+ Meer informatie

Preken over de wedergeboorte – hoe doen we dat?

8 minuten leestijd

Hoe stellen we in de prediking de wedergeboorte aan de orde?

Soms wordt de klacht gehoord: te weinig komt in de prediking de noodzaak van de wedergeboorte naar voren. Er wordt gepreekt alsof iedere hoorder behouden is. Vergeten wordt dat er toch met elk kerkmens een wonder moet gebeuren, wil hij of zij zalig worden.

Aan de andere kant kun je geluiden horen in de tegenovergestelde richting: vroeger zeiden de dominees alleen maar dat je wederom geboren moest worden. Aan de rest kwamen ze niet toe. Je kreeg de indruk dat je maar moest afwachten of dat ooit met jou nog eens zou gebeuren.

Bovendien: is het wel juist om in de gemeente van Christus nog te zeggen dat je wedergeboren moet worden? Zeker vandaag mag je er toch vanuit gaan dat iemand die in de kerk komt een keuze heeft gemaakt?
Hoe moeten we in het licht van het bovenstaande op een Bijbelse manier de wedergeboorte in de verkondiging aan de orde stellen?

Hoe is het vóór de wedergeboorte

Dat de Bijbel spreekt over dit onderwerp mag helder zijn. Niet maar op een paar plaatsen en ook niet altijd met dezelfde woorden. Maar de zaak waarom het gaat wordt de hele Schrift door aan de orde gesteld. Er moet met ons een wonder gebeuren, willen we het Koninkrijk van God kunnen binnengaan. En dat wonder is zo ingrijpend dat daarvoor gegrepen wordt naar de uitdrukking: ‘opnieuw geboren worden’, of: ‘van Boven geboren worden’.

Waarom zou deze terminologie gebruikt worden?

Nu, daar is het Woord van God helder over. Zoals wij geboren worden, ziet het er met ons hopeloos uit. Ook al zijn wij allen schepselen van God, we komen niet als mooie pareltjes ter wereld. Integendeel, de Bijbel typeert onze situatie met het woord ‘dood’.
De brief aan de Romeinen vertelt ons dat, als gevolg van onze zonde, de dood is gaan heersen in deze wereld (5:12v). De dood is een tirannieke heerser, net als de zonde.
Er is geen mens die niet aan deze macht onderworpen is.
Wat gebeurde er in de zondeval? We sneden onszelf af van de Bron van het leven. En dan blijft de dood over. Lichamelijk: denk aan ons sterven. Eeuwig: denk aan de eeuwige verlorenheid. En geestelijk: we ademen niet meer in de Heere, en kunnen geen vrucht meer dragen voor Hem.
Dat is geen noodlot, dat is schuld. Daarom spreekt het Nieuwe Testament over een dood zijn ‘door de overtredingen en de zonden’ (Efeze 2:1 en 5).
Het is een vreemde manier van dood zijn: we zijn er namelijk niet passief in, maar hyperactief: een intense afkeer van en vijandschap tegen God.
Daarom is het ook onmogelijk dat ik er zelf voor kies om wedergeboren te worden. Net zomin als we er voor gekozen hebben om uit onze moeder geboren te worden, kunnen we dat in geestelijk opzicht. We moeten wedergeboren worden.
Deze dingen moeten eerlijk in de prediking benoemd worden. Om zo des temeer het wonder van de nieuwe geboorte te laten schitteren!

Wat gebeurt er in de wedergeboorte?

De Heere Jezus maakte aan een doorgewinterd verbondskind, Nicodemus, duidelijk dat dit wonder ook bij hem moest plaatsvinden. Dus het moet óók en juist in de verbondsgemeente verkondigd worden!
De Heiland spreekt letterlijk over een geboorte van Boven (Joh. 3:3). God moet er Zelf door Zijn Geest aan te pas komen. Opnieuw geboren worden is dus geen zaak van beneden (in die trant dacht Nicodemus, zie vers 4), maar een zaak vanuit de hemel.
Wedergeboorte wordt in het Nieuwe Testament ook wel met andere woorden weergegeven: herscheppen, vernieuwen, levend maken. Als de Heilige Geest ons opnieuw geboren doet worden, betekent dat dat Hij met ons een totaal nieuw begin maakt. Oplappen, bijschaven en restaureren is blijkbaar niet voldoende.

In dit nieuwe begin komen allerlei andere dingen onlosmakelijk mee, namelijk het geloof (Joh. 3: 15-18), een steeds doorgaande vernieuwing van het leven (Titus 3: 5: als in een bad: je gaat helemaal onder in het water en wordt helemaal schoon), uiteindelijk resulterend in de totale vernieuwing van hemel en aarde bij de wederkomst van Christus (Mattheüs 19:28).
Voor de duidelijkheid spreken we wel over wedergeboorte in engere zin (dus het begin van het nieuwe leven), in ruimere zin (de doorgaande vernieuwing, zie ook artikel 24 NGB) en in de ruimste zin (de nieuwe hemel en aarde).
Prachtig en evenwichtig wordt over de wedergeboorte gesproken in de Dordtse Leerregels: III/IV, 11 en 12.

