+ Meer informatie

De liturgie vraagt de aandacht II

9 minuten leestijd

Bijzonder karakter

In ons vorige art. wezen we er op dat de ware christelijke dienst van God om uitdrukking daarvan in vormen vraagt. Dit vormt dan de liturgie. Toch is hier onderscheiding nodig. Niet alle vormen van dienst van God betitelen we met de naam liturgie.

De vormen, waarin wij in ons persoonlijk leven, aan ons dienen van de Heere uitdrukking geven, als het bidden en persoonlijk bijbellezen, zullen we geen liturgie noemen.

Evenmin doen wij dit met die vormen, waarin de gezinskring God dient. De Schriftlezing, het gebed, het zingen daar kan men ook geen liturgie in de eigenlijke zin noemen Men mag het bestempelen met de naam huisgodsdienst maar bij deze naam kan men ook alweer aan een huiselijke vervanging van de kerkdienst denken.

De vraag is wel gesteld en ook verschillend beantwoord of de kerk leiding moet geven aan deze huiselijke vormen van het dienen van God. In onze liturgische geschriften vinden we nog wel enkele aanwijzingen daarvoor maar het is toch niet de taak van de kerk om door bepaalde regels hier leiding te geven. Dit is veel meer een taak voor de catechisatie en het huisbezoek.

Wanneer onder ons allerlei vergaderingen „op de gebruikelijke wijze” geopend en gesloten worden kan dit ook geen liturgie in de eigenlijke zin van het woord heten evenmin wanneer een college, een les of een bespreking met gebed „geopend worden” gelijk de term luidt.

Wij spreken van liturgie in de samenkomst der gemeente, de onderlinge bijeenkomst, zoals de Schrift zegt. Aanvankelijk mag de grens tussen de samenkomsten in de huizen en de gemeentelijke samenkomst niet zo scherp gemarkeerd geweest zijn, de vergaderde gemeente dient God en geeft daaraan uitdrukking in een bepaalde orde van deze dienst.

Dit geschiedt openbaar en onder leiding van de ambten. De kerkdienst is geen besloten, geheime, vergadering. Ook niet-leden kunnen komen. Zij dienen zelfs op voorkomende wijze ontvangen te worden. Vroeger gaf men ook liturgisch soms een plaats aan deze kerkgangers. Bij de zegen groet, die toen een andere plaats in de orde van dienst had dan thans, werden zij aangesproken als „degenen die met ons samengekomen zijn om Gods aangezicht te zoeken en Zijn Woord te horen’. Het was wel erg vriendelijk dit te doen, maar liturgisch gezien niet juist.


„Ambtelijk Contact” past zich ook dit jaar weer aan bij het wat rustiger tempo van de zomermaanden: In augustus zal het blad niet verschijnen. Het eerstvolgende nurpmer kunt U dus medio september verwachten.

De redactie wenst alle lezers een goede vakantie.


Omdat de gemeente samenkomt moet zij ook aldus worden aangesproken en zijn aanspraken als „toehoorders” of „geachte luisteraars” misplaatst.

Juist omdat het samenkomen van de gemeente des Heeren een bijzonder karakter geeft aan wat er in deze samenkomst gebeurt, moet men deze vormen ook niet overbrengen op een vergadering. Het komt voor dat men politieke en maatschappelijke vergaderingen inricht op de wijze van een kerkdienst, vooral wanneer daar een predikant een „lezing” of een „tijdrede” houdt. Doet men dit dan verliest men het bijzonder karakter van de samenkomst der gemeente uit het oog.

Waarop valt de nadruk?

