+ Meer informatie

Zijner handen werk

8 minuten leestijd

(23.)

De akker 5. (De oogst)

Zonder de oogst van de andere landbouwproducten voorbij te gaan, hebben we nu speciaal de Korenoogst op het oog. We zullen dan eerst behandelen

1. De oogsttijd. Er is geen sprake van, dat overal in het land de oogst op dezelfde tijd plaats vindt. We moeten hier weer duidelijk onderscheid maken tussen kustgebied, heuvelland en Jordaandal. In het algemeen kunnen we echter wel zeggen, dat de gehele oogst in zeven weken afgelopen kon zijn. Dit is dan de tijd tussen Paasfeest en Pinksterfeest. God zelf had die oogstperiode vastgesteld, door de vroege en de spade regen op de juiste tijd te geven: Laat ons nu de Heere, onze God, vrezen, Die de regen geeft, zo vroege regen als spade regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de gezette tijden van de oogst bewaart." (Jer. 5 : 24.)

De oogst begon dan met het Paasfeest, waarop de eerste schoof gerst in de tempel gebracht werd. Men kan hierover lezen in Lev. 23 : 14. Daarna mocht van de nieuwe oogst gegeten worden. (16 Nisan = begin April.) Andere producten, zoals peulvruchten en vlas zijn dan al rijp en die mochten ook voor het Paasfeest geoogst worden. De wettelijke voorschriften hadden alleen betrekking op het graan. Rachab verbergde de verspieders onder de vlasstengels. Het vlas was toen dus geoogst, terwijl later de tarweoogst begon, zoals uit het vervolg blijkt.

De oogsttijd is ook een blijde tijd: „maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven" (Ps. 126 : 6.) De voorbijbangers groeten de maaiers met de woorden: De zegen des Heeren zij bij u", waarop deze antwoorden: Wij zegenen ulieden in de Naam des Heeren." (Ps. 129 : 8). De tegenwoordige eigenaar zegt tegen zijn maaiers: Spreekt lof over het zaad en de rest, die voor u is." En steeds roepen de maaiers onder het werk door: Er is geen God, dan God." Later wordt onder luid en vrolijk gezang het gemaaide graan naar de dorsvloer gebracht.

2. Het leven tijdens de oogst. De oogsttijd is een zeer drukke tijd. Al de gezinsleden, ook de vrouwen en de kinderen, worden dan ingeschakeld. Mét deze en de vaste arbeiders komt men dan nog vaak arbeidskrachten te kort, zodat aparte „maaiers" gehuurd moeten worden. „De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinigen" (Matth. 9 : 37.) Dat ging altijd lang niet even gemakkelijk.

Tijd om naar huis te gaan eten, is er niet, zelfs bouw-

de men wel een tent of hut in het veld, zodat men ook 's nachts op de akker bleef, om 's morgens weer vroeg te kunnen beginnen. Iedereen deed dit echter niet, er waren er ook, die 's avonds wel naar huis gingen om na het avondmaal, dat dan thuis genuttigd werd, te gaan slapen.

Op het heetst van de dag werd echter een paar uur gerust onder de schaduw van boom of struik of van tent of hutje. Dan werd ook het ontbijt gebruikt: rood in azijn gedoopt en geroost koren. „Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: om hier en eet van het brood, en doop uw bete in de azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over (Ruth 2 : 14). Drinkwater was ook steeds op de akker aanwezig in vaten, die 's morgens door de knechten gevuld werden: als u dorst, zo ga tot de vaten en drink van hetgeen de jongens zullen geschept hebben." (Ruth 2 : 9). De maaiers hadden het dus goed bij „de heer." Er waren echter ook uitzonderingen. Job noemt hen goddelozen: De naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen." (Job 24 : 10.)

3. Het maaien. Het maaien van het graan doet men niet met een zeis, omdat de bodem te steenachtig is, maar met een sikkel. Deze sikkel lijkt wel wat op de onze, maar hij was getand, zoiets als bij een zaag en verder voorzien van een kort handvat. Overigens geschiedde het maaien als bij ons, met dit verschil, dat de Joodse boer zich niet bukte, maar de halmen een 30 cm van de grond af afsloeg. Na de oogst werd het vee op deze stoppelvelden gejaagd, om die stoppels af te eten, terwijl het land daardoor meteen enigszins bemest werd.

De afgeslagen aren worden gewoonlijk door vrouwen en dienstmeisjes opgeraapt, zonder ze altijd tot schoven of garven te binden. Immers het graan hoeft niet op het land te blijven staan om te drogen, zoals bij ons. Het wordt droog gemaaid door de grote hitte en vaak direct naar de dorsvloer vervoerd. Soms gebeurde het binden tot schoven wel, denk maar aan het verhaal van Jozefs droom. (Gen. 37 : 7.) Denkelijk deed men dat om het transport te vergemakkelijken.

