+ Meer informatie

DIAKEN EN GEMEENTE

8 minuten leestijd

Dienen is een kernwoord voor christenen. Mattheüs schrijft in zijn evangelie (20, 28) „.…gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen….” En in vers 26 zegt Jezus: „Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn….” Het is kennelijk zó, dat Jezus Christus is begonnen te dienen. Zijn volgelingen mogen Hem ook daarin volgen en dus dienen zij Hem en elkaar.

Diaconaat, dienst, is een wijd begrip, dat op veel meer dan financiële verzorging betrekking heeft, al hoort dat er ook bij, b.v. de inzameling en overbrenging van gelden heet diaconaat. Maar Paulus ziet zijn apostolaat als dienst en de prediking is dienst des Woords. We zouden kunnen zeggen dat allerlei diaconale aangelegenheden in de bijbel worden genoemd, zonder dat er direct sprake van is dat daar diakenen bij betrokken zijn. Sterker nog: er is diaconaat voordat er diakenen zijn. Maar dat is begrijpelijk omdat het gaat om dienst vanuit Christus. Die dienst gaat vóór alles, ook de ambtelijke invulling, uit.

Het woord diaconaat heeft ook in zich dat het gaat om een vrijwillige zaak. Deze dienst wordt ons niet opgelegd, maar voorgehouden. Zodra er dwang van welke soort ook wordt toegepast is er geen diaconaat meer. Gedwongen dienst lijkt veel op slavernij. Dat is het geval met veel mensen, ze zijn slaaf van de zonde, staan in dienst van de zonde. Maar als we door de genade van Christus daarvan worden bevrijd, zijn we Zijn slaven. Dat betekent vrij om voor God en de naaste te leven. Dan is er ruimte voor de vrijwillige dienst, het ware diaconaat.

De gave van de dienst is niet in de eerste of enige plaats een zaak van individuele personen, maar van de gemeente. Christus geeft die gave niet uitsluitend aan b.v. diakenen, maar aan Zijn Lichaam. Echter om die gave goed te laten functioneren, tot zijn recht te laten komen, wordt het ambt van diaken ingesteld. Er zijn mensen die van de Here gaven hebben gekregen om de dienst van de gemeente goed te laten „werken”. Anderen kregen van Hem gave voor het pastoraat.

Een belangrijke tekst in dit verband is Ef. 4, 11 en 12, waar Paulus betoogt dat de ambten gegeven zijn „om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus…..” Er is sprake van samenhang tussen diaken en gemeente. De gemeente heeft de diaken nodig om haar toe te rusten. En uiteraard is een diaken zonder gemeente ondenkbaar, behalve bij een rooms-katholieke ambtsopvatting.

Vanuit de hiervoor geschetste gedachtengang komen twee praktische vragen op. De eerste is: wat is de inhoud van de dienst van de gemeente? De tweede: welke is de taak van de diaken daarbij? Deze vragen hebben alles te maken met het „dagelijkse” werk van de diaken.

We kunnen ons afvragen of de inhoud van de dienst niet voorgoed vastligt. Er zijn immers bijbelse gegevens, er is de gereformeerde traditie en daarbinnen dient zich diaconaat te bewegen. Andere elementen dan deze twee zijn vreemde elementen die geen plaats behoren te krijgen. Het is heel goed mogelijk principieel dit zo vast te stellen, tegelijk blijkt in de praktijk dat er nog meer genoemd moet worden.

Prof. dr. W.H. Velema schrijft in zijn artikel „Bijbelse gegevens over het diaconaat” (Diakonaal Handboek, 70.00 - blz. 9) dat er vier fasen zijn in de geschiedenis van het diaconaat. „In de eerste fase was de diaconale taak beperkt tot de kerkelijke armenzorg. Daarna werd ze uitgebreid tot het bewijzen van barmhartigheid aan alle behoeftigen; dus behalve aan armen ook aan de zieken, de invaliden, sociaal onaangepasten en alcoholisten, om enkele voorbeelden te noemen. In de derde fase gold de omschrijving van het diaconaat: helpen waar geen helper is. Terwijl als vierde fase genoemd kan worden: het componeren en integreren van de gemeenschap. In de ontwikkeling werden steeds nieuwe facetten ontdekt, die er ook bij hoorden”. Wanneer wij nieuwe kanten aan het diaconaat mogen ontdekken, mogen we die, ook binnen de kaders van Schrift en belijdenis, een plaats geven. Een bekend voorbeeld van zo’n langzaam veranderende visie is de kijk op de slavernij. Bij Paulus was slavernij nog heel gewoon. Maar de brieven van Paulus spreken op zo’n manier over het omgaan met elkaar dat christenen na verloop van tijd tot de ontdekking kwamen dat slavernij niet kan en mag.

Dat verdiepen van onze kijk op de dingen gebeurt doordat we blijven luisteren naar Gods Woord, de bijbel. Het gebeurt ook doordat we in de praktijk van het diaconaat met verschillende mensen en met verschillende problemen te maken krijgen. In die situaties kennen we geen standaardoplossingen, maar proberen we in te gaan op de nood van deze concrete mens.