Wanneer we ons nu wat nader gaan bezinnen op wat er eigenlijk in de kerkdienst plaats vindt en verwacht kan worden, komen we met de grondvragen van de liturgie in aanraking. Het is juist van deze grondvragen uit dat de verschillende typen van liturgie uiteengaan, hoeveel overeenkomstigs er overigens, bij een eerste waarneming, ook mag zijn. Boven dit onderdeel had ik ook kunnen plaatsen de titel: „Theologie en Liturgie”, want inderdaad gaat het hier om theologische uitgangspunten. Leer en liturgie hangen op het nauwst samen. Er worden in de liturgie bepaalde vormen en handelingen gekozen en in een bepaalde orde gesteld, omdat men van bepaalde theologische gezichtspunten uitgaat. Zoals er een nauw verband is tussen belijdenis en prediking zo ook tussen liturgie en belijdenis. Uiteindelijk gaan deze verhoudingen weer terug op het aanvaarden en verstaan van de Heilige Schrift. Wij betreuren dit verband niet, integendeel deze visie is juist en daarom dient ook elke ambtsdrager zich bewust te zijn dat liturgie geen kwestie van willekeur of fantasie is, maar dat dogma en liturgie op het allernauwst saamhangen en daarom ook met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Een paar voorbeelden zullen dit hopelijk duidelijk maken.

a. Bij Rome.

In elke Roomse kerk en -dienst staat het altaar centraal. Daaromheen beweegt zich het overgrote deel van de dienst, die door de priester en zijn helpers, allen in bijzondere kledij, geleid wordt.

De gemeente ziet toe en luistert. Het koor zingt en de priester spreekt veelal in een taal — het latijn, die het volk niet verstaat. Het grootste deel van de dienst staat of handelt de priester met de rug naar het volk. De gemeente mag dit alles „bijwonen”. Wel mag zij aan de communiebank — tussen altaar en gemeente — knielend de ouwel ontvangen, die, door de consecratie, geacht, wordt het werkelijk lichaam van Christus te zijn.

Dit is het klassieke patroon. Wel zijn er in de laatste tijd allerlei discussies binnen Rome gaande of er in deze liturgie geen veranderingen dienen te worden aangebracht.

Is deze vorm willekeurig? Neen, zij hangt met de leer van Rome saam. Allereerst al de beschouwing van kerk en ambt. Deze beschikken eigenlijk over het heil en delen dit uit. Er wordt maar niet over het heil gesproken; het wordt als werkelijkheid uitgedeeld in de sacramenten, waarvan de communie wel één van de voornaamste is.

Christus wordt dan ook werkelijk aanwezig geacht op het altaar in het z.g.n. tabernakel, waarin de hostie bewaard wordt. Vandaar de aanbidding, in allerlei vorm. rond het altaar.

De prediking heeft een totaal aan het sacrament en de aanbidding ondergeschikte plaats.

Verder stelt Rome dat herhaling van het offer van Christus op bijzondere wijze op het altaar door de priester de kracht van Christus werk effectief maakt voor de gelovigen. (Zie zondag 30 v. d. H. Catech.)

Het zeer bijzondere van de dienst van de priester moet uitkomen in de bijzondere kleding, die hem als het ware tot een soort tussenwezen tussen God en de kerk maakt. Vandaar ook de zeer bijzondere wijding daartoe en een leefwijze die daarbij behoort.

De gelovigen komen naar de kerk om daar bij te wonen wat vóór hen verricht wordt en om in de meest concrete zin iets te ontvangen, wanneer zij ter communie gaan.

Deze — nog onvolledige — aanduidingen maken begrijpelijk, dat dergelijke theologische uitgangspunten, waarbij het op een bepaalde wijze verstaan van de Schrift in het geding is. tot een liturgie aanleiding zijn. die een structuur heeft. die deze dogmatische visie tot uitdrukking brengt.

Zo blijkt het nauwe verband tussen theologie en liturgie.

Dit zou ook kunnen worden aangetoond van b.v. de Griekse kerk. die weer een eigen type van liturgie vertoont. Deze ligt echter zo ver buiten onze gezichtskring, dat ons dit weinig zou zeggen.