Bijzonder is de manier waarop Petrus spreekt over het wedergeboren worden, in 1 Petrus 1. Daar gebeurt het op de manier van de lofzang! ‘Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’ (vers 3).
Hier wordt de bron van de nieuwe geboorte aangegeven: Gods barmhartigheid. En ook de historische grond: het heilsfeit van Christus’ opstanding. Ten slotte ook het doel: de levende hoop.
Zo geeft de Heere zondige mensen een nieuw begin èn tegelijk een nieuw perspectief.
Overigens geeft deze apostel even verder in dit hoofdstuk ook aan wat het middel is waarvan de Heilige Geest gebruik maakt: ‘… u, die opnieuw geboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God’ (vers 23).
Niet voor niets noemen we de kerk wel de werkvloer van de Heilige Geest, omdat dáár het levende Woord verkondigd wordt.

Waar is de wedergeboorte aan te herkennen?

Het is van belang om in de prediking op gezette tijden (in het licht van een concrete tekst die bepreekt wordt) te laten zien waaraan de wedergeboorte merkbaar wordt.
Anders gezegd: wat de vruchten zijn (juist het woord ‘vrucht’ legt de nadruk op het werk van de Heilige Geest).
We komen daar heel wat van tegen in de eerste brief van Johannes. Als we de brief in vogelvlucht nagaan, vallen de volgende elementen te noemen: het belijden van zonden en het vluchten daarmee tot Christus (1 Johannes 1:8 – 2:2), het kind van God zijn (3:1), het doen van gerechtigheid (2:29), het niet meer kunnen léven in de zonde (3:9, wat overigens niet betekent dat je er niet meer in kunt vàllen, zie opnieuw 1:8), het overwinnen van de wereld (4:7), Jezus als de Christus belijden (5:1), liefde tot de medegelovigen (5:3), het bieden van weerstand tegen de duivel (5:18). Het is dus aan iemand te merken of hij/zij wedergeboren is!

Afhoudend spreken?

Het gevaar bestaat dat er op zo’n manier over de wedergeboorte gesproken wordt dat het afstoot. Als standaard in vrijwel elke preek gezegd wordt dat een mens wederom geboren moet worden (en dan ook vaak nog in dezelfde bewoordingen), dan spréékt het niet meer.
Dan krijgt de gemeente de indruk: om goed orthodox over te komen, moet de voorganger dit toch in elk geval gezegd hebben.
Het is ook niet ‘wervend’ als alléén maar gezegd wordt dat het móet. Zeker, dat is helemaal waar – zie het gesprek van de Heere Jezus met Nicodemus. Maar er mag meer gezegd worden – zie de paragraaf hieronder.
De wedergeboorte moet ook niet geïsoleerd bepreekt worden, maar in het geheel van de Bijbelse verbanden die hierboven benoemd zijn.

Belovend spreken!

De Heere zegt in Zijn woord niet alleen dat het moet, maar ook dat het kàn; dat Hij het wil doen. Dat heeft Hij immers bij onze doop toegezegd: ‘…. zo verzekert de Heilige Geest ons door dit heilig sacrament dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil…’
In Ezechiël 36 wordt de wedergeboorte genoemd als een belofte van de Heere aan Zijn volk dat Zijn Naam ontheiligd had: ‘Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven. Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven’(36:26v).
De weg waarlangs we deze zegen mogen ontvangen wordt in hetzelfde hoofdstuk aangewezen: ‘Zo zegt de Heere HEERE: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen’.
De wedergeboorte (het nieuwe hart) is dus een belofte van het genadeverbond. En binnen dat verbond wil de Heere werken volgens de regel van Psalm 81 – een Psalm die we onze kinderen als een van de eerste leren:

‘Opent uwe mond,
eist van Mij vrijmoedig
op Mijn trouwverbond.
Al wat u ontbreekt,
schenk Ik, zo gij ’t smeekt,
mild en overvloedig’.

Wanneer dit de toonzetting van de prediking is, houden we de dingen bij elkaar zoals Gòd wil dat we ze verbinden.
We worden bewaard voor een clichématig spreken en een lijdelijke inslag enerzijds, en voor een verbondsoptimisme en een vanzelfsprekend geloof aan de andere kant.
Zo komt, naast de noodzaak van de wedergeboorte, vooral ook de troost ervan aan de orde: nu wij zo door de zonde geïnfecteerd zijn dat er van onze kant geen redden meer aan is, komt de drie-enige God van het verbond naar ons toe om ons de enige uitweg te bieden: een totaal nieuw begin dat Hij bewerkt. Ere Wie ere toekomt!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.