+ Meer informatie

Welke richting koerst de Raad van Kerken?

10 minuten leestijd

Proeve van een beginselverklaring

De Raad van Kerken in Nederland heeft in de drie eerste jaren van zijn bestaan be¬trekkelijk weinig van zich laten horen. Maar op 6 januari 1971 werd door het moderamen een belangrijk stuk op tafel ge¬legd, dat nog niet door de deelnemende kerken was aanvaard zoals het Statuut, maar dat een discussie op gang moest bren¬gen: Proeve van een beginselverklaring van de Raad van Kerken in Nederland (bij de Raad van Kerken, Maliebaan 88, Utrecht, zijn voor belangstellenden exemplaren te verkrijgen).

Het document bestaat uit twee delen, waar¬van vooral het eerste de aandacht vraagt. Dit is een bezinning op de doelstelling en het beleid van de Raad van Kerken, een „geloofsvisie op de eenheid”.

De Raad wil volgens het in 1968 aan¬vaarde Statuut in getuigenis en dienst ge¬stalte geven aan de gemeenschap van ker¬ken. Hoe zal dat gebeuren?

Wij lezen: „De geloofsopdracht van de Raad van Kerken is de eenheid van de Kerk van Jezus Christus te verwerkelijken. De kerken zijn zich bewust, dat zij slechts naar een zichtbare eenheid kunnen groeien in gehoorzaamheid aan de wil van God, die zij in hun dienst aan de wereld gezamen¬lijk trachten te ontdekken. De persoonlijke geloofsovergave aan Christus heeft sociale en politieke dimensies die diep ingrijpen in de structuren van de samenleving. Hoewel het ene volk van God nog verdeeld is, weten de kerken zich gezamenlijk in dienst genomen van het heilshandelen van God in de actuele problemen van onze nationale en internationale samenleving. Voortdurende bezinning op deze geloofs¬overdracht moet de inspiratie zijn voor het beleid, dat zij in de Raad van Kerken samen willen voeren”.

De geloofsvisie die aan dat beleid ten grondslag ligt, kan men slechts „duiden”. Voor de concrete beleidsbeslissingen wil men enkele richtingwijzers uitzetten. Het zijn er zeven.

1. De kerken spreken hun geloof uit, dat de Kerk in Jezus Christus één is.

Nadat iets gezegd is over wat de kerken belijden, is er de erkenning van een ver¬loochening van de eenheid in Christus door verdeeldheid en onderlinge strijd ten gevolge van de ontrouw van de kerken aan de op¬gave om de waarden van het Rijk van God concreet te vertalen in de menselijke sa¬menleving.

De werkzame eenheid door de Geest van Christus wordt beschouwd als geloofsbasis voor samen-zijn en samen-handelen in de Raad van Kerken.

2. De kerk moet één zijn om te kunnen functioneren als een heilsinstrument voor de solidariteit van de gehele mensheid. „Al¬leen door de geloofsverbondenheid van alle kerken over heel de wereld kan de gave van de verzoening in Christus als ver¬lossing beleefd worden in het zoeken naar een oplossing van de nationale en internatio¬nale problemen van onze tijd”.

3. Er begint zich in Nederland een her¬ontdekking te voltrekken van de eenheid in Christus. De wederzijdse dooperkenning van de Rooms-Katholieke Kerk, de Neder¬landse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk is daar een bewijs van. Dat dwingt de kerken tot andere en verdergaan¬de consequenties.

4. De kerken zijn nog verdeeld in de vraag, hoe zij in deze wereld beschikbaar moeten zijn voor Gods heilswerk. In de Raad van Kerken willen zij de eigen geloofsvisie en geloofsbeleving laten zuiveren door een zoeken naar een nieuw verstaan van het evangelie in een gezamenlijk bezig zijn met de uitdagingen van deze wereld.

5. De kerken aanvaarden in de Raad van Kerken hun gebondenheid aan het woord van God met alle consequenties uit deze gehoorzaamheid voor ieder van hen in¬sluit. Daarom is het stadium van de on¬verplichte oecumene met de oprichting van de Raad van Kerken voorbij.

6. De kerken zullen hun eigen organen, hun mankracht en financiën geleidelijk in de Raad oecumeniseren: in dienst stellen van de Kerk van Jezus Christus in haar ge¬heel.

7. Het samen-zijn en het samen-handelen van de kerken in de Raad is erop gericht, dat het tot een zichtbare eenheid komt, een eenheid die een rijke pluriformiteit in¬sluit. Gemeenten en parochies zullen samen een plan opstellen, hoe zij in fasen kunnen komen tot een integratie van hun verant¬woordelijkheden en functies.

