+ Meer informatie

NIET GEKOZEN EN TOCH BENOEMD

8 minuten leestijd

Soms wordt men benaderd over een bepaalde situatie in een gemeente, waarvan men dan in eerste instantie denkt: een incident. Maar als er dan meer signalen komen over hetzelfde punt, dan lijkt het incident zich in de richting van een structuur te ontwikkelingen. En dan denkt men: tijd voor een artikel.

HET PUNT IN GEDING

Waar gaat het om? Van verschillende kanten kreeg ik het laatste jaar een vraag over het plan van een kerkenraad om een broeder in de gemeente te benoemen als ouderling of diaken zonder dat er een stemmingsvergadering met de (stemgerechtigde) leden van de gemeente zal worden gehouden. Wel, zo deelt de kerkenraad dan mee, zal de gemeente gevraagd worden om approbatie (goedkeuring) van de benoeming. En of er tegen een dergelijke gang van zaken bezwaren zijn. Wel, volgens mij zijn die er, en dat wordt hopelijk in de loop van dit artikel duidelijk.

DE REDEN VOOR DIT PLAN

Natuurlijk hebben kerkenraden redenen voor een dergelijke benoemingsprocedure. Afgezien van details die minder ter zake doen is daar het volgende van te zeggen:

In alle situaties is er sprake van het gegeven dat het de kerkenraad niet meer mogelijk is om tot dubbeltallen te komen waaruit de gemeente een keuze kan doen, onder aanroeping van de naam van de Here. Ook geeft de mogelijkheid die onze kerkorde sinds 2001 officieel biedt, namelijk het vormen van een kleiner getal dan een dubbeltal (bijvoorbeeld vijf kandidaten voor drie vacatures) geen uitkomst meer. Men komt niet verder dan een enkelvoudige kandidaatsstelling en zelfs dan nog blijven er in sommige situaties één of meer vacatures. Het hoeft geen betoog dat dit voor kerkenraden - en hopelijk ook voor de gemeenten die aan hun geestelijke zorg zijn toevertrouwd - knellende en zorgelijke situaties zijn. Men gaat zich vervolgens blijkbaar afvragen: is het nodig om de gemeente bijeen te roepen als wij toch geen ‘keuzemogelijkheden’ kunnen aanbieden? Kunnen we die fase niet overslaan en meteen de gemeente voorstellen die ene broeder voor die ene vacature of die drie broeders voor die drie vacatures maar te benoemen? In feite komt een kerkenraad met een dergelijk voorstel meteen bij de zogenaamde approbatie, wat een fundamenteel recht van alle gemeenteleden is: benoemde broeders worden op twee achtereenvolgende zondagen bekendgemaakt aan de gemeente, opdat deze haar recht kan uitoefenen om gegronde bezwaren tegen een benoemde broeder bij de kerkenraad ter kennis te brengen - dat moeten dan dus zwaarwegende bezwaren zijn tegen iemands leer of leven. ‘Het scheelt een stemmingsvergadering, maken en laten invullen van briefjes enzovoort’.

Bij de onderliggende argumenten zijn er twee lijnen te onderkennen:

1. Soms komt een kerkenraad aan de weet dat in een gemeente buiten het eigen kerkverband deze procedure ook gehanteerd wordt. En dat klopt: in de Nederlands Gereformeerde Kerken, maar ook in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en standaard in de PKN. In de NGK gebeurt dat dan tegen de uitdrukkelijke kerkordelijke regel in: in hun Akkoord voor kerkelijk samenleven - dat in 2013 voor het eerst als hoofdstuk van het Informatieboekje (het landelijke ‘NGK-Jaarboekje’) kan worden geraadpleegd - is in de artikelen 3 en 4 duidelijk het recht en de roeping van de gemeente bij de verkiezing van ambtsdragers vastgelegd, namelijk door de kerkenraad bijeengeroepen worden, kiezen en indien nodig persoonlijke bezwaren indienen.

