+ Meer informatie

Nieuwe liturgische formulieren (in concept)

6 minuten leestijd

De kerkeraden hebben via het Kerkelijk Bureau vier formulieren ontvangen, die door de deputaten voor de eredienst in opdracht van de Generale Synode gereedgemaakt zijn. Het zijn twee doopsformulie-ren: het formulier voor de kinderdoop en dat voor de doop van volwassenen, en twee avondmaalsformulieren: het bekende formulier en een nieuw, dat veel korter is.

Er is een schrijven bij, maar dat is meer als een kennisgeving dan als een toelichting bedoeld. Voor meer gegevens moet men de Acta van meer dan één generale synode raadplegen. Het is in verband met de besprekingen op de kerkeraadsvergaderingen wellicht niet overbodig om in „Ambtelijk Contact” enkele opmerkingen te maken over deze conceptformulieren.

Misschien zegt iemand: Alweer wat nieuws! Zoals bekend zal zijn, heeft de synode van 1965/'66 naar aanleiding van instructies van twee particuliere synodes deputaten benoemd voor de herziening van de liturgische formulieren (Acta, art. 198). Niet voor alle liturgische geschriften was dat even dringend. Bij sommige waren grondige wijzigingen gewenst, bij andere niet.

Wat het meest nodig is, moet het eerst gedaan worden. Men begon met een nieuw huwelijksformulier en nieuwe formulieren voor de bevestiging van ambtsdragers — ze zijn medio 1969 in een voorlopige uitgave aan de kerkeraden toegezonden en verkrijgbaar gesteld.

Voorzover ik kan nagaan, voldoen deze formulieren wel. Of wordt in de kerken gedacht, dat de oude formulieren toch beter zijn? Dat kan ik mij niet voorstellen.

De inzet van het oude huwelijksformulier was heel realistisch: veel tegenspoed en kruis vanwege de zonde. Wie zou het ontkennen? Het is dan ook niet geschrapt, maar het staat nu op een andere plaats. En was het wel juist, dat een derde oorzaak op één lijn gesteld werd met de andere oorzaken, waarom God het huwelijk heeft ingesteld?

De wijze waarop over rijken en armen in het bevestigingsformulier voor diakenen gesproken werd, deed vreemd aan. Bij deze gelegenheid behoefde toch ook niet aan de gemeente (of aan de armen?) voorgehouden te worden: Die gestolen heeft, stele niet meer?

Dit zijn maar enkele voorbeelden. Er zou meer te noemen zijn. Er moest ook naar gestreefd worden om het korter en bondiger te zeggen.

Ditmaal vragen de formulieren voor de bediening van de sacramenten de aandacht. In een van de vroegere rapporten over de liturgische geschriften is al opgemerkt, dat de structuur hiervan onaangetast moet blijven. Het zou te betreuren zijn, als er iets wezenlijks van verloren ging.

Dat betekent niet, dat er in het geheel niets mag worden weggelaten of toegevoegd. Wie denkt hier niet aan de opsomming van al degenen die zich moeten onthouden van de tafel des Heren, „als daar zijn alle afgodendienaars; allen die gestorven heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen” enz.? Deze passage herinnert wel heel sterk aan de situatie in de zestiende eeuw, neemt een onevenredig grote plaats in en valt in deze vorm uit de toon. De sleutelen van het Koninkrijk der hemelen moeten worden bediend, maar dat kan toch ook in andere bewoordingen zonder een afzonderlijke vermelding van een aantal categorieën van zondaren?

Nu wordt voorgesteld: „Allen die geen droefheid over hun zonden kennen, niet op Gods beloften vertrouwen en in ongehoorzaamheid voortleven, verkondigen wij dat zij geen deel in het rijk van Christus hebben”.

Vanuit de kerken was gevraagd om een bredere uitwerking van het eschatologisch motief. Het gaat om een verkondigen van de dood des Heren, totdat Hij komt. Klinkt dit voldoende door in ons formulier? In het concept lezen wij: „Met groot verlangen zien wij uit naar het bruilofsmaal van het Lam, waaraan wij de gemeenschap met Hem ten volle zullen genieten”.

