+ Meer informatie

TER OVERWEGING

29 minuten leestijd

Goede Moed. Dagkalender 2001. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. f 13,75.

Het dagboek ‘Goede Moed’ is door de jaren heen bij velen - zeker in onze kerken - een vertrouwde verschijning geworden. Nu het voor de tweede keer in een vernieuwd jasje is gestoken, nodigt het extra tot lezing uit. De redactie heeft gezorgd voor een evenwichtige verdeling tussen Oude en Nieuwe Testament, met daarbinnen weer aandacht voor de balans tussen moeilijker en gemakkelijker te lezen gedeelten: zo vindt u er een behandeling van Rom. 9 e.V., maar ook van Marcus 13-16; een aantal psalmen (75 e.v.), maar ook Jes. 55-66. Verrassend vond ik de thematische gang dwars door Kronieken, aan de hand van het kernwoord ‘vreugde’ namelijk. Er is veel voorwerk voor dit alles gedaan; dank aan redactie en auteurs.

Anne van der Meiden,De markt van geloven. Ontsokkeling, vernieuwing en verandering in geloofsgemeenschappen. Uitg. Ten Have, Kampen 1999. 160 blz. f 27,90.

Aan de ene kant kun je met dit boek niets. Daar namelijk waar het er van uitgaat dat geen enkele religie of godsdienstige gemeenschap kan claimen de waarheid te bezitten (Stelling 3, reeds op blz. 7). Deze overtuiging speelt door het hele boek heen een belangrijke rol, en bepaalt ook de remedie die dr. Van der Meiden voorstelt in veel wat in de kerk tout gaat op het gebied van communicatie. Het prikkelt in dat opzicht tot (veel) tegenspraak. Toch zou ik anderzijds de aangedragen gedachten niet zonder meer willen weggooien. leder die de ogen open heeft, weet dat er op het gebied van communicatie en overdracht van de geloofsgeheimenissen, van contact tussen kerkenraden en gemeenteleden, van overbrengen van synodale besluiten naar kerk en samenleving veel mis gaat. En dat schaadt de zaak van Christus… Het is de hoogste tijd alles op alles te zetten om het Woord werkelijk aan het woord te laten komen. Dat is een (gevoelige) les, die prikkelt tot bezinning. Als we dát nu eens overhouden bij veel wat we in dit boek naast ons neer leggen, dan heeft de (ooit Chr. Geref.) auteur misschien toch iets van zijn doel bereikt!

Elisabeth Elliot,Dwars door het vuur. Mijn eerste jaar in de jungle. Uitg. Barnabas, Heerenveen 1999. 136 blz. f24,95.

Al eerder heeft mevr. Elliot haar ervaringen als zendelinge in de vijftiger jaren bij de Colorado-indianen aan het papier toevertrouwd, namelijk in een boek dat als titel de ondertitel van dit nieuwe boek draagt. Nu, twintig jaar later, kijkt ze nog weer eens achterom in een bewerking van die eerste uitgave. Het boek beschrijft de moeiten, de zegeningen, de menselijke onmogelijkheden én de goddelijke lessen bij het zendingswerk. Het zaad dat gestrooid is, lijkt vaak weg te waaien, maar blijkt na zoveel jaren toch ook vrucht gedragen te hebben; je moet er alleen (een geloofs-)oog voor krijgen.

Emilio Platti o.p.,Islam… vreemd? Uitg. Averbode / Gooi en Sticht, Baarn 1996. 272 blz. f 38,75. Dit boek bevat een uitgebreide oriëntatie op de Islam, in een poging het voor velen zo vreemde aan deze religie weg te nemen. Het gaat de auteur niet om een principiële confrontatie met het Christendom of met andere godsdiensten, maar om een ‘serene benadering van de islamtraditie’, volgens de informatie achterin het boek. Dat gebeurt dan ook grondig en uitgebreid, waarbij na een historisch getinte inleiding de leer van de Koran volop aandacht ontvangt (vanaf blz. 52). Daarbij worden de uitwassen van de islam niet verzwegen (het ‘militantisme’ bijv.), maar de auteur blijft tot het eind bij zijn bedoeling: objectieve, beschrijvende informatie.

Douglas F. Kelly,Bidden. Waarom als God alles al weet? Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1999.163 blz. f27,50.

Bidden is een opdracht en een dagelijkse levensbehoefte. Geloof en gebed hangen heel nauw samen. De gelovige beleeft in het bidden de bijzondere nabijheid van God - of worstelt in het gebed om die nabijheid opnieuw te ervaren. De Heiland is Zijn weg op aarde biddend gegaan. Het mag duidelijk zijn dat bidden een grote plaats in het geloofsleven inneemt. Toch is een aanhoudend en vurig gebedsleven geen vanzelfsprekendheid. Er kan sprake zijn van hindernissen of zelfs van teleurstelling. Als gevolg daarvan kan het gebed verslappen en zelfs ophouden.