Om goed te kunnen dienen, zullen we dichtbij de mensen moeten blijven. Een gemeente die haar diaconaat verricht met één oor luisterend naar de bijbel en met het andere oor naar de nood van de mens kan vervolgens haar handen gebruiken op een goede manier. Goed, omdat God en de medemens „gehoord” zijn en alleen binnen die twee sporen kan de diaconale creativiteit vruchtbaar werken.

Een voorbeeld hiervan is de kerkelijke hulpverlening, ook wel werelddiaconaat genoemd. Een paar eeuwen geleden was deze hulpverlening eenvoudig onmogelijk. Door de grotere mogelijkheid tot kennisnemen van wat elders gebeurt, is tegelijk de diaconale verantwoordelijkheid èn - mogelijkheid toegenomen.

Diaconaat als dienst vanuit Christus vraagt van ons de inspanning om vandaag die dienst te realiseren in denken en doen. Wat is vandaag de dag diaconaat? Waar dienen we op attent te zijn? Hoe is onze aandacht gericht?

Ik gaf al aan dat het gaat om dienst vanuit Christus. Dat houdt tevens in dat het gaat om het heil van Christus. Het heil dat Hij genadig aan zondaren schenkt maakt zondaren rechtvaardig voor God. Genade en recht zijn niet alleen maar woorden uit de dogmatiek, maar ze vinden hun diaconale tegenhanger in de woorden barmhartigheid en gerechtigheid. Woorden die bij elkaar horen omdat ze, gezien vanuit het diaconaat, het ene heil uitdrukken.

Nu wordt het woord gerechtigheid vandaag de dag veel gebruikt. Allerlei personen en groepen gebruiken het woord, vaak om daarmee het eigen gelijk te bewijzen. Dat heeft tot gevolg dat het gebruik ervan mensen doet schrikken en negatieve reacties oproept. Maar wij moeten ons een goed bijbels woord niet af laten pakken! Luther verzette zich toen Rome de genade wilde „afpakken”, want daardoor werd het heil afgepakt, gereduceerd. Wanneer wij gerechtigheid in handen laten van mensen die er niet schriftuurlijke bedoelingen mee hebben, lopen we een soortgelijk risico. Dan houden we, vanuit de diaconale gezichtshoek gezien, één kant van de medaille over, nl. barmhartigheid. Door de reductie van deze twee tot één, blijft er van die ene vaak slechts een karikatuur over. De karikatuur van barmhartigheid is de liefdadigheid. Die is vandaag erg in, vooral als het samengaat met goklust. TV-uitzendingen met hoge kijkcijfers zijn het gevolg. Maar het is duidelijk dat we hier ver weg zijn bij bijbelse grondslagen.

In Deut. 24, 10-13 wordt een voorbeeld gegeven van de eenheid van barmhartigheid en gerechtigheid. De schuldeiser heeft recht op een pand, tegelijk wordt geboden uit het oogpunt van erbarmen dat de mantel die als pand gegeven wordt ’s avonds wordt teruggegeven. Dat erbarmen is het recht van de arme. Echte barmhartigheid laat dus de ander tot zijn recht komen. Misschien is dat wel een verdieping in ons denken en doen met betrekking tot het diaconaat in onze tijd. In een moment van bezinning zou van hieruit de dienst van het Lichaam van Christus eens bekeken kunnen worden.

Ook met betrekking tot de taak van de diaken verwijs ik weer naar het artikel van prof. dr. W.H. Velema in het Diakonaal Handboek. „Merkwaardig dat dienstbetoon in het Grieks omschreven wordt als „werk van de diaconie”. De gemeente heeft dus een diaconale taak. Tot de uitoefening van dat diaconale werk moeten de ambtsdragers de gemeente stimuleren…. Ze moeten niet enkel zelf diaconaal werk doen, ze moeten de gemeente tot diaconaal werk brèngen. Als zij zich beperken tot het diaconale werk, vergeten ze dat de eerste opdracht voor diaconale arbeid bij de gemeente ligt. Door verkorting van de actieradius van het diaconaat, verzwaren ze hun eigen taak onnodig en onnoemelijk.”

Diakenen zijn over het algemeen mensen die zich erg inzetten en een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Op een diaken wordt zelden tevergeefs een beroep gedaan. Tegelijk is het zó, dat naar de taak van de diaken anders wordt gekeken dan naar die van ouderling. Voor veel leden van de gemeente is het werk van de diaken zeer beperkt. Er is soms sprake van een negatief beeld van het werk en het ambt van diaken. Dat gaat gepaard met een „minder” waardig achten van dit ambt met dat van ouderling, niet zo zeer in theorie, als wel in de praktijk. Maar die onbekendheid en onderwaardering roept een kritische vraag op.

Hebben de diakenen zich soms te veel beperkt tot het zelf doen van het diaconale werk? Is vergeten dat diaconaat een taak is van de gemeente? Is voldoende aandacht gegeven aan de „toerusting van de heiligen”?

Of, anders gezegd: in hoeverre is de onbekendheid en onderwaardering van het werk van de diaken door hemzelf in de hand gewerkt doordat hij zich meer met bijzaken en minder met hoofdzaken bezighield?

Ook deze vraag kan misschien in een moment van bezinning tot gesprek over ons functioneren leiden. Want zolang de gedachte leeft dat de gemeente het diaconale werk kan delegeren aan de diakenen blijven die het druk hebben en staat de wereld op zijn kop.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.