont-breekt, krijgt het egoïsme het voor het zeggen en wordt geld een afgod. Hoe groot dat gevaar voor in zonde gevallen mensen is, mag blijken uit de vele en scherpe waarschuwingen van de Here en Zijn apostelen aan het adres van rijken.

Verantwoord beheer en de liefde om te geven zijn vruchten van het geloof. Want geloof verbindt ons aan de drie-enige God. Gods kinderen zullen hun Vader blij willen maken met hun beheer. Aan de armoede van Gods Zoon danken zijn hun diepste rijkdom. De Heilige Geest doet hen tot blijmoedige gevers wedergeboren worden en brengt hen samen in een gemeente waar beleden en beleefd wordt dat het ‘zaliger is te geven dan te ontvangen’ (Han. 20:35).

WAARAAN WIJ GEVEN

In het Oude Testament komt wat men geeft, meestal direct ten goede aan de Here en Zijn dienst. Denk aan de inzameling voor de tempelbouw. En eerder al aan de lossing van het eerstgeborene of de instelling van de tienden. Deze giften golden als inkomsten voor de priesters en de Levieten, die immers geen erfdeel hadden in het beloofde land. De priesters en de Levieten stonden voor de voortgang van de dienst der verzoening, het onderricht van het volk en de zorg voor weduwe, wees en vreemdeling.

Armenzorg zou in Israël eigenlijk overbodig moeten zijn maar zal toch nodig blijken. Daarom vinden we in het Oude Testament vele sociale wetten. Ook het werelddiaconaat komt al vroeg in beeld: Wanneer de Here, uw God, u zegent, zoals Hij u beloofd heeft, dan zult u aan vele volken lenen… Wel mag onze zorg zich primair blijven uitstrekken naar hen die wij op onze weg het eerst treffen: de huisgenoten van het geloof.

In het Nieuwe Testament lijkt het geefgedrag zich sowieso meer in eerste instantie op de arme te richten. Geven met het oog op armen is stellig een aspect van de navolging van Christus. Ook hierbij kan weer naar vele woorden van de Here Zelf verwezen worden. Voorbeelden van vrijwillige, laat staan vaste bijdragen bestemd voor salariëring van kerkelijke werkers en onderhoud van gebouwen, lijken minder makkelijk te vinden dan voorbeelden van geven voor diaconale doeleinden. Dat salariëring en gebouwen minder op de voorgrond staan, heeft vooral te maken met het wegvallen van het ene centrale heiligdom in Jeruzalem. Doordat het volbrachte werk van de Here Jezus wereldwijde betekenis heeft, is de (offer) dienst aan God niet meer aan de tempel gebonden. Toch gaat ook in het Nieuwe Testament het geefgedrag niet in het diaconale op. Diaconaat is verkondiging met de daad, die intussen altijd een principiële voorrang blijft geven aan de verkondiging door het woord. Ook als Johannes en Petrus aan de bedelaar bij de tempel wél zilver en goud hadden kunnen geven, bleef zijn reddende rijkdom liggen in de naam van de Here Jezus.

Dat is de reden dat de apostelen voor zichzelf prioriteit geven aan de bediening van het Woord en dat de eerste christenen daarvoor soms hun eigen huizen ter beschikking stelden. Dat is ook de reden voor het ‘vrijhouden’ van hen, die hun hele leven aan de verkondiging van het evangelie toewijden. Zo heeft de Here ook voor de verkondigers van het Evangelie de regel gesteld, dat zij van het Evangelie leven.

Op grond van de lijnen in Oude en Nieuwe Testament kan voor het geefgedrag van Gods kinderen daarom het volgende prioriteitenlijstje worden opgesteld:

1. eigen gemeente en kerkelijke kassen ten behoeve van de directe verspreiding van en het onderricht in het Evangelie (salariëring werkers, onderhoud kerkge-bouw en pastorie; facilitering gemeenteleven; predikantenopleiding; emeritikas, zending en evangelisatie etc.);

2. diaconie eigen gemeente, diaconale kerkelijke kassen en christelijke organisaties (ten behoeve van allerlei vormen van diaconale zorg aan de naaste);

3. algemene instellingen van zorg en barmhartigheid, bijvoorbeeld: het Rode Kruis, Wereld Natuurfonds, Amnesty International etc.

HOEVEEL WIJ GEVEN

De tienden kwamen al ter sprake. Het betreft hier een voorschrift voor allen met het oog op de tempeldienst maar ook op zaken die bij ons via de belastingen ge-regeld zijn (defensie bijvoorbeeld). Naast de tienden werden ook vrijwillige offers gebracht. Zoals zoveel voorschriften die te maken hebben met de tempeldienst, vindt het tiendengebod zijn vervulling in de Here Jezus. Nu leidt de Geest Zelf de gevende gemeente. Hij vervult harten met de vrucht van liefde en zelfbeheersing met het oog op een blijmoedig en royaal geven.

In de tempel stond een offerkist, waarin de tienden werden afgedragen. Eens zag de Here Jezus een arme weduwe daarin een geringe bijdrage storten. In zijn ogen had zij het meeste gegeven van allemaal omdat zij gegeven had met haar hart. Met haar gave gaf ze zichzelf. Alles geven van weinig is altijd meer dan íets geven van veel.

Wel kan de tiendenregel op een bepaalde manier richtinggevend blijven. Bijvoorbeeld in een streven om tien procent van ons netto-inkomen weg te geven. Waar-bij wel moet worden bedacht dat dit voor sommigen echt teveel zal zijn, terwijl het voor anderen ‘geen centje pijn’ betekent. Nogmaals, het gaat niet om het binden van elkaars geweten. Voor ons allen geldt de bede: ‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten‘ (Ps. 139:23).

Overigens is ook wijs financieel beleid en voorzorg een voluit geestelijke zaak. We mogen dankbaar zijn voor zusters en broeders met gaven op dit gebied. Het hierboven gestelde sluit een systeem van ‘vaste vrijwillige bijdrage’ niet uit (Luk. 14:28). Bovengenoemde Bijbelse lijnen mogen dienen om de zusters en broeders te helpen hun toezegging te berekenen. Misschien mag er ook wel weer eens wat vaker ‘op de zak’ gepreekt worden. Uiteraard Schriftuurlijk-bevindelijk. En wat de landelijke, onderlinge ondersteuning betreft: ik weet wel dat het financiële aspect niet altijd doorslaggevend is bij de opheffing van kleine gemeenten, maar dat zou het toch eigenlijk nooit mogen zijn? Laten ook kleinere gemeenten in elk geval een predikant of kerkelijk werker kunnen onderhouden. Een vollere kas voor onderlinge bij stand zou wonderen kunnen doen.

Ds. Schenau (1960) dient de kerken sinds 1989 en staat momenteel in Goes

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.