+ Meer informatie

OP GELOVEN KOMT HET AAN

8 minuten leestijd

GELOOF — EEN BIJBELSE RODE LIJN

Dat geloof belangrijk is, geloven velen wel. Mensen die niets met de Bijbel of de kerk hebben uit te staan, zeggen soms toch: ‘Je moet niet denken dat ik niet geloof!’ Met hen zul je dus zeker over het belang van het geloof kunnen spreken.

Met mensen in de kerk is daar in ieder geval alle reden voor. Geloven staat immers heel centraal in de Bijbel, en daarom ook in de kerk.

In het Oude Testament gaat het vooral om het werkwoord ‘geloven’. Daarbij gaat het om het als vast en waar beschouwen van iets, maar tegelijk houdt dat een relatie tot God in die heel de mens omvat. Zo werd Abraham de vader van de gelovigen, omdat hij in de HERE geloofde op het Woord! (Gen. 15:6; Rom. 4:1, 11, 12). Had Abraham niet geloofd, dan was het niet tot die levensrelatie met God de HERE gekomen die hem tot de vriend van God maakte (Jak. 2:23).

Een enkele keer moet in het OT het woord dat doorgaans ‘trouw’ betekent worden weergegeven met ‘geloof’ (Hab. 2:4). We vinden het herhaaldelijk in het NT geciteerd: De rechtvaardige zal uit geloof leven (Rom. 1:17; Gal. 3:11; Hebr. 10:38). Rechtvaardig zijn — en dat heeft steeds te maken met ons kunnen bestaan voor Gods aangezicht — dat is pas leven! En dat kan alleen maar door te geloven in God! Op diezelfde plaats in Romeinen 1 zegt Paulus, dat Gods gerechtigheid ‘uit geloof tot geloof’ is. Dat houdt in dat een gerechtvaardigde zondaar zijn leven lang aangewezen blijft op het geloof.

Geloven is voorwaarde voor wat leven tot echt leven maakt. Eeuwig leven is voor wie in Mij gelooft, zegt Jezus tegen Nikodemus, en dat echoot steeds weer in het evangelie van Johannes: Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven (Joh. 3:15, 16, 18, 36; 5:24; 6:29,35, 40, 47).

De gemeente in het NT is kenbaar aan dat geloof waar ze deelgenoot van is geworden. Zonder dat geloof is er de dood, het oordeel; in het geloof is er het leven en vrede. Wie in de Zoon gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God (Joh. 3:18, 36). Het al of niet hebben van geloof zet het leven van een mens op scherp.

Tot in de uiterste, eeuwige consequenties klinkt dat in het boek Openbaring door. In combinatie met volharding deelt het geloof, door de ergste verdrukkingen en manifestaties van de aan God vijandige machten heen, in de zalige gemeenschap met Christus (Op. 13:10; 14:12–13). Juist het geloof onderscheidt hen van degenen die onder het oordeel van de Zoon des mensen met de gramschap van God te maken krijgen (Op. 14:14–20).

GOD EN MENS GEEN CONCURRENTEN

Als het er dus zo op aankomt, heeft de roeping tot geloven een heel grote klem. Dat mogen we ook best voelen! Het kwam al ter sprake in deze serie, bij de bespreking van het woord ‘roeping’.

Legt die klem dus de beslissing van voor eeuwig behouden worden of verloren gaan geheel in onze handen? En hebben die christenen gelijk die daar alle nadruk op leggen? Die zeggen: ‘Jij beslist zelf of je zalig wordt, en je kunt dat ook’? Die vergeten dan echter, dat het geloof gewerkt wordt door de Heilige Geest! Zalig worden is ‘vrijgekocht worden uit de mensen’ (Op. 14:1–5). En het initiatief daartoe ligt niet bij ons maar bij de verkiezende liefde van de drie-enige God (Luk. 22:32; Joh. 15:16; Ef. l:4w; 2:8–10 etc. etc).

Het is karakteristiek voor het geloof dat daarbij alle aandacht wordt gevestigd op Christus, en op het Woord, en op het kennen van het heil dat buiten de mens ligt. Keer op keer blijkt hoe de Heilige Geest de Geest der genade en der gebeden is (Zach. 12:10; Hebr. 10:29). Wanneer de mens geroepen wordt tot geloof, en hij zelf gáát geloven — waarbij hij dus volstrekt wordt ingeschakeld! — dan wordt geheel duidelijk, dat de Geest van God en de menselijke activiteit geen concurrenten zijn. Juist het geloof doet een mens zeggen, dat alles genade is: ‘Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade’ (Rom. 4:16).

HET GELOOF ALS LEGE HAND ÉN ALS PERSOONLIJKE RELATIE

Onze belijdenis benadrukt, dat het geloof niet anders is dan een instrument, dat ons met Christus in de gemeenschap van al zijn goederen houdt (NGB art. 22). Het geloof zelf is net zo leeg als een hand die iets ontvangt. Er is terecht gezegd, dat in de uitsluiting van de eigen waardigheid juist de ware aard van het echte geloof zichtbaar wordt (G.C. Berkouwer).

