+ Meer informatie

Uit de kerkelijke pers

7 minuten leestijd

Mr. dr. C. J. Verplanke staat in "De Wekker" (orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland) stil bij de vraag of een dominee altijd kerkeraadsvoorzitter moet zijn. Het blijkt dat deze vraag ook bij anderen leeft. Op een recentelijk gehouden ledenvergadering van een gereformeerde gemeente ergens in den lande werden hierover vragen gesteld. Ook het in gereformeerd vrijgemaakte kring verschijnende blad "De Reformatie" stelt de vraag deze week aan de orde.

Predikanten kunnen voortreffelijke sprekers, exegeten en pastoraal diep bewogen figuren zijn; maar niet iedere predikant slaagt er in, een vergadering deskundig te leiden en alle deelnemers daaraan een gevoel van bevrediging te geven.

Kerkeraadsleden die niet —zoals een predikant— hun eigen agenda kunnen indelen en 's morgens tijdig naar hun werk moeten, kunnen nog wel eens klagen over de lange duur van een kerkeraadsvergadering, de wat rommelige gang van zaken, het niet (of teveel!) aan de orde komen van bepaalde zaken. Als iemand zich 's morgens wat slaperig op zijn werk gedraagt, pleegt men nogal eens de plagerige vraag te stellen, of er gisteravond soms een kerkeraadsvergadering is geweest!

Er vallen daarom vraagtekens te zetten bij de bepaling in art. 37 K.O., dat de predikant een kerkeraadsvergadering moet voorzitten. Natuurlijk moet hij zijn inbreng hebben, maar moet dat noodzakelijkerwijs als voorzitter en moet hij altijd beslist het laatste woord hebben?

Andere kerkordes zijn op dit punt iets soepeler (en iets realistischer). Daar gaat men uit van de soms aanwezige mogelijkheid, dat een ouderling een bekwaam vergaderleider kan zijn. Denk eens aan een bestuurder of een directeur.

In de Hervormde kerkorde wordt verlangd, dat een kerkeraad uit zijn midden een moderamen kiest, bestaande uit een praeses, een scriba en een assessor. Praeses kan dus de predikant, maar ook een ouderling zijn. Wordt de predikant geen praeses, dan moet hij assessor worden, zodat hij in ieder geval zitting heeft in het moderamen.

In de Gereformeerde kerkorde heeft men aan de bepaling van art. 37 toegevoegd de woorden „in de regel". De predikant hoeft dus niet per definitie voorzitter van de kerkeraad te zijn, maar als hij zulks zelf niet ambieert of een ouderling beschiktover zulke voorzitterscapaciteiten, dan kan een ander dan de predikant tot voorzitter worden gekozen.

In onze kerkorde is er echter geen ontkomen aan: Een predikant die zichzelf onvoldoende bekwaam acht of door de kerkeraad onvoldoende bekwaam wordt geacht, moet en zal voorzitter zijn, soms tot leedwezen van de reeds lang in bed vertoevende echtgenotes van de eindeloos vergaderende overige kerkeraadsleden. Daarom zou een ontsnappingsclausule als in de Gereformeerde kerkorde toch wel enige aanbeveling verdienen.

En dan zwijg ik als kerkrechtsondeskundige er nog maar over, dat onze kerkorde wel verlangt, dat een classis wordt voortgezeten door een predikant (art. 41), maar dat die eis niet wordt gesteld aan een particuliere synode (art. 47) en zelfs niet aan de generale synode (art. 50)!

Het evangelisch centrum voor verslaafden De Hoop constateert een groeiend aantal gokverslaafden. De Hoop is van mening dat gokverslaving net zo serieus genomen moet worden als alcohol- of heroïneverslaving. Het blad "De Hoop Magazine" gaat in op de drie stadia van verslaving en geeft aan wat de omgeving kan doen.

Verslaafd aan gokken ben je niet zomaar, Daar moet je wel wat voor doen. Bekend is dat er drie stadia in het verslavingsproces zijn aan te geven. De eerste is de winnende fase. In deze fase vallen de kosten nog binnen het reëel te besteden budget. Het gokken wordt nog gezien als een prettig tijdverdrijf en het betekent plezier, opwinding en vooral winnen. Veel winnen maakt dat de aankomende gokker doorgaat met spelen. Het gevoel van eigenwaarde stijgt erdoor en aan hel spelen wordt een lichamelijke opwinding beleefd. Het winnen doet gokkers in dit beginstadium geloven in een bepaald systeem dat ze spelen. Verlies wordt goedgepraat en de gokker begint geld te lenen.

