+ Meer informatie

VRAGENBUS

4 minuten leestijd

I Correspondentie voor deze ruhrieL rmri : I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid

A. v. B. te R. W. schrijft: ..In Ex. 8 t.m. 11 wordt verhaalt van de plagen in Egypte. In de eerste drie wordt geen melding gemaakt, dat de Israëlieten hierin betrokken zijn geweest, wel wordt medegedeeld, dat de volgende plagen Israël niet zouden gelden.

Kunt U mij misschien een opheldering hierin geven of de Israëlieten van de eerste plagen ook last hebben gehad? "

Antwoord: Als de vierde plaag, het ongedierte, over Egypte komt, zegt de Heere tegen Mozes: „En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet, dat Ik de Heere in het midden dezes lands ben. Op grond van deze uitspraak heeft men de neiging te zeggen, dat Israël evenals Egypte geplaagd is met de eerste drie plagen.

De Statenvertaling zwijgt er over, maar Calvijn heeft er toch een gedachte over. Hij schrijft: „Ofschoon dit tot nog toe niet duidelijk is gezegd, zou men het toch wel van de andere plagen kunnen laten gelden. Want het is zeker, dat toen God de straf over de Egyptenaren bracht, niet daaronder allen zonder onderscheid zijn begrepen, en dat daarom Zijn uitverkoren, volk, hetwelk Hij ten Helper wilde zijn, van alle ongemak is verschoond gebleven. Nu echter wordt Farao van dit onderscheid voor het eerst zekerheid verschaft, daar te voren deze bijzondere gunst hem verborgen was gebleven.

Hierdoor werd dit meer dan duidelijk, dat bij Eén, Israëls God, beide de weldaden en de straffen berustte, dat Hij de Zijnen spaart en hen liefderijk en vaderlijk behandelt, daartegen wraak oefent op Zijn vijanden. Waarom er wordt bijgevoegd: „Opdat gij weet, dat Ik Jehova, in het midden des lands ben."

Met deze verklaring kan ik mij goed verenigen en ik hoop, dat U ook tevreden gesteld is.

J.V. te M. vraagt: „Kan een onbekeerd persoon tot het predikambt geroepen worden. Deze vraag werd gedaan n.a.v. de behandeling van Matth. 10, waar de Heere Jezus ook Judas uitzond, die toch de verrader van de Heere Jezus is geworden. Gaan onze gemeenten niet te ver, met het onderzoek naar roeping en bekering van onze a.s. leraren? "

Antwoord: Dit is een moeilijke vraag, maar toch proberen er iets van te zeggen. ik wil

Voorop sta dat ik het noodzakelijk acht, dat er een onderzoek wordt ingesteld naar de beweegredenen van degenen, die staan naar de bediening des Woords.

Het ambt van herder en leraar is zo gewichtig en verantwoordelijk, dat iemand, die meent daartoe geroepen te zijn, toch zeker wel iets kan vertellen, van het werk des Heiligen Geestes in zijn hart wat zijn staat voor de eeuwigheid betreft, alsook welke werkzaamheden er zijn ten opzichte van zijn roeping.

Het is voor gen leraar toch zo noodzakelijk om straks, wanneer hij na volbrachte studie en aanvaarding door de classis, waartoe de gemeente behoort, waarin hij tot zijn ambt zal ingaan, te kunnen pleiten op 's Heeren eigen woord: „Gedenk aan 't woord gesproken tot Uw knecht, waarop Gij hem verwachting hebt gegeven."

Ook zal hij enige zaligmakende kennis moeten omdragen, van de wegen, die dc Heere met Zijn volk houdt, opdat hij met de moede een woord te rechter tijd kan spreken.

't Is voor een leraar toch niet alleen nodig, dat hij de objectieve waarheid van Gods Woord brengt, maar dat hij ook door God geleerd de onderscheidene wegen kan aanwijzen, waarin de Heere Zijn volk leidt, onderwijst, bemoedigt, beschaamt, naar dat elk van node heeft.

Het werk van degenen, die geroepen zijn, dit te beoordelen, is ontegenzeglijk zeer zwaar, waarom zij inzonderheid wel gedragen mogen worden op de vleugelen des gebeds van hen, die bidden geleerd hebben, terwijl zij voor zich zelf wel wijsheid en onderscheiden licht van de Hemel mogen afsmeken tot het volbrengen van hun taak.

Nu kom ik tot de zaak zelf.

Judas is geroepen om apostel te worden en de Heere Jezus te volgen. De Heere Jezus wist dat Judas onbekeerd was en onbekeerd zou blijven. Dit moest geschieden naar Gods raad, opdat ten eerste het lijden van de Heere Jezus, in de omgang met een huichelaar, die het

(Ver-volg pagina 247)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.