+ Meer informatie

HET LIED IN DE EREDIENST

6 minuten leestijd

6.

Kritiek op 1773.

In het vorige artikel hebben we al iets gezegd van het verzet tegen de invoering van de berijming 1773. Men was tegen de „korte zangwijze”. Toch waren er nog andere bezwaren. Zelfs principiele bezwaren werden aangevoerd. De afgescheiden predikant Ds. Ledeboer van Benthuizen voerde in zijn gemeenten de berijming van Datheen weer in. In zijn boekje „ ’s Heeren wegen” wijst hij op zijn bezwaren tegen de berijming van 1773. De oude rijm vond hij krachtiger en gereformeerder dan de rederijkerspoezie van de 18e eeuw. Met instemming citeert hij Van der Groe: „Zij nemen de gouden weg, wij hebben er zilveren voor in de plaats gekregen”. Tot op de dag van vandaag zijn er nog gemeenten, waar het standpunt van Ledeboer gehonoreerd wordt. In de Ned. Herv. Kerk groeiden er ook bezwaren. In 1861 verzocht Dr. Junius te Tiel aan de algemene synode van de Ned. Herv. Kerk om de psambundel te verbeteren: „door die in de christelijke geest te wijzigen, beter te rangschikken, van opschriften te voorzien en de melodie te zuiveren”.

Dit verzoek werd niet ingewilligd. Nadien kwam de psalmberijming verschillende malen op synoden ter sprake. Kommissies werden benoemd, maar het resultaat was negatief.

In de kerken der scheiding kwam de berijming van 1773 ook ter sprake. In de akta van de synode van 1836 lezen we: „dat ongelijkvormigheden of tegenstrijdigheden in de tegenwoordige Psalmberijming duidelijk aangewezen moeten worden en dat deze door een kleine revisie zeker kunnen worden opgelost”. Men gaf de voorkeur aan restauratie, waar dit noodzakelijk bleek.

In de kerken van de Doleantie leefde van meetaf de behoefte aan een nieuw Psalmboek. Ds. De Moen wees er in jan. 1871 op, dat woorden en melodie van de bundel-1773 vaak niet met elkaar overeenstemden. Ook had hij bezwaren tegen de inhoud van de bestaande berijming. In 1889 hield Ds. Gunst op een Zeeuwse predikanten-konferentie een referaat, waarin hij eveneens een aantal bezwaren tegen de berijming-1773 naar voren bracht. Dr. Kuyper schreef omstreeks 1890: „Voorzover de tegenwoordige berijming rationalistisch getint is, moet dat rationalisme er uit verwijderd worden. In zoverre ze ongeestelijk, onbezield, stroef en strain is, moet betere berijming haar vervangen”. In zijn boek „Onze eredienst” (1911) heeft hij het weer over de psalmberijming. Hij wijst o.m. op de berijming van psalm 1 : 4. Als men dit leest, zegt Dr. Kuyper, laat zich moeilijk de vraag onderdrukken of God dan alleen die zielen genadig is, die „met vaste gang het pad der deugd betreden”, en of het niet goddelozen zijn, die Hij rechtvaardigt.

De woorden „deugd en pad der deugd” zijn typisch 18e eeuws. De mens moest opgevoed worden tot deugd. Dr. Datema merkte op, toen het over de berijming ging: „Zoals een mens wel aardappelen moet eten, ook al zijn er alleen maar slechte op de markt, zo moeten we wel met deze berijming genoegen nemen, omdat er geen andere is. Na een slecht aardappelseizoen stelt men echter alles in het werk om de nieuwe oogst beter te doen zijn”. Prof. Schilder schreef in 1927: „Maar ons volk zal niet mogen doof blijven voor de klacht, dat zijn psalmberijming te kort doet aan het geopenbaarde Woord en dat Woord soms verdringt. Een gemeente, die zichzelf respekteert, moet niet volstaan met het verlangen, dat er worde gepreekt naar de mening van de Heilige Geest. Zij moet ook zelf zo zingen. Dat is te zeggen: onze huidige psalmberijming moet weg”.