Dr. D.F. Kelly, docent systematische theologie aan het Reformed Seminary te Jackson (Mississipi), heeft een boek geschreven over bidden. Aan de hand van de bijbel en met actuele voorbeelden maakt hij duidelijk hoezeer het gebed in het leven van een christen nodig is. Moeilijkheden in het gebedsleven worden besproken en praktische oplossingen worden aangedragen. Dat laatste gaat zover, dat er een compleet gebedsschema achter in het boek is opgenomen. Niet iedereen zal hier zo gestructureerd mee willen omgaan als de auteur. Toch kan het heel goed zijn om in een tijd van overvolle agenda’s bij onszelf na te gaan of we het gebed de plaats in ons leven geven die het toekomt. Moeite heb ik met de manier waarop Kelly voorstelt om in het gebed te vragen om concrete tekenen van God. Het wekt de indruk dat de verhoring van het gebed valt af te lezen uit bepaalde gebeurtenissen die wel of niet plaatsvinden. De aandacht verschuift daardoor te veel naar de omstandigheden van de mens die bidt, in plaats van naar God die dwars door alle omstandigheden kan leiden.

Gerard Lukken en Jemen de Wit (red.),Gebroken bestaan (deel 2). Rituelen rond vergeving en verzoening. Uitg. Gooi en Sticht, Baarn 1999. 156 blz. f 35,-.

Van 1966 tot 1996 werd het tijdschrift “Werkmap (voor) Liturgie” uitgegeven. Het tijdschrift wordt nu in boekvorm uitgegeven als de reeks ‘Liturgie in beweging”. In deze reeks is nu een deel versehenen over rituelen rond vergeving en verzoening. Verschillende auteurs hebben in deze bundel samengewerkt.

Het eerste artikel is van de hand van G. Lukken, emeritus-hoogleraar liturgie en sacramentstheologie aan de theologische faculteit te Tilburg. Lukken laat zien hoe mensen die niet kerkelijk (meer) zijn, toch behoefte hebben aan allerlei rituelen random vergeving en verzoening. De voorbeelden daarvan lopen uiteen van het bekende bosje bloemen om het goed te maken, tot de gezamenlijke herdenking van een oorlog als teken van verzoening van beide partijen. Het is mij uit het betoog van Lukken wel duidelijk geworden dat er een grote behoefte is aan rituelen. Maar een heldere theologische lijn heb ik niet ontdekt. Is de kerk een instituut dat naar wens kan inspelen op de vraag naar rituelen? Wat hebben rituelen en symbolische handelingen te maken met het hart van de boodschap waar de kerk voor staat? Het blijft bij Lukken en de andere auteurs van deze bundel erg vaag. Wellicht heeft het ermee te maken dat bij het spreken over vergeving en verzoening het besef van Psalm 51 gemist wordt: tegen U, U alleen heb ik gezondigd.

Documentatiecentrum van de Chr. Geref. Kerken,Overzicht 1995-2000. Uitg. Deputaten Kerkelijke Archieven, Veenendaal 2000.

In dit overzicht hebben deputaten Kerkelijke Archieven de gemeentelijke gegevens tussen 1895 en 1900 opgenomen. Daarmee zijn deze gegevens veel toegankelijker geworden. Voor de geschiedenis van plaatselijke kerken en van ons landelijk kerkverband zijn deze bronnen onmisbaar. Wie weet nog van de tijd dat er in de classis Dordrecht een gemeente Dussen bestond? Of dat de classis Dordrecht zich uitstrekte tot in Zierikzee en Vlissingen? In 1898 was dit het geval. Naast informatie over classiskerken is er ook een biografie opgenomen van ds. J.W. Draijer en een overzicht van de ledenaantallen van ons kerkverband tussen 1947 en 1999.

Dit Overzicht 1995-2000 is niet in de boekhandel verkrijgbaar, maar wordt aan de donateurs van het Documentatiecentrum toegezonden. Voor f 15,- perjaar kan men donateur worden.

Ds. W. Silfhout,Zalig in leven en sterven. Meditaties over de zeven zaligsprekingen in het bijbelboek Openbaring. Uitg. Groen, Heerenveen 1999. 151 blz. f 24,95.

In het najaar van 1997 heeft ds. Silfhout - predikant van de Gereformeerde Gemeente te Hendrik-Ido-Ambacht - een sehe preken gehouden over de zeven zaligsprekingen in de Openbaring aan Johannes. De preken zijn omgewerkt tot 27 meditaties. Ds. Silfhout probeert in zijn meditaties niet zozeer naar allerlei nieuwe elementen te zoeken, maar hij neemt zijn lezers mee langs de beproefde paden. De weg van de tekst naar de toepassing is mij niet overal even duidelijk geworden.

Dr. C.A. van der Sluis,Gereformeerden zonder God. Over levensheiliging gesproken. Uitg. Groen, Heerenveen 1999. 128 blz. f19,95.

Langzamerhand raakt de uitdrukking “de boodschap en de kloof” ingeburgerd in kerkelijk Nederland. Het gaat daarbij om de kloof tussen de moderne maatschappij/cultuur en de boodschap van het evangelie. Veel pennen zijn in beweging gekomen over dit probleem. Wie dacht dat de kloof zich aftekent langs dezelfde lijnen als het breukvlak van kerk en wereld, komt bedrogen uit. Dr. C.A. van der Sluis laat duidelijk zien in dit boek dat het probleem dieper gaat. Er gaapt een kloof tussen het beeld van de gereformeerde gezindte en het leven van een christen in heiligheid zoals de Schrift ons dat voorhoudt.