4. De zorg voor de armen. Merkwaardig is de zorg voor de armen in de wetten van Mozes. De hoeken van het land mochten niet afgemaaid worden en de gevallen aren mochten niet worden opgeraapt, maar moesten blijven liggen voor de armen. Dat gold ook voor de afgevallen druiven. Wat er na de grote pluk nog aan de wijnstok zat, moest blijven zitten: „Den arme en den vreemdeling zult gij dien overlaten." Ook tegenwoordig houdt men zich in Palestina over 't algemeen nog aan deze bepalingen. Het boek Ruth, speciaal hoofdstuk 2 en 3 geven een uitnemend beeld van de oogst. Ook daar zien we Ruth "aren lezen achter de maaiers aan. Op bevel van Boaz moeten die echter zo nu en dan expres wat laten vallen.

5. Naar de dorsvloer. Kan er om de één of andere oorzaak geen direct transport naar de dorsvloer plaats hebben, dan wordt het afgemaaide graan wel tot grote korenhopen in het veld opgetast. Dat hadden de Filistijnen ook gedaan in Simsons dagen. Daardoor was het succes van Simsons wraak door middel van de fakkels aan de staarten der ossen gebonden, zo groot, want zowel staand koren als korenhopen gingen nu in vlammen op.

Tegenwoordig komen dergelijke wraakoefeningen in Palestina nog voor. „Toen ik op zekere nacht, kort na afloop van de oogst, van Bethlehem naar Jeruzalem reed, werd de Oostelijke horizon aan de overzijde van de Dode Zee plotseling helder verlicht en bemerkte ik een bloedrode vlam, die snel om zich heen greep. Het vuur was zeker een paar uur van mij verwijderd, maar het scheen mij toe, alsof de gehele berg in vlam stond. Later vernam ik, dat iemand brand gesticht had op een grote dorsvloer, die met een rijke voorraad bedekt was. (In het land van de Bijbel door G. A. Aldus en I. Snoek.)

Ligt de dorsvloer niet te ver weg, dan worden de schoven door de vrouwen er naar toe gedragen. Anders gebruikt men daar dieren voor, bv. een ezel. Daar de vracht niet zo erg zwaar is, hangt men hem aan alle kanten vol, breed uit en hoog opgetast, zodat het net lijkt, alsof er een korenhoop aan komt wandelen.

6. De dorsvloer. Voor het dorsen had men in oude tijden, toen er nog geen machines waren, een dorsvloer nodig. Bij ieder dorp of stad vond men er dan ook een. Hij was gemeenschappelijk bezit van de agrarische bevolking. Het was een vlakke plaats of plein, altijd hoger liggende dan de omgeving, omdat de wind zijn invloed moest kunnen laten gelden. Een niet al te hoge vlakke rots kon er voor dienen. Was die er niet, dan moest men een dorsvloer aanleggen door de grond te effenen en met klei te verharden, wat men deed door bevochtigen en dan vasttrappen: Want zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: e dochter van Babel is als een dorsvloer: et is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overhouden" (Jer. 51 : 33.)

Omdat de wind er vrij spel moest hebben, lagen de dorsvloeren buiten het dorp. Ieder heeft aan de rand van de dorsvloer zijn eigen plaats, waar hij zijn geoogst koren opslaat. Daar houdt men de wacht bij, zelfs 's nachts. Zie bv. Boaz (Ruth 3 : 3.)

Enkele dorsvloeren zijn in de Bijbel zeer bekend geworden, bv. die van Arauna de Jebusiet, waarop David offerde na de volkstelling. Later deed Salomo op deze plaats de tempel verrijzen.

Later wil Achab in samenwerking met Josafat, de koning van Juda, een krijgstocht ondernemen tegen Ramoth in Gilead. De beide koningen zitten dan „elk op zijnen troon, bekleed met hunne klederen, op het plein aan de deur der post van Samaria; en al de profeten profeteerden in hunne tegenwoordigheid" (1 Kon. 22 : 10.) Er zijn uitleggers, die dit plein willen houden voor een dorsvloer.

De velden zijn bedekt met kudden De dalen zijn bekleed Met halmen, die van zwaarte schudden, En lonen 's landmans zweet. Zij juichen, elk op zijne wijze; Uw eer klimt uit het stof; Zjj zingen, Uwen naam ten prijze, Uw goedheid en Uw lof. (Ps. 65 : 9.)

W. VAN DIJK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.