De tweede fase is de verliezende fase. De gokker speelt met geleend geld. Deze leningen worden zoveel mogelijk verborgen gehouden. Wanneer de partners, ouders of andere familieleden erachter komen, kunnen daarover problemen ontstaan, zodat hij stiekem gaat spelen. Om verliezen ongedaan te maken besteedt hij steeds meer tijd aan het gokken en verwaarloost werk of studie. Hij leent steeds meer, omdat hij nog steeds gelooft het allemaal eens terug te kunnen betalen. De conflicten thuis nemen toe wanneer ontdekt wordt dat hij weer heeft gegokt. Beloftes tot stoppen worden gedaan maar niet nagekomen.

Tenslotte volgt de wanhopige fase. Gokken wordt een full-time bezigheid. De gokker wordt rusteloos, geïrriteerd en krijgt last van slaapstoornissen. In dit stadium zijn gokkers lichamelijk en geestelijk uitgeput en voelen ze zich wanhopig en schuldig. Schuldeisers willen hun geld terug, de gokker raakt geïsoleerd. Echtscheiding en verbroken relaties zijn het gevolg. Veel kansspelverslaafden zien in de criminaliteit nog de enige manier om aan geld te komen. Zware aanvallen van depressiviteit en gedachten aan zelfmoord komen op. Vaak moet het hiertoe komen, voordat gokverslaafden eindelijk hulp zoeken. Soms is het gokken dan al drie tot zeven jaar een vaste gewoonte.

Toch hoeft men het niet zover te laten komen. De omgeving kan al veel eerder actie ondernemen. In de winnende fase, wanneer er eigenlijk nog geen verslavingsproblematiek te bespeuren valt, moeten aankomende gokkers op zeer directe wijze worden duidelijk gemaakt dat zij het altijd zullen verliezen. Fruitkasten en roulettetafels staan immers onder toezicht van het IJkwezen, die vooraf bepaalt wat de winst mag zijn. De uitslag staat dus altijd vast.

Drs. C. J. Meeuse noemt het in de "Kerkbode der gereformeerde gemeenten te Rotterdam en ' omstreken" opmerkelijk dat de Partij van de Arbeid zich ergerde aan het spelen van psalmen tijdens de dodenherdenking.

Hoever strekt de verdraagzaamheid van onze tijd? Graag wil men doen geloven dat men eikaars opvattingen moet verdragen en ieder in zijn waarde moet laten. Toch blijkt telkens weer, dat men dit alleen volhoudt zolang het om allerlei menselijke opvattingen gaat. Maar zodra het gaat om Gods Woord of wat daarmee te maken heeft, is de verdraagzaamheid verzoek.

Dit bleek weer eens, toen de vertegenwoordigers van de Partij van de Arbeid het niet konden laten hun ergernis te uiten over het spelen van psalmen bij de dodenherdenking. Ik laat dan nog maar in het midden, dat men het verschil tussen psalmen en geestelijke liederen al niet meer kent. Het heeft in ieder geval irritaties opgeroepen dat er muziek ten gehore werd gebracht, die behoorde bij liederen, die gaan over God en genade, over dood en eeuwigheid. Het zou maar een klein deel van ons volk zijn, dat zich daarin herkende of zich daardoor voelde aangesproken. Blijkbaar wil men muziek die deze zaken niet aanroert. Men gaat er dan gemakshalve maar vanuit dat christenen zich daar even goed in kunnen vinden als zij die Christus haten. Alsof muziek zonder God niet goddeloos is!

Te vrezen is, dat de vijandschap tegen het christendom, die op zulke momenten openbaar komt, steeds vaster vormen zal aannemen. Alleen die 'christenen' die in het publieke leven hun overtuiging kunnen verbergen, zullen geen last krijgen van vervolgingen. Maar dat zijn geen christenen! Te hopen is, dat de ergernis van de vijanden van Christus geen terrein wint, ten koste van de laatste resten christendom die soms in het openbare leven nog doorklinken.

Te vrezen is evenwel, dat zij, die over God en genade, over dood en eeuwigheid uit overtuiging moeten spreken, niet kunnen rekenen op verdraagzaamheid in deze wereld. De wereld verdraagt slechts zichzelf. „En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden" (2 Tim. 3:12).

Maar laten we beseffen, dat Gods gunst meer waard is dan die van de wereld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.