Wel wijs ik nog op één stroming op protestants erf. Het is de z.g.n. Liturgische beweging, die in ons land sterk op gang gekomen is onder wijlen prof. v.d. Leeuw. Bij deze liturgie krijgt heel de dienst een sacramenteel karakter. Zij draagt de krachten van Christus ons toe in al de vormen van de dienst, waarvan het H. Avondmaal het hoogtepunt vormt. De dienst zelf is daar met haar geestelijke geladenheid het middel tot gemeenschap met de levende Heere.

b. bij de Reformatie

In het bovenstaande zal het opgevallen zijn dat zulk een geringe plaats werd ingeruimd voor de bediening van het Woord Gods. Dit is nu juist het centrale punt dat door de Reformatie weer de hoofdzaak in de dienst geworden is. Men heeft de kerk van sacraments- en liturgiekerk weer tot Woord-kerk gemaakt. En hierbij ging heel de dogmatische visie van de Reformatie weer meespreken in de opbouw van de liturgie. Het sterkst is dit wel het geval geweest in die stroming in de Reformatie, die later het Calvinistisch stempel ontving.

Men heeft wel eens gezegd dat de Reformatie de tyrannie van de preekstoel gebracht heeft. Men bedoelde dit dan in afkeurende zin maar had met dit zeggen toch de kern van de reformatie in liturgisch opzicht geraakt.

Het evangelie van het werk van de Christus, dat door het geloof verstaan en omhelsd werd, was voor de Reformatie alles. Zijn werk was af en genoegzaam voor wie het door de Heilige Geest verstaan mocht. De Geest werkt dit geloof door het evangelie: het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods, zo beleed de Calvijnse reformatie.

En deze Christus is nu in de hemel al blijft Hij met Zijn genade, majesteit en Geest bij de Zijnen. Dichter dan door het Woord komt Christus niet tot de Zijnen, Die Hij door zijn Woord toespreekt, onderwijst en verzekert.

Liturgisch viel hiermede het herhaalde offer en de aanbidding van de lichamelijke Christus. De priester heeft geen bemiddelende rol om Christus op aarde te doen komen. Hij staat dan ook niet met de rug naar de gemeente maar maakt letterlijk rechtsomkeert en spreekt het volk aan.

En het was volkomen juist wat Zwingli deed, toen hij het altaar afbrak en op dezelfde plaats van de stenen een preekstoel bouwde. De kerk beschikt niet over de genade, deze wordt door Geest en Woord ontvangen, door een ieder die bekering en geloof beoefent. En de sacramenten bevestigen deze genadewoorden Gods terwijl zij deze tegelijk uitbeelden voor het geloof, dat door het verstaan en het gebruik daarvan versterkt wordt.

Christus’ verzoening is alles en het heiligdom waar deze allereerst haar kracht oefent is boven in de hemel waar Christus ter rechterhand Gods is. De plaats waar de gemeente vergadert is daarom ook geen heiligdom omdat God er op bijzondere wijze woont; het is de vergaderplaats der gemeente, waar niet de priester geheimzinnige handelingen verricht en in een vreemde taal spreekt maar waar het Woord openligt en de dienaar des Woords de woorden Gods opent. De kerken der Reformatie werden kale en sobere kerken maar als een machtige belijdenis lag en ligt er het Woord Gods in de landstaal op de kansel. En de gemeente? Zij is niet meer de groep „leken’, het onmondige volk, dat maar op gezag dient te geloven wat de kerk zegt en accepteren wat zij geeft; het is het mondige volk des Heeren, dat zeker onderwezen moeten worden — wat heeft de Reformatie daar een werk voor gedaan! — maar dat zelf God dient en deelneemt aan de dienst, waarbij de dienaar vóór gaat.

Het geheimzinnige en ingewikkelde maakte plaats voor het sobere en doorzichtige. De beeldenstorm sloeg hard toe, hier en daar wel harder dan nodig was, maar het geschiedde uit een zuiver besef: leer en liturgie hangen op het nauwste saam; maar ook: waar het Woord heerschappij voert krijgt de liturgie een ondergeschikte plaats. Welke? Dat zien wij verder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.