+ Meer informatie

Van de boekentafel

7 minuten leestijd

HET WERK VAN DE HEILIGE GEEST IN DE GEMEENTE

Voorlichtend geschrift over de Pinkster-groepen, 1968.

De activiteit van de Pinksterbeweging heeft tot reacties van kerkelijke zijde geleid. In 1960 verscheen een herderlijk schrijven van de Generale Synode van de Ned. Herv. Kerk: „De kerk en de Pinkstergroepen”, de Geref. Kerken hebben enkele synodale uitspraken gedaan en op onze kerkelijke vergaderingen kwam de kwestie van de „overdoop” aan de orde (Acta van de Generale Synode, 1962, art. 198).

Omdat verschillende leden van de kerk zich aansloten bij de Pinkstergroepen of met de Pinksterbeweging sympathiseerden, achtten de Gereformeerde Kerken het gewenst om enige voorlichting te geven. De predikanten H. C. Endedijk, A. G. Kornet en G. Y. Venllenga hebben met medewerking van prof. dr. H. N. Ridderbos (adviseur) een beknopt geschrift samengesteld, dat in opdracht van de synode is gepubliceerd. Het draagt dus een semi-officieel karakter.

In de inleiding wordt de bekende vraag, hoe het komt dat de Pinksterbeweging zoveel aantrekkingskracht heeft, beantwoord.

a. Velen zeggen het persoonlijk element in de prediking, in het huisbezoek en in de gemeenschap der gelovigen al te zeer te missen.

In dit verband wordt gewezen op het verschijnsel, dat het massale en onpersoonlijke in onze tijd op de voorgrond treedt. De stormachtige ontwikkeling van het menselijk vermogen, de opheffing van allerlei grenzen en de moderne communicatiemiddelen brengen dit vanzelf met zich mee. De kerk wordt veel meer dan vroeger betrokken in de algemene vragen van de tijd.

Terecht wordt opgemerkt dat het gevaar niet denkbeeldig is, dat het persoonlijke accent, de persoonlijke eis tot geloof en bekering, de persoonlijke band aan Christus en het daarin besloten werk van de Heilige Geest te weinig aandacht ontvangen.

De Pinkstergroepen leggen de nadruk op heel persoonlijke ervaringen en geven aan, hoe men daartoe moet komen.

b. Wanneer de vragen van het persoonlijk leven en van de persoonlijke geloofs-zekerheid in de kerk niet tot hun recht komen, is het niet vreemd dat de Pinksterbeweging een zekere bekoring krijgt: hier niet langer twijfel en angstvalligheid maar veeleer grote vrijmoedigheid! Hier wordt geleerd dat God op het eerste werk van geloof en bekering nog een tweede zegen doet volgen: de verzegeling met de Heilige Geest in een overweldigende ervaring van vreugde, van bevrijding, soms van extase. De gaven van de Geest zijn dan de hoorbare en zichtbare tekenen van het kindschap Gods.

c. Velen worden geboeid door het spectaculaire. De kerkelijke samenkomsten kenmerken zich niet door opzienbarende dingen en in het leven van gewone christenen schijnt weinig te „gebeuren”. Zou blijkens het geestelijk enthousiasme (Geestesdoop), de tongentaai, de profetie en de gebedsgenezing de Geest in de Pinksterbeweging niet op een veel overtuigender wijze tegenwoordig zijn dan in de kerk?

De schrijvers zijn van oordeel, dat de Pinkstergroepen een zeer eenzijdig en daardoor verkeerd beeld hebben van de wijze waarop de Heilige Geest werkt, maar als zij ingaan op de situatie in de Gereformeerde Kerken, hebben zij een open oog voor gevaren die dreigen. De binding aan Christus wordt onpersoonlijker; de prediking wint wel aan breedte maar niet aan diepte; ons werken overvleugelt ons bidden en het geloof in de voortgang van Gods werk en de verwachting van de toekomst des Heren wordt verlegen bij het zien van wat mensen vermogen in wetenschappelijk en technisch opzicht. „De tegenwoordige wereld in al haar macht èn onmacht, in al haar uitdagen, vragen en onopgeloste problemen, treedt in de letterlijke zin onze huizen binnen, neemt onze aandacht in beslag, vervult niet zelden onze horizont, bedreigt de eenvoud van ons geloof in God de Schepper en de Voleinder aller dingen.”

Wat van de Gereformeerde Kerken geldt, is niet zonder meer van toepassing op ons, want de persoonlijke verhouding tot God wordt in onze kerken in prediking en zielszorg centraal gesteld. Maar er zijn ook leden en doopleden van de Chr. Ger. Kerken, die het bij Pinkstergroepen zijn gaan zoeken, omdat zij de indruk hebben, dat de geestelijke dingen daar concreter zijn en intenser worden beleefd.

