+ Meer informatie

HOE GAAN WE OM MET ONS BEZIT?

10 minuten leestijd

In dit artikel willen we ons bezighouden met de bijbelse boodschap aangaande ons bezit. Hoe gaan we om met ons geld, hoe stellen we ons op als we eigenaar geworden zijn van aardse goederen? Is rijk worden bijbels verantwoord? Wat bedoelde de Here Jezus met Zijn waarschuwing tegen het verzamelen van schatten op de aarde tegenover het vergaderen van schatten in de hemel? Waarom heeft de Heiland het mammonisme zo scherp veroordeeld? Is rijkdom een reëel gevaar? Mag een christen jagen naar bezit? Deze actuele zaken vragen een nadere bezinning.

Wat is bezit?

Onder bezit verstaan we de aardse goederen die ons eigendom zijn. Datgene, wat van ons is. Mijn persoonlijk bezit. Het komt mij rechtens toe. Er is een zekere relatie tussen eigendom en eigenaar. Die relatie wordt geschonden als ongewenst bezoek zich toeeigent wat van mij is. Ik ben zeer verontwaardigd als er bij mij ingebroken is. Mijn eigendom is mij ontvreemd.

Het oude Romeinse recht stelde, dat de eigenaar een absolute beschikking had over zijn bezit, of het nu goederen waren dan wel mensen (slaven). Hij mocht handelen al naar hem goeddacht.

Het liberalisme uit de vorige eeuw ging uit van de fundamentele rechten van de mens, want het bezit was heilig. Tegengesteld was de mening van Proudhon die zei dat eigendom diefstal was. Welke vorm hanteert de bijbel als het gaat over onze eigendommen? God de Here is de volstrekte Eigenaar. Hij heeft alles geschapen, ’t Is alles het werk van Zijn handen en daarom van Hem. „DES HEREN is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarop wonen” (Ps. 24). Israël is het volk van Zijn eigendom (Ex. 19). Zijn volk. Uitgekozen voor Zich. Daarom sloot Hij met dit volk het verbond der genade. God de Here schiep de mens naar Zijn beeld. Daarom gaf Hij de mens bezittingen als geschenk. De mens moet dit bezit beheren. Hij is een „zetbaas”, een rentmeester. Dus kan niemand iets volstrekt het zijne noemen. Er is gave en dat betekent tegelijk opgave.

In het 8e gebod beschermt de Here Zijn gave toevertrouwd aan de wachters, de beheerders van Zijn bezit. De Here heft Zijn hand op tegen degenen, die ontvreemden. Zij vergrijpen zich aan Gods eigendom. Zijn gave.

We gaan dus uit van de schepping van de mens naar Gods beeld. Te vergelijken met de gezagsverhouding. God heeft absoluut gezag. Hij draagt dit gezag over op gezagsdragers, die Hem vertegenwoordigen, b.v. ouders. Hun gezag is een afglans van Zijn gezag. Zo is het ook met ons rentmeesterschap. We zijn eigenaar bij Zijn gratie.

De bijbel spreekt nergens in afkeurende zin over rijkdom. De zonde zit ook niet in het goed, of in de stof, maar in de geest van de beheerder. Abraham, Izak en Jacob ontvingen vele goederen. David en Salomo en zo velen meer uit het O.T. waren rijk. ’t Werd alleen gevaarlijk als hun ziel hing aan de rijkdom (vrouw van Lot).

De zonde betekent de breuk met de Here. De mens wil niet langer beheerder zijn, maar absoluut eigenaar. Hij wil niet buigen onder God, maar eigen rechten laten gelden. Dan gaan de machten over hem heersen.

Mammonisme

,,Gij kunt niet God dienen èn Mammon” (Matth. 6 : 24). Het Aramese woord mammon staat op dezelfde stam als het woordje amen. Het is eigenlijk de anti-amen. Jezus is de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige (Openb. 3 : 14). Hij is de Waarheid, de Zekerheid, de Vastheid. Vierkant tegenover Hem staat de anti-amen. De mammon. Dit woord komt in het O.T. niet voor. Het is van Aramese oorsprong, ’t Zal ontstaan zijn in de tijd tussen Oude en Nieuwe Testament, tussen Maleachi en Mattheus.

