+ Meer informatie

WERKLOOSHEID: SIGNAAL VOOR HEEL DE GEMEENTE

7 minuten leestijd

Eind juli 1983 telde Nederland 826.000 geregistreerde werklozen. In de stukken bij de miljoenennota werd vervolgens vastgesteld, dat dit aantal in de komende maanden weliswaar minder snel zal stijgen dan in de laatste anderhalf jaar, maar dat toch rekening zal moeten worden gehouden met een groei naar 900.000 in de loop van 1984.

Negenhonderdduizend werklozen. Dit wil zeggen, dat zo ongeveer van elke vijf mensen die beroepsmatig zouden kunnen werken, er één geen werk meer heeft. En achter die negenhonderdduizend staan dan nog enkele miljoenen mensen, die van heel dichtbij ervaren wat het wil zeggen werkloos te zeggen. Echtgenoten, ouders, kinderen, die, materieel en immaterieel, mee-lijden.

Er zijn nog altijd mensen, die menen dat de werkloosheid eens weer tot het verleden zal gaan behoren. Als de betere tijden komen, als deze economische depressie voorbij zal zijn, als de bestedingen gaan toenemen, als Nederland weer wat beter in de internationale markt zal liggen, en zo meer.

Daarop te hopen is voor een groot deel een utopie. Er is structureel iets aan de hand met het betaald werken, iets structureels dat niet zo gemakkelijk „geneest”. Ook al zullen betere tijden — wat men daar dan ook onder moge verstaan — ongetwijfeld wat meer werk opleveren, toch blijven er mensen die niet meer, nooit meer als volledig betaalde werkers in het arbeidsproces zullen worden opgenomen. Het aandeel van de factor arbeid in het produktieproces loopt terug. Economische verbeteringen zullen de ondernemers meer ruimte geven, bijvoorbeeld om te investeren, doch deze investeringen zullen lang niet altijd, misschien zelfs maar zelden, tot grotere werkgelegenheid leiden. De huidige technische ontwikkeling maakt steeds geperfectioneerder automatisering, robotisering, computerisering mogelijk; al maar meer werk zal door al maar minder mensen kunnen worden gedaan.

Met het oog hierop wordt nogal eens gesproken en gedacht over een noodzakelijk geachte her-verdeling van (betaalde) arbeid. Méér mensen zullen het kleiner wordende deel betaald werk moeten gaan doen. Vandaar de roep om arbeidstijdverkorting.

Wanneer de werkweek van 40 naar 32 uur wordt teruggebracht kunnen vijf mensen het werk van vier doen. Her-verdeling van arbeid zou dus net zo goed herverdeling van het tekort aan werk kunnen heten. Honderdduizend mensen kunnen betaald aan het werk, wanneer 400.000 mensen elk een vijfde deel van hun werk — èn het daarbij behorende loon — willen afstaan. Zoiets tikt aan bij de bestrijding van de werkloosheid, het tikt ook aan in de loonzakjes van degenen die werk inleveren…

Naast de herverdeling krijgt het vrijwilligerswerk, de niet of niet geheel betaalde arbeid, een ruimere plaats. In de zogenaamde non-profitsector kan worden gewerkt met behoud van een uitkering, er kan in banenplannen en werkervaringsprojecten worden geparticipeerd met behoud van een uitkering en soms met een bescheiden toelage daarboven.

Samengevat kan worden gesteld, dat we in een overgangsfase verkeren: Van de volledige werkgelegenheid — nu al enkele jaren geleden — via een economische recessie met als gevolg een versnelde uitstoot van werkenden — naar een herverdeling van werk op een lager niveau van werktijd en arbeidsloon.

Miljoenen mensen in Nederland lijden nu al onder de wrijvingen, die deze overgangstijd met zich brengt. Allereerst de volledig werklozen, mensen, die — vaak heel plotseling en onverwacht — uit hun levensritme zijn geslagen. Ze waren gewend aan een bezet leven, met verantwoordelijkheden, met de voldoening van zichtbare resultaten op hun inspanning, met toekomstplannen, met redelijke materiële mogelijkheden, met een zeker aanzien vanwege hun positie. Dat alles is hun in een korte spanne tijds ontvallen.

Wat mogen ze verwachten? Voorlopig geen werk, wellicht nooit meer. Geen tijdbesteding meer die zoals vroeger voor een belangrijk deel zin kan geven aan hun leven, een streep door financiële perspectieven, geen „positie” meer in de samenleving behalve die van een werkloze, een overbodige. Zo’n ommekeer hebben honderdduizenden werklozen te verstouwen en met hen hun gezinnen.