In zestien detail-portretten wordt het beeld getekend van net huidige kerkelijke leven. De lichtinval is steeds gekozen vanuit een schriftgedeelte waarin het begrip “heilig” centraal Staat. Op deze manier ontstaat een confronterend spiegelbeeld. De gereformeerde gezindte is aan de ene kant versteend in een machteloze orthodoxie die voor velen wel veilig is, maar die bijbels gezien niet voluit heilig is. Aan de andere kant is er veel invloed vanuit de evangelische beweging, maar dat blijft steken in verkapt arminianisme en geestelijke oppervlakkigheid. Het is tragisch dat juist christenen die staan in de traditie van de Reformatie en de Nadere Reformatie niet tot een beter antwoord op de eigentijdse geestelijke uitdagingen in Staat lijken te zijn. Ondanks alle kerkelijke activiteit valt te vrezen dat er inderdaad veel gereformeerden zonder God leven.

Het lezen van dit boek geeft een grote mate van herkenning. Soms zijn de gebruikte woordspelingen zo overdadig, dat het de leesbaarheid vermindert. Met alle respect voor de lijn van het betoog van ds. Van der Sluis, vraag ik me toch af of er in dit boek niet meer aandacht had moeten zijn voor de vraag hoe nu in positieve zin het begrip ‘heilig” kan functioneren in het huidige kerkelijke leven. Hier en daar zijn wel aanzetten te vinden, maar het blijft fragmentarisch. Het aanwijzen van de kwaal is wel een begin, maar het is nog geen medicijn. Dat neemt niet weg dat ik dit boek van harte wil aanbevelen. Het leent zich goed om in gedeelten besproken te worden (bijvoorbeeld op de kerkenraad?).

Dr. J. Vlaardingerbroek,Klaagliederen. Serie Tekst en toelichting. Uitg. Kok, Kampen 1999. 114 blz. f 25,-.

Al eerder heeft dr. Vlaardingerbroek een commentaar geschreven op Klaagliederen in de bekende verklaring “Tekst voor Tekst”. Toen was de inleiding ten opzichte van het commentaar-gedeelte erg kort. Nu is het omgekeerde het geval. De inleiding beslaat ongeveer de helft van de commentaar die nu voor ons ligt. In verband met de historische omstandigheden is dit zinvol. De verwoesting van Jeruzalem en de wegvoering naar Babel heeft zich voltrokken in verschillende fasen die elk een eigen karakter van hoop en vrees oproepen. Voor een bijbelverklaring die vooral praktisch wil zijn, gaat mij de gedetailleerde behandeling van de verschillende dichtmaten te ver.

Vanouds wordt ook onder orthodoxe bijbelgeleerden in twijfel getrokken of Jeremia de (enige) schrijver is van de Klaagliederen. Dr. Vlaardingerbroek meent dat dit niet het geval kan zijn. Hij voert er vele argumenten voor aan. Ook is de vraag al heel oud of het derde klaaglied wel behoort tot de oorspronkelijke bundel of als een latere invoeging beschouwd moet worden. Dergelijke vragen houden een behoorlijk theoretisch karakter, omdat niemand ze met zekerheid op kan lossen. De informatie die geboden wordt, zet aan tot verder denken over hoe wij zelf omgaan met schuld en klacht.

Herman van Well,Diaken in de praktijk. Uitg. Voorhoeve, Kampen 1999. 157 blz. f 22,50.

Herman van Well is bij de diakenen van ons kerkverband geen onbekende. Al vele jaren geeft hij diaconale cursussen. De vrucht van vele jaren bezinning, praktijkervaring en meedenken met diakenen is nu in een boek bijeengebracht.

Het eerste hoofdstuk geeft een overzicht van wat er in OT en NT te vinden is over diaconaat. Op een heldere manier wordt uitgelegd dat diaconaat alles te maken heeft met het bijbelse woord ‘gerechtigheid’. Wie door genade recht voor God is komen te staan, mag het opnemen in deze wereld voor recht en gerechtigheid. Niet om daarmee iets te verdienen bij God, maar om in de praktijk zichbaar te maken hoe heilzaam Gods Woord is voor het leven van alle mensen. Christus is de grote Diaken die laat zien wat dienen in zijn Koninkrijk betekent.

Het tweede hoofdstuk trekt de bijbelse lijnen verder door naar de verhoudingen in de gemeente en de plaats die diakenen daarbij innemen. Eens te meer komt naar voren hoezeer de gemeente het diaconaat nodig heeft, al was het alleen maar om getuige te zijn van Gods barmhartigheid.

Het derde en vierde hoofdstuk gaan in op de praktijk van het werk van de diakenen in de gemeente en daarbuiten. De organisatie van het werk wordt besproken, maar ook de besteding van de ingezamelde gaven en het diaconale huisbezoek. Naast de eerste twee bezinnende hoofdstukken worden in de laatste hoofdstukken veel praktische zaken belicht.