In het klassieke avondmaalsformulier treffen wij allerlei zinswendingen aan, waarmee wij vertrouwd geraakt zijn, zoals de zin met het „nochtans, desniettegenstaande, overmits”, maar die vooral een jongere generatie toch wel moeilijk vindt. Maar dat „nochtans” zouden wij niet willen missen. Het Gebed des Heren komt tweemaal in ons avondmaalsformulier voor. Noodzakelijk is dat niet. Aan de apostolische geloofsbelijdenis kan ook een andere plaats gegeven worden: niet in, maar na het gebed, of in het laatste gedeelte van de dienst. Bij dit formulier zijn dus enige bekortingen en vereenvoudigingen mogelijk.

Bij een vergelijking van de concept-formulieren voor de doopsbediening met de oude formulieren blijken verouderde woorden en uitdrukkingen vervangen te zijn door meer gangbare. De zinnen zijn niet zo lang meer. Hier en daar kon iets verduidelijkt worden. Natuurlijk zijn er wel vragen te stellen. In het gebed staat: „dit Uw kind”. Zo stond het ook in het formulier van de Pfalz. Er is veel voor om dit niet te veranderen, als men bedenkt, dat dit de reformatorische spreekwijze is en dat deze teruggaat op het Woord, waarin God het verbondsvolk Zijn volk, Zijn kinderen noemt. Veronderstelde wedergeboorte? Daar is geen sprake van, want er wordt juist gebeden om de inlijving in Christus door de Heilige Geest.

In het formulier om de heilige Doop te bedienen aan volwassenen worden vijf vragen gesteld, die anders luiden dan de vragen die doopleden moeten beantwoorden, als zij belijdenis doen van hun geloof.

Waarom eigenlijk?

Het behoorde tot de opdracht van het de-putaatschap om een nieuw formulier op te stellen voor de avondmaalsviering in de tweede dienst.

Het is in het geheel niet de bedoeling om ons avondmaalsformulier door een nieuw formulier te vervangen. Maar hos wordt thans het heilig Avondmaal in een tweede dienst gevierd? Soms zonder formulier, omdat deze dienst als een voortzetting van de morgendienst wordt beschouwd. Maar dat kan men m.i. niet volhouden. Soms met een korte inleiding, ontleend aan het formulier of aan de prediking van de morgendienst. Maar dat heeft het bezwaar van de herhaling. Ons prachtige avondmaalsformulier wordt niet zelden in drie keer gelezen - een deel bij de voorbereiding, een deel bij de viering en een deel bij de dankzegging - terwijl het een eenheid is.

Nu is er een formulier voor de bediening van het heilig Avondmaal in de tweede dienst ontworpen, waarin de gedachtengang van het klassieke formulier van het begin tot het einde te herkennen is, maar dat toch een tweede formulier genoemd kan worden.

Het eerste begint met 1 Kor. 11:23–29, het tweede met Luk. 22:14–20. Bij de dankzegging of lofprijzing worden ook nu woorden uit de Heilige Schrift gelezen, alleen nu uit Ef. 2 en Ef. 3.

Het behoeft geen betoog, dat de liturgische geschriften door de kerken gewijzigd mogen worden, als daar reden voor is. Prof. W. Kremer heeft er in „Ambtelijk Contact” al eens over geschreven (nr. 32 en nr. 62 - nov. 1964 en okt. 1967).

In de zestiende en zeventiende eeuw zijn in de tekst van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zelfs meer dan eens veranderingen aangebracht. Onze vaderen zullen niet verwacht hebben, dat de formulieren voor de eredienst, die toch niet dezelfde betekenis hebben als de belijdenisgeschriften, altijd letterlijk gelijk zouden blijven. Wij spreken de taal van onze voorouders ook niet meer. De tijd gaat voort en de afstand groeit.

Moet men dan maar vrijer met de formulieren omgaan en eventueel zijn toevlucht nemen tot die van andere kerken? Dat zou verwarrend werken. In de eredienst behoort alles in goede orde te geschieden.

De concepten die nu aan de kerkelijke vergaderingen werden voorgelegd, zijn voor verbetering vatbaar. In de kerk is alleen het beste goed genoeg!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.