Het heeft in Jezus’ mond de betekenis van de macht, die het geld heeft, de heerschappij die het geld uitoefent, het is de personificatie van aardse vermogens. Het geld zit ergens op de troon als een godheid. Wie arm is, merkt weinig van deze dwingeland. Maar hoe meer men bezig is met bezit en hangt aan bezit, des te meer komt men onder de heerschappij van deze macht, die over de mens wil regeren. Wie zo geregeerd wordt, is een arme rijke, die steeds meer wil hebben, gedreven door hebzucht.

Je kunt onmogelijk God dienen als rentmeester en tegelijk in dienst staan van deze anti-amen. Je staat onder de heerschappij van de Een of De Ander. In een tijd waarin de goklust (casino) hoogtij viert, moge men de macht van de mammon zeker wel onderkennen. Speculaties, aandelenhandel, beursberichten houden mensen meer gevangen, dan zij zich bewust willen zijn.

De Here Jezus heeft voor deze afgod ernstig gewaarschuwd. Hij spreekt van het bedrog van de rijkdom (Marc. 4 : 19). Als de rijke jongeling heengegaan is, zegt Jezus: voorwaar, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan. Een kameel gaat eerder door het oog van een naald, dan dat een rijke het koninkrijk Gods binnengaat (Matth. 19 : 23, 24).

Mammon heeft twee dienaren tot zijn beschikking. De éne heet de hebzucht en de andere de bezorgdheid. De hebzucht is de wortel van alle kwaad (1 Tim. 6 : 10). Tegen gesteld is de bezorgdheid, die de slaap uit de ogen houdt. De Heiland verjaagt beide dienaren. Tot de één zegt Hij: verzamelt u geen schatten op de aarde. Tot de ander zegt Hij: wees niet bezorgd, maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods. Eerst, dat is voor alles(Matth.6 : 19,25,33).

De sociale evangelist

Lucas wordt de sociale evangelist genoemd. Hij gaf ons drie gelijkenissen van de Heiland, waarin opgekomen wordt voor de armen en gewaarschuwd tegen de gevaren van de rijkdom. Lucas 12 : 16-21, Lucas 16 : 1–8, Lucas 16 : 19–31 (zie Hoger onderwijs van prof. Versteeg, hfst. II). Eerst de gelijkenis van de rijke dwaas. Dwaas is iemand die niet rekent met God. Als in Ps. 14 staat dat de dwaas in zijn hart zegt: er is geen God, dan betekent dat, dat hij in de praktijk van zijn leven niet rekent met God. Hij gaat zijn eigen gang. Waarin deze praktijk resulteert, zegt de Here Jezus ons, als God hem plotseling laat sterven en stelt in het laatste oordeel. Zo gaat het met een mens die hier op aarde druk was met het verzamelen van schatten voor zichzelf en het rijk zijn in God niet gezocht heeft. Arme rijke.

Vervolgens geeft Lucas de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester. Deze is uitgesproken met het oog op de geldzuchtige farizeeën. Wettisch leven en tegelijk de mammon dienen. Godsdienstig zijn naar het uitwendige, maar innerlijk verknocht zijn aan geld en goed. Daaraan mag niemand komen, zelfs God niet.

Tenslotte de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Hierin wordt niet een arme tegenover een rijke uitgespeeld, alsof de arme een prae bij God heeft boven de rijke. Er is bij God geen aanzien van de persoon. Maar Lazarus was een man die in zijn armoede God vertrouwde en op Zijn bijstand hoopte en de rijke man was slechts verzonken in zijn rijkdom en daarom in zichzelf. Hij kwam eenvoudig aan Lazarus niet toe, ofschoon hij voor de stoep van zijn huis dagelijks verkeerde. In Lazarus wilde hij niets investeren, ofschoon hij wist van Mozes en de profeten. Hij diende niet met zijn geld, hij diende slechts zijn geld.

Met ons geld de ander dienen

Het mammonisme is het demoniseren van ons stoffelijk bezit. Het is een moderne slavernij. Of het nu de staat is, of de sex, of de verdoving, of de goklust of het kapitaal, het zijn machten die overheersen. En wie in die vangarmen geheel of gedeeltelijk vastzit, lijdt schade aan zijn ziel. Dit is de vervreemding van de ware dienst van God.