Een predikant uit de Geref. Kerken (vrijgemaakt) merkte enkele jaren geleden op: „Sinds 1773 hebben wij geen psalmen meer gezongen, alleen verbasteringen van de psalmen”.

Ook in onze kerken staat men niet kritiekloos tegenover de berijming van 1773.

Tenslotte wijzen we nog op het boekje, dat in ’67 verschenen is van de hand van de Herv. predikant Ds. G. Spilt: „Bewaar het Pand”. Met als ondertitel: Overwegingen bij het gereedkomen van de nieuwe psalmberijming. Hij tracht o.m. de vraag te beantwoorden of het wel verantwoord is de psalmen in de taal en stijl van 200jaar geleden te blijven zingen. Wanneer een lagere school een rekenmethode van tweehonderd jaar geleden zou gebruiken, zou men weinig leerlingen overhouden. Toch was 200 jaar geleden twee maal twee ook al vier. Maar de methode van overdracht is inmiddels sterk veranderd. De psalmen zijn nu dezelfde gebleven sedert zij zijn opgenomen in de Heilige Schrift, maar de „verwoording” in de Nederiandse taal zal van tijd tot tijd gewijzigd moeten worden, willen wij ze werkelijk bewaren en overdragen in een levende taal. Waarom zouden we meer zorg hebben voor de manier, waarop onze kinderen leren rekenen, dan voor de vorm, waarin zij de psalmen leren? Als wij de woorden van God doorgeven in een taal en stijl, die allang verouderd zijn, heeft dit de averechtse uitwerking, dat wij deze woorden verduisteren in plaats van overdragen, omdat wij ons van woorden en stijlvormen bedienen, die niet meer „overkomen”. Genoemd predikant wil ook aantonen de noodzakelijkheid van een nieuwe berijming. De taal van de berijming van 1773 is verouderd en daardoor hoe meer onbruikbaar en voor de jongere generatie onbegrijpelijk en onmogelijk. Onbruikbaar, doordat bepaalde woorden van betekenis zijn veranderd en dus de psalmtekst onjuist weergeven. Wij verstaan onder „gemene lieden” (Ps. 62 : 6) iets anders dan in 1773. Het woord „gemeen” betekent nu slecht. Er zijn ook theologische bezwaren. God wordt Opperwezen, Opperheer, Alvermogen, Oppermogendheid, Oppermajesteit, Oppervoogd, Albehouder, Schutsheer aller goeden genoemd. Dat zijn geen bijbels benamingen voor God, maar herinneren duidelijk aan de theologie van de 18e eeuw.

De kritiek nu, die in de loop van vele jaren op de berijming van 1773 is geleverd, kan in het kort als volgt worden samengevat:

1. de staatsberijming draagt zeer sterk de sporen van haar tijd;

2. zij wijkt op vele plaatsen af van de grondtekst en belijdenis;

3. er komen heel wat gedachten in voor, die in de onberijmde psalmen ontbreken.

Enkele elementen in de kritiek zijn steekhoudend. Dit zal elke kenner van 1773 moeten onderstrepen. Gaan we over tot een nieuwe berijming, dan zal die zeer goed moeten zijn. Of dit gezegd kan worden van de nieuwe berijming hopen we na te gaan. Misschien heeft het woord van Dr. Kuyper in de huidige situatie ons nog wat te zeggen. In zijn „Onze eredienst” lezen we: „Er blijft ons dan ook geen andere hoop over, dan dat bij rustiger kerkelijke toestanden een of meer diep ingeleide geestelijke worstelaars, die en geestelijk hoog staan, en tegelijk het voile meesterschap over taal en toon beide bezitten, de bestaande berijming herzien zullen, om zoveel mogelijk doenlijk wat nu stoort, weg te nemen. Een goede studie zou het zijn, indien een deskundige eens, met de oorspronkelijke tekst voor zich, heel deze berijming doorliep, niet om knopen in biezen te zoeken, maar om aan te wijzen in welke regels de berijmers niet alleen afweken van het oorspronkelijke, maar, in plaats van het oorspronkelijke, averechtse gedachten in de berijming indroegen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.