+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

18.

Nu wordt de pelgrim in een kamer geleid, waar iemand van zijn legerstede opstond. En terwijl hij zich aankleedde, beefde en rilde hij. Als vanzelf rijst de vraag: „Waarom beeft deze man zo?” Is hij ziek of vloeit dat voort uit de gebreken van de ouderdom?

Van een ziekte of ouderdom kan hier niet gesproken worden. Maar daar heeft iets plaats gehad in zijn slaap, waarbij het gewone en alledaagse leven in het niet verdween.

Maar al beeft en rilt deze man, zo is hij desniettemin nog wel in staat ons te vertellen wat daarvan de oorzaak is. Wat hij dan ook wel wil doen en doet op verzoek van Uitlegger. Vervuld met de ernst van de zaak begon hij aldus te vertellen: „Deze nacht had ik in mijn slaap een droom. Ik zag de hemel zwart worden en ik hoorde het gerommel van de donder, terwijl felle bliksemstralen de lucht doorkliefden en een dodelijke angst zich van mij meester maakte. En in mijn droom zag ik opwaarts en bespeurde dat de wolkenmassa steeds dikker en dreigender werd. Daarop hoorde ik het geluid van een bazuin en op de wolken zag ik een Man, omringd door duizenden heilige engelen. Zij schitterden allen als het licht van de zon en de hemelen hadden een gloed als van vuur. Toen hoorde ik een stem weerklinken: „Staat op, gij doden en komt ten oordeel!” En terstond scheurden de rotsen, de graven werden geopend en de doden kwamen daaruit tevoorschijn. Sommigen waren buitengewoon verblijd en zagen naar de hemel, anderen trachtten zich te verschuilen onder de bergen”.

Zie, de wederkomst van Christus, het staan voor de Rechter van hemel en aarde is hem getoond als de grote werkelijkheid, waarin wij eenmaal zullen gesteld worden. Wie beseft wat deze man in zijn droom doorleefd heeft, kan het zich indenken dat hij beeft en rilt. Hij doorleefde het niet massaal, maar persoonlijk, het raakt hem. Laat toch de wederkomst van Christus, zoals Hij vanuit de Schrift al komende is, op uw hart en leven inwerken. Want de dag van Zijn wederkomst is de grote dag des gerichts. Wij hebben Hem als een Rechter uit de hemel te verwachten.

Hoor maar: „Daarop zag ik hoe Hij, Die op de wolken zat, het boek opende en gebood dat alle mensen vóór Hem zouden verschijnen. Nu bleef er als een vlamme vuurs, die scheiding maakte tussen Hem en allen, die vóór Hem verschenen, als tussen de rechter en de beschuldigden voor de rechterstoel. En ik hoorde Hem, Die op de wolken zat zeggen tot degenen, die Hem omringden: „Vergadert eerst de stoppelen, het kaf en het onkruid en werpt ze in de poel des vuurs!” En op hetzelfde ogenblik opende zich vlak bij de plaats waar ik stond, een bodemloze put en daaruit stegen op dikke rookkolommen en vurige kolen en dat alles ging vergezeld van afgrijselijke geluiden. En nu hoorde men dezelfde stem tot de wachters zeggen: „Brengt de tarwe tezamen in Mijn schuur!” Toen zag ik hoe talloos velen werden opgenomen in de wolken, terwijl ik werd achtergelaten! Ik trachtte mij te verbergen, maar het was mij onmogelijk, want Hij, Die op de wolken zat, hield de ogen op mij gevestigd. Mijn zonden kwamen mij voor de geest en mijn geweten beschuldigde mij. Toen ontwaakte ik”.

Niet alleen het boek van Gods alwetendheid werd geopend, maar ook dat van het geweten. Gods stedehouderes, zijn consciëntie getuigden tegen hem.

In het geweten gaat het om ons weten. De Heere heeft deze man niet laten voortleven in de duisternis der onwetendheid. Hij was gesteld onder het licht van het Evangelie. En nu werd hij door zijn geweten beschuldigd, daar hij het weten van de dag des gerichts, het komen van de Heere op de wolken des hemels, niet ter harte genomen had.