Het tweede deel bevat „spelregels” voor de secties van de Raad van Kerken in Neder¬land. De meeste regels hebben alleen inter¬ne betekenis, zodat dit alles niet behoeft te worden samengevat.

Er is besloten tot de vorming van vier sec¬ties: Oecumenische Actie; Theologische Vragen; Sociale Vragen en Internationale Zaken. Mogelijk volgen er meer.

Als het volgens deze regels gaat, hebben de secties de ruimte voor de ontplooiing van hun activiteiten. De Raad vertrouwt er alle zaken aan toe die binnen een be¬paalde terreinafbakening aan de orde ko¬men. De secties moeten de kerkelijke orga¬nen tot effectieve samenwerking brengen.

Een kritische beschouwing

Voor wie er rekening mee hield, dat dr. H. A. M. Fiolet secretaris is van de Raad van Kerken, was het geen verrassing, dat een dergelijke „geloofsvisie op de eenheid” aan de deelnemende kerken werd voorgelegd. Hij is niet alleen de schrijver, maar ook de geestelijke vader van dit stuk. Dat blijkt uit de terminologie — opvallend is het gro¬te aantal samenstellingen met geloof, zoals geloofsvisie, geloofsopdracht, geloofsovergave, geloofsduiding — , de eigen weergave van wat de kerken belijden en vooral uit de gedachtengang, die wij kennen uit zijn boe¬ken, met name uit „Vreemde verleiding” (1968) en „De tweede reformatie” (1969). Dr. Fiolet is een ongeduldig man. Het is voor hem: één kerk of géén kerk. De ker¬ken moeten zich steeds meer gaan gedra¬gen als de „zich verenigende Kerk van Je¬zus Christus”. Heel de oecumenische bewe¬ging is tot nu toe verzand in machteloos¬heid door een verlammende onverplicht¬heid!

Daarom is hij er ook de man naar om te poneren, dat het stadium van de onverplich¬te oecumene nu voorbij is. Wat nu aan de orde is? Een verplichtende dialoog over het belijden en het functioneren van 0de Kerk van Jezus Christus in deze tijd. De kerken moeten de volle verantwoordelijkheid aan¬vaarden voor de verplichtende uitvoering van hun gemeenschappelijke uitspraken en beslissingen.

De „Proeve van een beginselverklaring” is voor meer dan 90% het werk van de rooms-katholieke theoloog Fiolet. Alleen wat in punt 5 gezegd wordt over de gebondenheid aan het Woord van God, klinkt eerder gereformeerd dan modern rooms. Maar het staat niet op de plaats waar het staan moest. Na de passages over de geloofsvisie op de eenheid, het belijden van de kerken, het messiaanse heil van de eenheid der mensheid en de herontdekking van de eenheid in Christus kan de gebon¬denheid en gehoorzaamheid aan het Woord niet meer functioneren. Deze uitspraak dient nu slechts als inleiding op de volgen¬de zin: „Omdat zij zich gezamenlijk hebben gesteld onder het oordeel van het woord van God is met de oprichting van de Raad van Kerken het stadium van de onverplich¬te oecumene voorbij”.

Wij merken op, dat het in het concept een geloofsopdracht van de Raad van Kerken wordt genoemd om de eenheid van de Kerk van Jezus Christus te verwerkelijken. Via een ernstig streven naar gezamenlijke kerk¬vernieuwing is men op weg naar de over¬winning van de verdeeldheid.

Terwijl wij zouden denken, dat in een ker¬kelijk stuk gesproken zou worden van ge¬hoorzaamheid aan de wil van God die wij kennen uit het Woord van God, is het hier de wil van God die men in de dienst aan de wereld gezamenlijk moet trachten te ont¬dekken. Andere uitdrukkingen voor dienst aan de wereld: gezamenlijk in dienst geno¬men zijn van het heilshandelen van God in de actuele problemen van onze nationale en internationale samenleving — gezamen¬lijke betrokkenheid op de ethische, sociale en politieke problemen van de huidige sa¬menleving.

De kern van de zaak is, dat de kerk er al¬leen maar is voor de wereld.

Dat is niet nieuw voor wie op een van de laatste bladzijden van „De tweede refor¬matie” gelezen heeft, dat de geloofsgemeen¬schappen geen moment mogen vergeten, dat zij slechts een dienstbaar instrument zijn van Gods heilshandelen met heel deze we¬reld en met alle mensen.” De eenheid van de Kerk is geen doel op zichzelf. Het gaat God niet om de Kerk, maar om de wereld, die Hij zozeer heeft liefgehad dat Hij zijn Zoon heeft gezonden”.