Nog altijd kun je in de kerken de gedachte tegenkomen dat diaconaat toch niet zo belangrijk is, of dat diakenen min of meer beschouwd worden als hulpouderlingen of ambtsdragers in opleiding voor het “echte” werk van ouderling. Wie verwerkt wat er in dit boek aangereikt wordt, komt tot heel andere gedachten.

Ongetwijfeld zal dit boek zijn weg vinden naar diakenen, maar ook andere geïnteresseerden kunnen er hun winst mee doen.

Dr. R.R. Ganzevoort en drs. A.L. Veerman,Geschonden lichaam. Pastorale gids voor gemeentendie geconfronteerd worden met seksueel geweld. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2000. 152 blz. f 25,-.

Statistieken wijzen uit dat minstens tien procent van alle Nederlanders slachtoffer is van seksueel geweld. Het cijfer voor struetureel geweld in huiselijke kring ligt nog hoger. Ook al zijn er geen concrete cijfers over bekend, toch lijkt er weinig reden om aan te nemen dat de cijfers in de kerken gunstiger zouden zijn. Er is ook onder ons veel vraag naar goede toerusting op dit punt. De laatstgehouden generale synode (Haarlem/Nunspeet 1998) heeft zich ook bezig gehouden met de vraag hoe we in de kerken met deze moeilijke problematiek om kunnen gaan. Het boek van dr. Ganzevoort en drs. Veerman rieht zich in het bijzonder op de vraag wat voor gevolgen seksueel geweld voor het geheel van de kerkelijke gemeente heeft. De gemeente is lichaam van Christus. Uitgangspunt van de auteurs is dat het kwaad van seksueel geweld de hele gemeente schendt. Dader, slachtoffer, gezinsleden en omstanders komen anders tegenover elkaar te staan.

De beschrijving van de verschillende processen die plaatsvinden bij dader, slachtoffer en gemeente vind ik heel helder en herkenbaar. In alle voorzichtigheid wordt ook geschreven over de mogelijkheid alles bekend te maken in de gemeente. Op dat punt is het laatste woord nog niet gezegd. Waardevol zijn de adviezen om in een gemeente aan prevenue te doen.

Dr. J. van der Graaf e.a. (red.),Het Woord der prediking. Handreiking voor predikanten, deel 3. Uitg. Voorhoeve, Kampen 2000. 280 blz. f 65,-.

Preken is belangrijk. Met het Woord der prediking wordt de gemeente gebouwd. Daarom is het belangrijk dat het Woord zuiver, duidelijk en begrijpelijk klinkt vanaf de kansel. Het maken en houden van preken, neemt een groot deel van de tijd in beslag van dominees. De een doet wat langer over het maken van een preek dan een ander. Hoeveel ervaring men ook heeft, toch kun je altijd leren van een ander. Daarom ben ik blij met het derde deel uit de serie “Het Woord der prediking”. Het is een bundel met 52 preekschetsen, waaraan auteurs meegewerkt hebben uit voile breedte van de gereformeerde gezindte. Uit onze eigen kring kwam ik de namen tegen van prof. dr. H.G.L. Peels, prof. dr. W. van ‘t Spijker en ds. P. den Butter.

Evenals in de vorige twee delen staat een kwalitatief goede exegese voorop, gevolgd door een toespitsing op het persoonlijke geloofsleven. Met deze opzet voorziet de serie in de behoefte aan betrouwbaar en bruikbaar materiaal bij de voorbereiding van het preken. Een vierde deel wordt door de redactie reeds aangekondigd. Deel drie kan ik van harte aanbevelen. Misschien is het een goede gedachte om in deel vier een algeheel tekstregister van de hele serie op te nemen.

Drs. H. Hagoort (red.),Het verbond van God met mensen. Uitg. Groen, Heerenveen 1999. 152 blz. f 29,95.

In het EO-programma “Theologische Verkenningen” is een serie uitgezonden over de betekenis van het verbond van God met mensen. De medewerkers horen tot de gereformeerde gezindte. Ook enkele predikanten en hoogleraren uit onze eigen kring hebben meegewerkt. De verschillende lezingen zijn nu tot een boek gebundeld. Het woord “verbond” behoort tot de kernbegrippen van de gereformeerde theologie. Verbond heeft te maken met de levende band tussen God en mens. In dit boek is te zien hoe belangrijk het begrip “verbond” in de bijbel is. Dat het verbond zo’n belangrijke plaats heeft gekregen in onze eigen theologische traditie, is dus niet vreemd.

Er verschijnen veel boeken om ambtsdragers toe te rusten. In de drieslag ‘aangenaam, nuttig en nodig’ zou ik dit boek tot de laatste categorie willen rekenen. Graag zie ik dit helder geschreven boek in handen van ouderlingen en diakenen. Wie de smaak te pakken krijgt, kan via de beknopte literatuurverwijzingen zijn weg verder vinden.

W.J. Ouweneel,De zesde kanteling. Christus en 5000 jaar denkgeschiedenis. Uitg. Barnabas, Heerenveen 2000. 640 blz. f 79,-.