Ons geweten zegt ons dat wij met al ons weten van de dingen der eeuwigheid verantwoordelijk staan tegenover de Heere. Daarop kan niet één woord van verontschuldiging worden ingebracht. Op de vraag: „Maar waarom werd gij zo beangstigd door dit gezicht?” heeft de man geantwoord: „Wel, ik meende dat de dag des oordeels was gekomen en dat ik niet bereid was. Maar wat mij het meest schrik aanjoeg was, dat de engelen er zo velen verzamelden en mij alleen lieten staan, terwijl de hel zich opende vlak bij de plaats waar ik stond. En mijn geweten verontrustte mij ook en het was mij, als hield de Rechter voortdurend Zijn oog op mij gevestigd en als liet Hij de blik vol verontwaardiging op mij rusten!”

De Heere laat ons bij het licht van Zijn Woord blikken in de hel en in het vuur van Zijn verbolgenheid. Vol verontwaardiging liet de Rechter Zijn blik op hem rusten. Verontwaardigd vanwege zijn ongehoorzaamheid en zorgeloosheid.

Met een vlammend vuur zal de Heere wraak doen over degenen, die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Zijn welmenend en dringend roepen tot bekering werd niet ter harte genomen. De Heere had hem gesteld onder de majesteit van Zijn Woord, gearbeid aan zijn ziel, maar de grote zaligheid, die hem gepredikt is, werd door hem veracht.

De man was niet bereid om in te gaan, had geen bruiloftskleed. En hij wist, dat het bruiloftskleed der vernieuwing, der bekering en der verzoening niet gemist kon worden. Maar gelukkig, hij is nog in het heden der genade, de tijd der voorbereiding voor de eeuwigheid is hem nog niet afgesneden. Op deze bange nacht is nog een morgenstond van goedertierenheid aangebroken. Laat ons dan toch letten op het geluk dergenen, die mogen ingaan om altijd bij de Heere te zijn. Wil het overdenken en ter harte nemen, opdat wij door het gewicht der zaak op onze knieën gedrukt werden om tot de Heere te smeken om ontferming. De Heere wil er om gevraagd worden. Hij wacht nog om ons genadig te zijn, wij leven nog in het heden der genade. Hij wil ons nog bijeenvergaderengelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert.

Op de vraag: „Hebt gij dit alles begrepen?” heeft de pelgrim geantwoord: „Ja, en mijn ziel is er door vervuld met hoop en vrees”. Enerzijds is hij vervuld met hoop en anderzijds met vrees. Met hoop is hij vervuld daar hij tot roem van Gods genade mocht gaan door de enge poort. Door Gods goedertierenheid is hij tot bekering gekomen. En in die goedertierenheid heeft hij iets van Gods vergevende liefde in Christus mogen smaken. Al hadden de discipelen Christus nog niet omhelsd in Zijn algenoegzame offerande, zo mochten zij als bruiloftskinderen toch al iets van de hemelvreugde smaken in het hart. Deze levende hoop was in zijn hart soms ook een levendige hoop bij het smaken van het hemelleven. Maar daarom was het nog niet een gegronde hoop. Dat duurde net zo lang als de smaak van Gods goedertierenheid in zijn hart was, en dan werd hij weer vervuld met vrees vanwege het besef nog te staan voor eigen rekening. En dan had hij soms veel meer vrees dan hoop. De vrees van niet in te kunnen gaan, van bedrogen uit te zullen komen, woog hem heel zwaar. Dat deed hem dan des te meer smeken om het waarmakende werk van de Heilige Geest.

En dat alles diende hem tot een spoorslag op de weg, die hij had te gaan. Uitlegger wil niet dat hij zal blijven staan tussen hoop en vrees. Zijn hoop moet gegrond, gefundeerd worden in de enige en algenoegzame offerande van Jezus Christus. Gegrond worden op de Rotssteen, Wiens werk volkomen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.