Het beroep dat hier op Joh. 3:16 gedaan wordt, is misplaatst, want Jezus zegt niet, dat het God niet om Zijn gemeente gaat. Het gaat juist om ieder die in Hem gelooft.

Dr. Fiolet verdedigt in zijn laatste werken de stelling, dat schepping begenadiging is, verlossing uit zondige situatie en roepen tot samen-zijn met God. Schepping, evolutie, verbond en verlossing zijn eigenlijk verschil¬lende woorden voor dezelfde zaak. Daarom hebben het menselijk bestaan en de ontplooi¬ing van het leven als zodanig al heilsbete¬kenis. Deze opvatting hangt samen met zijn typisch roomse beschouwing van de incar¬natie. Het zou ons echter te ver voeren om daarop in te gaan.

Schepping en verlossing worden voltooid in het Rijk van God. Dat is voor Fiolet een „binnenwereldse werkelijkheid.” God is overal waar iets nieuws geboren gaat wor¬den. Verlossing is het ontvangen van het vermogen tot een waarachtig sociaal mens¬zijn, waardoor de christen aan mens en maatschappij iets mag laten voelen van het versluierde mysterie dat God in mede¬menselijkheid in zijn eigen wereld is ge¬komen.

Deze verwereldlijking van het heil van het Koninkrijk Gods vinden wij in de „Proeve” terug, als het de opgave heet van de ker¬ken om de waarden van het Rijk van God concreet te vertalen in de menselijke samenleving, als de eenheid der mensheid het „messiaanse heil” en de „messiaanse vrede” is en een internationale eenheid van de christenen moet functioneren als een heilsinstrument voor de solidariteit van heel de mensheid.

Wij herkennen er Fiolet in, die schreef: „De Kerk staat in dienstbaarheid aan de heilseenheid van de mensheid, aan de vrede en bewoonbaarheid van, deze wereld voor alle mensen”. Om dit waar te maken moeten de kerken zich bevrijden van de traditionele tegenstelling tussen kerk en wereld. „De christen zal God weer binnenwerelds moe¬ten leren ontmoeten in de wezenlijke ge¬richtheid van zijn bestaan op het samen¬zijn met medemensen en in zijn opdracht tot bewoonbaarmaking van, deze wereld voor alle mensen” (De tweede reformatie, blz. 168/169).

Zo verdedigt deze theoloog de „kosmische oecumene” als de eigenlijke reformatie, waartoe alle kerken geroepen worden. Dat is hetzelfde als het „wereldlijk oecumenisme”, dat de laatste jaren in de kringen van de Wereldraad van Kerken veld wint.

Men begon met het gesprek over de ver¬schillen die er tussen de kerken zijn, maar vorderde niet of nauwelijks op de weg naar de eenheid. Nu zegt men met Fiolet, dat de verdeelde christenen hun geloofstegenstellingen niet wegpraten, doch alleen wegleven kunnen. „Wij moeten er nu aan gaan staan om deze tegenstellingen weg te leven in het gezamenlijk experiment van de nieuwe Kerk in een seculiere samenleving”. De beginselverklaring van de Raad van Kerken is een proeve. Tal van, plaatselijke Raden van Kerken zullen zich ermee bezig¬houden. De deelnemende kerken zullen zich er binnenkort over moeten uitspreken.

Als het volgens de plannen van de secre¬taris van de Raad gaat, zal er in de toe¬komst misschien één kerk zijn onder wat voor naam ook. En het zal tegelijk géén kérk meer zijn, geen gemeente van onze Here Jezus Christus. De kerken zullen het maatschappelijk engagement tot het een en het al hebben gemaakt en zijn opgegaan in de wereld.

Het is nog een proeve. Laten wij hopen, dat het geen definitief program wordt! Zou¬den de kerken zich laten leiden door een theoloog als Fiolet, die met zijn, „tweede reformatie” de Reformatie radicaal afwijst? Als kerkelijke vergaderingen deze „geloofs¬visie op de eenheid” toetsen aan de Heilige Schrift, zullen zij toch moeten inzien, dat het stuk beslist onaanvaardbaar is.

Er staat één zin in die wij als reformatori¬sche chistenen zonder meer kunnen onder¬schrijven: aanvaarding van de gebonden¬heid aan het Woord van God met alle con¬sequenties die deze gehoorzaamheid insluit. Maar als dit werkelijk het beginsel was van de Raad van Kerken, had het moderamen de proeve van 1971 niet aan de kerken kun¬nen aanbieden.

Nu wordt een weg gewezen waarop een kerk, die alleen maar kerk van Christus be¬geert te zijn, zich nooit mag begeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.