„Het werk van de Heilige Geest in de gemeente” heeft behalve een inleiding en twee bijlagen — in hoofdzaak een korte geschiedenis van de Pinksterbeweging — drie hoofdstukken.

1. Een van de belangrijkste gedachten is deze, dat ieder die door het geloof met Christus verbonden is, ook deel heeft aan de gave van de Heilige Geest. Het grootste en machtigste werk van de Geest is, dat Hij ons tot nieuwe mensen maakt. De vruchten van de Geest zijn het herkenningsteken van het werk van de Heilige Geest: Gal. 5 : 22.

Op goede gronden wordt de mening afgewezen, dat er alleen maar sprake kan zijn van een „Geestesdoop”, als deze met buitengewone gaven en tekenen gepaard gaat.

2. Het Nieuwe Testament noemt een aantal bijzondere gaven van de Geest (charismata). Er zijn gaven, die minder opvallen zoals die van het dienen, het onderrichten en het bewijzen van barmhartigheid, en er zijn er, die sterk de aandacht trekken zoals de gave van de tongentaai, de profetie en de genezing. Met welk recht beschouwen de Pinkstergroepen deze laatste gaven echter als een soort waardemeter van het geestelijk leven?

Tongentaai komt in allerlei godsdiensten voor en is een extatisch verschijnsel. Ook over de gave der profetie en vooral over de gave der genezing worden verhelderende opmerkingen gemaakt.

Wij nemen verder nota van wat over ambt en charisma wordt gezegd. Alle Pinkstergroepen verzetten zich tegen de kerkelijke ambtsopvatting. Als voorgangers worden alleen zij geaccepteerd die een bepaald charisma ontvingen.

Maar ook de ambten zijn als gaven te zien. In Fil. 1 : 1 is sprake van opzieners en diakenen en in de brieven aan Timotheüs en Titus van vereisten voor het ambt van ouderling en diaken. In de apostolische tijd bleek de gemeente al een geregelde orde nodig te hebben.

Wij moeten wel op onze hoede zijn voor de verambtelijking. De bijzondere gaven komen dan niet voldoende aan bod. De gemeenteleden wentelen teveel af op de ambtsdragers, die te zwaar belast worden, terwijl de gaven van vele leden van de gemeente niet genoeg gebruikt worden. De ambtsdragers moeten gaven in de gemeente opmerken en ze gelegenheid geven om zich te ontwikkelen. Daarbij zijn gaven van eenvoudige dienstverlening even nodig als gaven van bestuur, kennis en onderricht.

3. In het derde hoofdstuk worden de bezwaren tegen de kinderdoop overwogen. Juist de verachting van de als kind ontvangen doop, die veelal in de „overdoop” tot uitdrukking komt, leidt dikwijls tot een breuk met de kerk. Verwerping van de kinderdoop is niet alleen een afwijking van een oude en eerbiedwaardige traditie. Het is een miskennning van de volheid van het evangelie en van de belofte van het genadeverbond voor de gelovigen en hun kinderen.

Met de strekking van het betoog kunnen wij het eens zijn, al zijn bij enkele passages vraagtekens te zetten. Mag men zeggen: „Door de doop doet God ons delen in de gaven van zijn Geest”?

Verschillende aspecten van het werk van de Heilige Geest in de gemeente zijn in dit geschrift aan de orde gesteld zonder dat dit onderwerp volledig is besproken. Maar de studie was in de eerste plaats bedoeld als voorlichtend geschrift over de Pinkstergroepen, waar door twee van de auteurs, ds. Kornet en ds. Vellenga, ook al eerder over geschreven was.

In „Ambtelijk Contact” is aan de Pinksterbeweging reeds een aantal artikelen gewijd (in de nrs. 17–20, 22, 23 en 25, juni 1963–maart 1964). Bij de daar genoemde litteratuur kan deze publikatie van gereformeerde zijde worden gevoegd, die de ambtsdragers zeker goede diensten kan bewijzen.

Het doet sympathiek aan, dat de schrijvers ernstig rekening willen houden met de kritiek op het kerkelijk leven. De kerk moet zich afvragen of en in hoeverre het haar ontbreekt aan het ware leven, dat uit Christus is en dat de Geest in haar wil werken. Maar de maatstaf, die daarbij aangelegd moet worden, mag geen andere zijn dan die ons in de Schriften is gegeven.

In een paragraaf over het zelfonderzoek wordt gezegd — en dat heeft niet alleen betrekking op de Gereformeerde Kerken: „Wij kunnen de Schrift niet onderzoeken en wij kunnen het Woord van God niet horen zonder te ontdekken, dat er veel gebrek is in de kerk en in het leven der gelovigen. Er is altijd weer nodig, ook in onze dagen, een reveil, een opwekking uit de dood, een ontwaken uit de slaap, een verdieping van wat oppervlakkig is, in één woord: terugkeer tot de ware dienst van God”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.