Slechts weinigen is het gegeven om honderd boeken te schrijven. Dr. Ouweneel heeft met “De zesde kanteling” deze opmerkelijke mijlpaal bereikt. Nummer honderd is tegelijk nummer drie, want dit boek is het derde en tevens laatste deel van een ‘metahistorische’ trilogie; het volgt op “De negende Koning” en “De zevende koningin”.

De inhoud van dit boek hangt samen met het fascinerende gegeven dat er meer dan eens in verschillende werelddelen grote omwentelingen zijn voorgekomen met verstrekkende gevolgen voor de wereldgeschiedenis. Neem bijvoorbeeld de zesde eeuw voor Christus. In die periode is Israël in ballingschap in Babel, de westerse filosofie komt tot ontwikkeling in Griekenland, in China leven Lao-Tse en Confucius (twee belangrijke filosofen), in India leefde Boeddha (de stichter van het Boeddhisme) en in Iran werkte vermoedelijk Zarathoestra (stichter van een oude Perzische godsdienst). De vraag is nu of er tussen deze gebeurtenissen een (verborgen?) verband bestaat of niet. Dr. Ouweneel probeert patronen aan te wijzen en grotere verbanden te leggen.

Het is een boeiend boek geworden met soms verrassende doorkijkjes vanuit het verleden naar de actualiteit. Dat neemt niet weg dat het geheel een hoog speculatief karakter heeft. Met andere woorden: het is indrukwekkend hoeveel literatuur van verschillende wetenschappen Ouweneel verwerkt, maar echt overtuigen doet het niet omdat de draadjes van de innerlijke samenhang te dun zijn.

Ds. W.J.J. Glashouwer en dr. W.J. Ouweneel,Het ontstaan van Israël. De geschiedenis van het Oude Testament. Uitg. Telos i.s.m. de EO, Amsterdam 1999. 240 blz. f 19,75.

Rond 1980 heeft de EO verschillende televisieseries uitgezonden, waaruit dit boek is ontstaan. Kort en bondig wordt een historisch overzicht gegeven van de eeuwen waarover het Oude Testament spreekt. Plaatjes en Tabellen verhelderen de tekst. In een andere vorm is dit boek in 1982 reeds uitgegeven. Het voordeel van de huidige uitgave is het handzame formaat. Nadeel is dat de meest recente ontwikkelingen van de afgelopen 20 jaar niet in dit boek besproken kunnen worden.

Ds. Koos Staat,Reken maar! Twintig redenen om in God te geloven. Uitg. Barnabas, Heerenveen 1999. 88 blz. f 22,50.

Reken maar! is fris, eigentijds en toch dicht bij de bijbel. Het is het eerste deel in de jongerenserie ‘To the point’. In twintig korte hoofdstukken worden bijbelse thema’s behandeld. De doelgroep is jongeren vanaf 15 jaar.

H. Coward (red.),Leven na de dood. Wereldreligies over het hiernamaals. Uitg. Ten Have, Baarn 1999, 158 blz. f 29,90.

Dit boek is de vertaling van een serie lezingen, die in 1995 gehouden zijn aan de universiteit van Victoria (Canada), onder auspiciën van het Centre for Studies in Religion and Society. Het overkoepelende thema van de lezingen - zoals ook blijkt uit de titel van het boek - was de visie van de grote wereldgodsdiensten op het leven na de dood. Zo passeren Jodendom, Christendom en Islam - maar ook Hindoeïsme, Boeddhisme en Chinese religies de revue. Het is een informatieve bundel, en voorzover ik het kan beoordelen kenmerkt hij zich door een eerlijke en evenwichtige weergave. Dat viel ook eigenlijk wel te verwachten, omdat elk hoofdstuk geschreven is door een aanhanger van de daarin aan de orde zijnde godsdienst. Zo krijgt de lezer van binnenuit o.a informatie over de ontwikkeling van de verwachtingen binnen het Jodendom, die in vergelijking met het Christendom heel eigen accenten en voorstellingen laten zien, en ook over de bakermat van gedachten over reïncarnatie en kharma, zoals die in de afgelopen jaren vanuit het oosten enige ingang in onze contreien hebben gevonden. Al met al: wie zich breed wil oriënteren, kan in dit boek goed terecht.

G. den Hartogh,Voorzienigheid in donker licht. Herkomst en gebruik van het begrip ‘Providentia Dei’ in de reformatorische theologie, in het bijzonder bij Zacharias Ursinus. Uitg. Groen , Heerenveen 1999. 355 blz. f 49,95.

Dit boek heeft gediend als proefschrift, en is door de auteur eind 1999 verdedigd aan de Universiteit van Utrecht. De auteur is gereformeerd predikant, en behoort tot de kring van het Confessioneel Gereformeerd Beraad. De Studie is breed opgezet, en biedt veel. Zo bevat hij een levensschets van de opsteller van de Heidelbergse Catechismus, Zacharias Ursinus, en een tekening van de ontstaansgeschiedenis van dit leerboek der kerk. U leest het goed: het woord opsteller Staat in het enkelvoud. Olevianus heeft volgens de auteur slechts een zeer geringe rol gespeeld in de totstandkoming van de Heidelbergse Catechismus.