Tegelijkertijd worden — eveneens honderdduizenden — jongeren geconfronteerd met een sterk veranderd toekomstbeeld. Het doel van de meesten onder hen was toch wel zich

voor te bereiden op een plaats in de beroepenwereld. Ik leer om later. …… te kunnen worden. Die stipjes worden niet meer zo doelbewust en overtuigd ingevuld. Ik blijf nog leren, omdat ik toch geen werk kan vinden. Ik blijf nog leren, want het kan nooit kwaad iets meer te weten of te kunnen. De motivatie is in korte tijd vervaagd, bij velen zelfs totaal verdwenen, ze stoppen ermee, ze zien er geen gat meer in.

In elke kerkelijke gemeente leeft dit soort ervaringen. Meermalen moet worden vastgesteld, dat deze of gene óók-geen-werk-meer-heeft. Dan wordt daar ongetwijfeld bij een bezoek van de dominee of de ambtsdragers met de betrokkene over gesproken, dan wordt er ook oprecht in meegeleefd, wanneer uit de werkloosheid moeilijkheden — geestelijk of materieel — zijn voortgevloeid. Meegeleefd en als het kan ook geholpen.

Maar toch blijft op deze manier de werkloze in de gemeente een uitzonderingsgeval, de werkloosheid een randverschijnsel.

De vraag is of met deze benadering — hoe goed ook bedoeld — de werkloze èn de gemeente wel optimaal gediend zijn. Waarschijnlijk wordt het tijd voor een meer gerichte aandacht op het veranderende patroon van beroepsmatig, betaald werken en andere vormen van tijdsbesteding in een mensenleven.

Eerder was er sprake van een overgangsfase, waarin de periode van de laatste jaren een enorme groei van het aantal werklozen te zien gaf. Wat minder spectaculair is de laatste decennia de werktijd, de tijd die aan het beroep moet worden besteed, aanmerkelijk verminderd. Ook mensen, die — nog — volledig in het arbeidsproces zijn opgenomen werken tenminste 130 van de 365 dagen niet beroepsmatig. Van de overige 295 etmalen wordt ten hoogste acht uur per etmaal aan het werk besteed. Verder zijn er parttimewerkenden gekomen en twee-verdieners, die samen met één volle baan genoegen nemen. Langere studieperioden en regelingen voor pensionering dan wel vervroegd uittreden beperken bovendien de levenstijd, die aan betaald werken wordt besteed tot minder dan 45 jaar. De tijd, die voor beroepsmatig werken wordt bestemd is voor de meesten onder ons al teruggedrongen tot een fractie van het leven. En deze tijd zal door allerlei herverdelings-operaties in de komende jaren nog verder worden teruggebracht.

Tegen deze achtergrond bezien wordt de volledige werkloosheid van nu al zo velen meer een wrijvingsverschijnsel in een overgangstijd. Een wrijvingsverschijnsel waarvan de trieste gevolgen niet in een eenzame uitzonderingspositie door enkelingen en hun gezinnen behoeven te worden gedragen. We hebben als gemeente de weg naar een veranderend tijdbestedingspatroon samen en in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid te gaan.

Vanuit dit gezichtspunt liggen er taken voor elk gemeentelid. In de eerste plaats zullen we ons hebben te verdiepen in de op gang zijnde veranderingsprocessen. Al gauw zullen we dan tot de conclusie komen, dat niet lang meer het hebben van een volledige werkkring normaal en het leven zonder een beroep of het leven met een parttime baan een uitzondering zal zijn. Het beroepsmatig en tegelijk ook betaald werken krijgt een andere plaats in het mensenleven met als gevolg, dat een grotere verantwoordelijkheid ontstaat voor de besteding van de tijd, die niet langer voor het betaalde werk kan worden bestemd of behoeft te worden bestemd.

In de tweede plaats zal het resultaat van deze bezinning, deze bewustwording en be-wustmaking ook effect moeten hebben op het werk van en het leven in de gemeente. Dat effect zal moeten blijken in de praktijk van de ambtsdragers. De verkondiging bijvoorbeeld zal zorgvuldiger moeten worden afgestemd op het besef, dat ook iemand zonder betaald werk of met weinig betaald werk zich binnen de gemeente „thuis” en aanvaard zal moeten kunnen gevoelen. Het lijkt een typisch calvinistische opvatting te zijn, dat een fatsoenlijk christenmens lang en hard behoort te werken ingevolge zijn cultuuropdracht. Deze tijd vergt daarop de nuancering, dat uitvoering van de cultuuropdracht niet met uitoefening van een betaald beroep behoeft samen te vallen.

De bearbeiding van de gemeente zal erop gericht dienen te zijn dat leefruimte wordt gecreëerd voor werklozen en niet volledig werkenden, ruimte in de zin van een duidelijker acceptatie enerzijds en het openen van mogelijkheden om beschikbare tijd in dienst van de gemeente te besteden anderzijds.

Binnen afzienbare tijd zullen wij allen onze tijd anders gaan indelen.

Het is onze plicht diegenen, die daarin als gevolg van wrijvings-perikelen moesten vóórgaan, op hun moeilijke en nu nog vaak eenzame weg de hand te reiken en samen verder te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.