Het geloof is dus niet niks! Maar zonder de genade en liefde van God in Christus is het wel niks. Dan is het als ademhalen zonder dat er zuurstof is, en als roeien zonder water, en als liefhebben zonder dat er iemand is om lief te hebben.

Het is zinvol te letten op de definitie die Calvijn geeft van het geloof. Hij noemt het ‘de vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, die gegrond is in de waarheid van zijn genadige belofte in Christus, en door de Heilige Geest aan ons verstand wordt geopenbaard en aan ons hart bezegeld.’ (Institutie 2,2,7).

Door de nadruk te leggen op het kennen als het eigene van het geloof komt ook het relatiekarakter van het geloof in beeld. In de Bijbel is kennen immers een woord met een heel persoonlijke diepte. Het heeft de klank van de liefde. Het is niet het weten van iets, maar het verbonden zijn aan iemand. Men heeft Calvijn wel eens verweten, dat zijn omschrijving het geloof nogal verstandelijk voorstelt, maar dan wordt het bijbelse gehalte van het intieme kennen gemist, dat er in mee klinkt. Eigenlijk gaat het om precies hetzelfde als wat de Heidelbergse Catechismus zegt, die het geloof omschrijft als ‘een zeker weten en een vast vertrouwen’ (antw. 21). Dat in de belijdenis het geloof ‘alleen maar een instrument’ heet, dient dus om vooral met te denken dat ons geloven een mooie activiteit is die wat waard is voor God. We moeten het immers meteen over de inhoud van het geloof hebben, en dan gaat het helemaal niet meer over iets van ons. Dan gaat het over de zondaarsliefde van onze God; dan gaat het over het Borgwerk van de Here Jezus; dan gaat het over de genade van de Heilige Geest die deze rijkdommen voor ons opent. En dat is een leven in de gemeenschap met Christus!

GELOVEN OMVAT ONS HELE BESTAAN

Het geloof staat niet aan de buitenkant van ons leven, als iets dat naar believen kan worden aangehaakt en ook wel weer kan worden losgekoppeld. Het raakt ons hart, het centrum van ons bestaan. Wie werkelijk gelooft, kan zich feitelijk een leven zonder de Here niet indenken. Die relatie is daarvoor te zeer verweven met ons hele bestaan. Het is net zo iets als getrouwd zijn, of kind zijn van je ouders, of vader of moeder zijn van je kind. Dat ben je niet even, dat ben je altijd.

Soms worden mensen ermee aangevochten of ze wel echt het geloof hebben. Dan kan deze vraag hen wellicht helpen: Of ze zich een leven kunnen voorstellen zonder de Here Jezus Christus, zonder gebed, zonder vergeving, zonder de Bijbel. Wanneer Paulus zegt ‘Met het hart gelooft men tot gerechtigheid’ (Rom. 10:10), dan gaat het daar over die relatie met God, waar de zonde niet meer als barrière tussen zit. Het besef daarvan gaat zo diep als ons hart. Dat is niet zonder ons gevoel, maar het gaat dieper. Het omvat ook het verstand, en ook de wil. Het gaat dan om een besef van vrede met God, en de ondervinding van Gods vertroosting wanneer het Woord van het evangelie ons raakt. Dat Paulus in hetzelfde verband zegt dat het geloof is door het horen van het evangelie, dat komt overeen met de ondervinding van de gelovige! Je hoort je rijk! Je hart gaat er bij open!

HET GELOOF ALS TOETSSTEEN

We worden omringd door alle mogelijke uitingen van religie. Soms brengen getuigenissen van bijzondere ervaringen of bevindingen een mens in de war. Het lijkt dan nodig dat we ook kunnen getuigen van wonderen of openbaringen of heftige gevoelsaandoeningen om te weten dat we echt een kind van God zijn. Ook dat kan een aanvechting zijn.

In de tijd van de apostelen was dat ook al aan de orde. Niet voor niets horen we Paulus zeggen: ‘Wij wandelen in geloof — niet in aanschouwen’ (2 Kor. 5:7) en horen we zijn waarschuwing tegen opgeblazenheid tegenover mensen die weten van manifestaties van engelen, en die zich als een ingewijde beschouwen in bijzondere ervaringen. Hij zegt zelfs dat dat een vleselijke houding is (Kol. 2:18)!

De grondslag van de zaligheid blijft de eenvoud van het geloof. En dat is daaraan te toetsen, dat het als geschenk van de Heilige Geest leeft van en bij het Woord, dat het daarin gaat om het persoonlijk kennen van de Here Jezus en zijn Vader, en dat dat ons hele leven raakt en omvat.

Prof.dr. J.W Maris is emeritus hoogleraar dogmatische vakken aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.