Dr. Den Hartogh laat uitkomen, dat de Heidelbergse Catechismus - meer dan andere reformatorische belijdenisgeschriften - een centrale plaats toekent aan de leer van de voorzienigheid. Dat is opmerkelijk, omdat dit het enige leerstuk is, dat de Oude Kerk vanuit de Grieks-Romeinse filosofie heeft geïntegreerd in de christelijke geloofsleer, en wel met een beroep op de schatten van de Egyptenaren die het volk Israël meenam bij de uittocht.

Uitvoerig gaat de schrijver na hoe de kerkvaders en de theologen van de Middeleeuwen met dit leerstuk zijn omgegaan, om tenslotte weer uit te komen bij de theologie uit de tijd van de Reformatie. Daarbij schetst hij de gedachten van o.a. Luther en Calvijn op dit punt, en niet te vergeten ook van de Zwitsers Zwingli én Bullinger, en van een gereformeerd theoloog van Italiaanse origine: Petrus Martyr Vermigli. Deze laatste heeft volgens hem Ursinus het meest van alien beïnvloed, en daaraan is de centrale plaats van de leer van de voorzienigheid in de Catechismus in hoge mate toe te schrijven.

Ik heb dit helder geschreven boek met grote belangstelling en genoegen gelezen, en ik heb er veel van geleerd. Het is een fraaie proeve van theologische bekwaamheid, en een boeiende kennismaking met de traditie van de kerk, en dan vooral die van de eerste eeuw na de Reformatie! Merkwaardig is alleen, dat dr. Den Hartogh over iedereen met respect en begrip kan schrijven -terecht! -, om ineens bij Calvijn op enkele punten uit te halen. De reformator van Genève heeft volgens hem geen bevredigend antwoord gegeven op de vragen die met de vrijheid van de menselijke wil te maken hebben, en het zou zelfs één van de zwakste plekken in diens theologische systeem zijn, waarop zijn theologie vastloopt (258). Eerlijk gezegd heb ik niet het gevoel dat dit het sterkste deel van Den Hartogh’s boek is; valt er niet meer te zeggen over Calvijn’s uiteenhalen van verkiezing en voorzienigheid dan hij doet? In dit hoofdstuk bagatelliseert hij de betekenis van het gescheiden behandelen van verkiezing en voorzienigheid bij Calvijn, om het later toch weer als een punt van belang op te voeren. Het heeft te maken met zijn - in Utrecht de laatste jaren niet ongebruikelijke - analytische behandeling. Er worden denksystemen uit elkaar gepeuterd, maar de keerzijde is wel dat het geheel abstract blijft, temeer daar de schrijver ons geen inzicht geeft in hoe de voorzienigheid functioneerde in het leven van de besproken theologen. Enige aandacht daarvoor zou het gedeelte over Calvijn bijvoorbeeld goed gedaan hebben. Het geloofsleven is meer dan een puzzel rond krijgen…

Jammer vind ik daarom ook, dat het slothoofdstuk wat kort is uitgevallen. Ik begrijp dat wel: het is een dogmenhistorische studie, en daarin zou een uitvoerige dogmatische plaatsbepaling uit de toon vallen.

Graag eindig ik positief. Het boek is door uitgeverij Groen voornaam uitgegeven, met een fraaie harde kaft, en de prijs is nog alleszins redelijk ook. Wie zin heeft om zich op verantwoorde manier met wezenlijke vragen uit de gereformeerde theologie bezig te houden, kan ik dit boek van harte aanbevelen.

P.J. van Kampen,Het begon in Jeruzalem. Op ontdekkingsreis door Handelingen. Uitg. Buijten & Schipperheijn, 1999. 224 blz. f 49,50.

Dit prachtig uitgevoerde boek is een ‘byproduct’ van een serie EO-radioprogramma’s over het boek Handelingen. Men volgt in de verschillende hoofdstukken de gang van het bijbelboek, en levert er vaak verhelderend commentaar en enige meditatieve overwegingen bij. Boeiend vond ik de poging tot verklaring van de wijziging van de naam Saulus in Paulus, die immers niet in Handelingen 9, maar eerst in hoofdstuk 13 optreedt, na de ontmoeting met de landvoogd Sergius Paulus,die tot geloof komt. Als verklaring wordt geopperd, dat de apostel - zoals toen veel vaker gebeurde - één van de namen aannam van deze hooggeplaatste, vanwege gunsten die Sergius Paulus aan hem bewezen zou hebben.

Alle waardering neemt niet weg, dat er een aantal opmerkingen te maken valt. Ik noem er enkele. Vanuit wat uit oudchristelijke teksten én opgravingen bekend is zou heel wat meer over de zaal van het Laatste Avondmaal te zeggen zijn dan hier gebeult Verder: bij Handelingen 2 had men iets kunnen vermelden over de invulling die men in die tijd in het Jodendom met het Pinksterfeest begon te verbinden, nl. de wetgeving op de Sinai. Tenslotte denk ik aan de naam voor de volgelingen van Jezus - het is opvallend en niet zonder betekenis dat de naam ‘christenen’ steeds voorkomt in de mond van buitenstaanders, terwijl de interne benaming ‘Nazoreeërs’ of ‘mensen van de weg’ is. Een kleinigheid nog: zouden de joodse vrouwen in Filippi niet op zafercfagmorgen zijn bijeengekomen (136)?