Toen Israël in Kanaan kwam werd het land verdeeld onder de stammen en de families. leder even vrij en even rijk. Het land was door de Here geschonken als erfgoed. Het bleef van de Here, want het land is van Mij en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij (Lev. 25 : 23).

Trouwens alles is van de HERE: de hemel, ja de hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is (Deut. 10 : 14). Israël kreeg het als een geleend pand, erfland. De HERE bleef Eigenaar.

Vandaar ook de vele wetten voor de armen. Armen waren mensen die hun land kwijt geraakt waren door allerlei oorzaken, b.v. ziekten, misgewas, oorlog etc. De wetten spraken van lossing, van het sabbatsjaar en het jubeljaar. Er was een bijzondere zorg van de HERE voor de armen, de weduwen, de wezen, de vreemdelingen.

Leder moest op hen bedacht zijn, want heel Israël was uit de ellende van Egypte bevrijd, dankzij het machtig ingrijpen van God. Daarom eiste de HERE ook de tienden van alle inkomsten van het land voor Zich en Zijn dienst. Die tien procent was de rente van het goed, dat God in bruikleen had gegeven. In wezen dus genoten de Israëlieten van het land alleen het vruchtgebruik.

En nieuwtestamentisch? Een christen is met Christus gekruisigd en opgestaan. Aan het kruis is zijn egoisme en hebzucht in Christus gestorven. Zijn oude mens. De Heilige Geest is uitgestort om door het geloof de heilswerkelijkheid van Golgotha te leren. Het afstervingsproces is tevens het staan in de liefde Gods. En die liefde maakt mededeel-zaam. Daar lezen we van in de Handelingen der apostelen.

Het verschil tussen arm en rijk wordt na Pinksteren vloeiend, de afstand vervaagt. Alle dingen hadden de gelovigen gemeenschappelijk. De mensen gaven toen niet slechts de rente van de goederen, maar de goederen zelf (Calvijn).

In de liturgie van het geven aan de Here, treedt na Pinksteren een verschuiving op. De armen komen voor de Here in de plaats. God gaat na Pinksteren meer schuil achter de armen (L. Floor, Kruis en Munt, blz. 56). Als de Heilige Geest het hart opent voor de Heiland, gaat de hand open voor de naaste.

Er wordt in het N.T. geen percentage gegeven als in het O.T. Het offer van Christus is beslissend voor onze offervaardigheid. leder die uit Hem leeft, laat dat blijken in zijn gaven.

Sociaal aanzien Prediker 9 : 13–15 vertelt van een kleine stad in nood. Door de omsingeling van een groot koning met hoge belegeringstorens. In die stad was een arme, wijze man, die de stad had kunnen redden door zijn wijsheid, doch geen mens dacht aan die arme man. Dit is het verhaal van alle eeuwen. De prediker zag het en het maakte diepe indruk op hem. De mensen sterven liever in hun nood, dan dat ze luisteren naar de wijsheid van een arme man. Hij was nu eenmaal arm en daarom miste hij gezag en aanzien. Hij had de stad kunnen redden, maar nee.

Jacobus waarschuwt tegen het kwaad van het aanzien van de persoon in de gemeente (Jac. 2). Gesteld dat er een man binnenkwam in prachtige kleding met een gouden ring aan zijn vinger en er kwam ook een arme man aan in schamele kleding en er zou onderscheid gemaakt worden tussen die twee, dan zou er gehandeld worden in strijd met het Evangelie, dat ons leert dat we de naaste lief moeten hebben als onszelf.

Wie handelt met aanzien des persoons doet zonde (vs. 9). Houdt daarom het geloof in onze Here der heerlijkheid vrij van aanzien des persoons (vs. 1).

Hoe gaan we om met ons bezit? Bezitten als niet bezittende. We maken van de wereld gebruik, maar gebruiken haar niet ten einde toe (1 Cor. 7 : 30). Ons bezit is van Boven geschonken. We mogen ervan leven. We mogen leven om de Here en onze naaste ermee te dienen. Bronnen: Brillenburg Wurth, Het christelijk leven in de maatschappij, blz. 175 – 231.

Versteeg, Bijbel en gemeente, blz. 74 – 78.

Versteeg, Hoger onderwijs, blz. 48 – 65.

Floor jr. Kruis en munt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.