Uit deze opmerkingen mag blijken dat ik het boek aandachtig heb gelezen. Dat verdient het ook. En als men even niet wil lezen, dan valt er nog veel te zien. Het boek bevat bovendien vele fraaie foto’s, die - voorzover mogelijk - de plaatsen laten zien waar het beschrevene zich heeft of kan hebben afgespeeld. Het is echt een prachtige uitgave, om in te bladeren en te studeren, en de prijs is - gezien de kwaliteit van de uitvoering (mooi papier en fraaie foto’s!) - heel acceptabel.

C.H. Lindijer,Ouderen ontmoeten. Pastorale en andere contacten met oudere mensen. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1999, 192 blz. f 37,50.

De schrijver van dit boek was evangelisch-luthers predikant en hoogleraar in de Praktische Theologie in Amsterdam. Hij heeft tal van boeken geschreven, en is daarmee na zijn emeritaat ook bepaald niet opgehouden. Dit boek over pastorale en andere contacten met oudere mensen heeft hij echt van binnenuit kunnen schrijven, want hij is zelf de leeftijd van de zeer Sterken al een paar jaar geleden gepasseerd.

Het boek gaat in totaal zestien hoofdstukken in op diverse aspecten van het ouder worden, zoals de bejegening door de samenleving, de relatie met (klein)kinderen, een opspelend verleden, zorgen en angsten, eenzaamheid, depressie en dementie. Tussen al die vaak moeilijke facetten van het ouder worden door laat dr. Lindijer ook zien dat er iets kan zijn van rijpheid, van een ‘ver af zijn van plannen en gefallen, een eindelijke verheldering van ogen voordat het donker van de nacht gaat vallen, een opengaan van vergezichten’, zoals Ida Gerhardt dichtte.

Men heeft aan dit boek meer als kennismaking of ook verdieping in het proces en de ervaringen van ouder worden, dan voor het pastoraat aan ouderen. Humanisten mogen het boek ook gebruiken van dr. Lindijer, en ze zullen ook niet zoveel passages moeten overslaan. Als er gespreksverslagen worden besproken, komen de vragende pastures er beter af dan zij die wijzen op de vastheid van het christelijk belijden. Kortom, ik vond er niet veel in van - om nogmaals het al geciteerde gedicht van Ida Gerhardt aan te halen - ‘allengs, een onomstotelijk weten dat gij vernieuwd zult worden en herschapen, wanneer men van u schrijven zal: “ontslapen”, wanneer uw naam op aarde is vergeten’.

Laat men voordat men naar dit boek grijpt zich afvragen wat men erin zoekt. Inzicht in de oudere mens, van binnenuit gewekt, dat kan men er vinden. En dat is zonder twijfel waardevol.

W.J. Ouweneel,Nachtboek van de ziel. Uitg. Buijten & Schipperheijn, 1998. 262 blz. f 37,50.

Dit boek is in zekere zin een dagboek van dr. Ouweneel, waarin hij zijn dromen uit een bepaalde - vrij recente - periode van zijn leven heeft opgeschreven en van zijn uitleg voorzien. Vandaar de term nachtboek in de titel. De periode van enkele jaren valt samen met een tijd van spanningen en conflicten binnen de Vergadering van Gelovigen, waartoe de schrijver behoort. De dromen hadden volgens zijn eigen overtuiging te maken met dat proces, en laten volgens Ouweneel niet alleen zien hoe hij er zelf onderbewust mee omging, maar ook dat de Heilige Geest hem door die dromen zichzelf leerde kennen.

Ik heb er niet zoveel moeite mee te erkennen dat de door Ouweneel beschreven dromen inderdaad wijzen op dat waar hij onderbewust mee bezig was. Alleen - zijn uitleg was voor mij zelden direct overtuigend. Steeds had ik het gevoel: je zou met deze droom ook nog een heel andere kant uit kunnen. De schrijver zegt het zelf: analyseren valt niet mee (205). Daar komt bij, dat dr. Ouweneel zich vooral oriënteert op de benadering van C.G. Jung. Maar waarom heeft die de voorkeur boven bijv. de benadering van S. Freud? Bindt de Heilige Geest zich zo verregaand aan de benadering van Jung? Waar houdt Jung op, en begint het eigene van het werk van de Heilige Geest? Dr. Ouweneel geeft aan de uitleg van de dromen een zekere wijding, door te spreken van de krachtvan de Heilige Geest die ons door de dromen wil leiden (142; 174; 210; 227). Is dàt de oorsprong en bron van de kracht die de Geest van Christus uitoefent? Ot neemt Hij het alles uit Christus?!

Dat brengt me bij mijn voornaamste vraag. Zeker, we kennen in de bijbel de openbaring van de HERE door dromen. Dat zijn echter geen dromen, die een mens verteilen wat er allemaal in hem/haar omgaat - dat is typisch modern -, maar visioenen waarin Hij zijn Woord doorgeeft. Is het echt zo dat ‘de kleine Samuel na zijn droom besluit Elia en diens zonen de wacht aan te zeggen’? (213) Ik lees in 1 Samuël 3 dat hij van Godswege een Woord moet doorgeven. Dat verschil lijkt me kenmerkend. De Heilige Geest is ons niet gegeven om ons tot inzicht te brengen in ons innerlijk, en een groeiproces op gang te brengen. We horen dat vandaag overal om ons heen; het is eenvoudig de tijdgeest. De Heilige Geest komt ons tegen in het Woord, dat ons oordeelt en vrijspreekt - om ons dan ook helemaal en voor altijd in dat Woord te bergen. Wat daarbij in een mens omgaat, moet maar liever niet in een boek worden opgeschreven, waarin we onvermijdelijk toch een beetje ons eigen gelijk halen. De Geest van Christus geeft ons vooral zicht op onze eigen zonden en tekortkomingen, en doet ons alleen maar lijden aan wat in de gemeente van Christus stuk gaat. Dromen kunnen leiden tot zelfrechtvaardiging - de Geest van Christus brengt ons op een andere plaats. Kortom: ons hart kan beter met heilbespiegelingen dan met zelfbespiegelingen vervuld zijn…

C.H. Spurgeon,Zielen winnen voor het Evangelie. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1999. 272 blz. f 29,90.

Ondanks het feit dat de ‘prins der predikers’ in de 19e eeuw leefde en werkte, hebben zijn geschritten nog een grote zeggingskracht. Deze uitgave bevat toespraken tot studenten (in hun opleiding tot predikant, zondagsschoolonderwijzer enz.) en preken waarin het hoofdthema is: zielen te winnen voor Christus. De geestelijke ruimte van Spurgeon blijkt meteen al aan het begin: het gaat hem er niet om ‘leden van andere kerken over te halen om lid te worden van onze eigen kerk’, blz. 10. Het boek bevat talrijke aanwijzingen die ons prikkelen tot zelfonderzoek; ze hebben alle één doel: dat verloren mensen leren Jezus Christus te verheerlijken, tot hun eeuwig behoud.

Ds. J. van der Haar,Tekenen ten goede. Ambtelijke ontmoetingen. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1999. 94 blz. f 19,90.

De Ned. Herv. emeritus-predikant, wonend in Houten, heeft iets van de herinneringen tijdens zijn langdurig predikantschap aan het papier toevertrouwd. Ze geven een goede indruk van het geestelijk leven in de kring waar hij het Woord bediende en mede leiding mocht geven. Anonimiteit is er niet bij. Dat is ook niet altijd nodig; soms zou het gewenst geweest zijn, met name wanneer minder mooie eigenschappen van mensen worden belicht (ik denk aan een organist in Neerlangbroek, blz. 46). De mens vernederd, de Christus verheerlijkt; dát is de boodschap van dit boek.

Dr. J. de Vuyst,Het evangelie naar Johannes. Een inleiding, vertaling en toelichting. Uitg. Kok, Kampen 2000. 114 blz. f 24,90.

Dr. De Vuyst heeft opnieuw een commentaar op een bijbelboek geschreven, nu op het evangelie naar Johannes. De stijl is dezelfde als bij zijn andere boeken: een eigen vertaling met verklarende voetnoten, het geheel voorafgegaan door een inleiding. Bescheiden noemt de auteur het geheel ‘een verslag van wat hij vernam bij het luisteren…’, blz. 7. Maar wie weer goed naar De Vuyst luistert bij het lezen, ontdekt de diepgang van dit boek. Daarom mag de auteur wat mij betreff best minder kort en puntig zijn; het zal voor vele lezers dan gemakkelijker toegankelijk zijn. We zijn dankbaar voor dat wat prof. De Vuyst nog kan doen in deze jaren, zodat zijn theologisch bezig-zijn vrucht draagt, binnen en buiten onze kerken.

Kees Roest, Tijd maken. Praktische handleiding voor doeltreffend omgaan met tijd. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2000. 112 blz. f 23,50.

Dit is een boekje dat gerust getypeerd mag worden als een ‘schot in de roos’. Meer en meer horen we van mensen die de hoeveelheid werk niet meer aankunnen in combinatie met de noodzakelijke vrije tijd en tijdsbesteding aan gezin en ideële doelen, zoals de kerkelijke gemeenschap. In dit boekje leert men hoe men doeltreffend, efficient, met zijn/haar tijd kan leren omgaan. Dat gebeurt via verhelderende voorbeelden én via allerlei tabellen die men kan invullen en waaruit conclusies worden getrokken. Als u bang bent om uzelf de spiegel voor te houden, schaf het dan niet aan; je schrikt er namelijk van. Een korte schrik kan echter op langere termijn heel heilzaam zijn. Daarom: van prediikanten tot huisvrouwen - doe er uw winst mee.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.