In de GKv is in de Werkorde-3 (die DV in 2014 de huidige kerkorde zal gaan vervangen) in artikel B24 ditzelfde vastgelegd, maar… in B24.5 kan men lezen: ‘Bij uitzondering kan benoeming zonder verkiezing plaatsvinden’.

In de PKN is de verkiezing van ambtsdragers door de kerkenraad (en dus niet door de gemeente) standaard - in tegenstelling tot de situatie bij de kerken behorend tot de gereformeerde en reformatorische traditie. Maar… daar zijn de kerkenraden wél verplicht om iedere zes jaar aan de gemeenten te vragen of deze lijn gehandhaafd zal blijven, of dat de gemeente zélf haar recht wil uitoefenen.

2. Soms ook zijn kerkenraden bevreesd dat bij een voorgestelde enkelvoudige kandidaatsstelling een broeder ‘het niet haalt’, dat wil zeggen dat hij de kies-drempel niet haalt. Dan is men ‘een kandidaat kwijt, en het is toch al zo moeilijk’. En die kerkenraden hebben dat pijnlijke moment, namelijk dat iemand niet voldoende gewenst wordt door de gemeente, al eens eerder meegemaakt. Dat wil men niet nog eens meemaken, en daarom wil men de verkiezing als afzonderlijke acte overslaan.

DE PRINCIPES

Met alle begrip voor de moeiten die kerkenraden kunnen hebben en die hierboven omschreven zijn, moet toch gezegd worden dat de procedure van ‘niet verkiezen en toch benoemen’ op gespannen voet staat met de kerkorde. In artikel 22 staat heel helder: ‘De ouderlingen wordt tot hun ambt geroepen via verkiezing door de gemeente uit een voordracht van de kerkenraad’. Daarna volgt dat dit een voordracht kan zijn variërend van enkelvoudig tot dubbeltal. In artikel 24 staat hetzelfde voor de diakenen. Let wel: de gemeente verkiest, en niet de kerkenraad. Dat laatste gebeurt feitelijk wanneer de gemeente in deze procedure wordt overgeslagen, en slechts wordt geraadpleegd op het moment dat de approbatie aan de orde is.

Nu zal iemand zeggen: dat is de kerkorde, maar die kunnen we toch aanpassen? En u hebt gelijk, sterker nog: de kerkorde wordt op iedere generale synode op punten aangepast. Dan nog: als een kerkenraad dit op dit punt zou willen, kan hij het niet zomaar invoeren, maar zal hij dat eerst via de kerkelijke route aan de orde moeten stellen. Zo hebben wij dat immers samen afgesproken. Maar de vraag rijst dan: is een dergelijke verandering Bijbels gezien gewenst? Dat is een boeiende vraag, en de Schrift biedt ook handvatten voor de bezinning erop.

Eerst: in de hierboven aangehaalde zin uit artikel 22 K.O. leest u dat de ambtsdragers geroepen worden via verkiezing door de gemeente. Dat is met opzet zo geformuleerd. Er zit de overtuiging achter dat het Christus zélf is die de ambtsdragers roept en schenkt aan de gemeente (Efe. 4:7-12). Hoger kan het niet. In de eerste bevestigingsvraag klinkt dit hoge principe door: ‘Bent u in uw hart overtuigd dat God zelf u door zijn gemeente tot deze heilige dienst geroepen heeft?’

Vervolgens is natuurlijk de vraag: hoe komt de gereformeerde traditie erbij om de gemeente in die geestelijke route zo’n duidelijke plaats te geven? Daarvoor is allereerst te wijzen op de ‘vacature Judas’ en de vervulling daarvan, beschreven in Han. 1:14-26. De discipelen stellen een tweetal, maar de gemeente (ongeveer 120 personen, vers 15) is bijeen om die broeder naar voren te zien komen die de Here zal roepen: daarvoor dient gebed (vers 14) en het werpen van het lot. Het eerste gebeurt nog altijd bij verkiezing van ambtsdragers. Voor wat betreft het tweede bedenken we dat deze loting plaatsvond net voor de uitstorting van de Heilige Geest (Han. 2). Doorlezend vanaf die komst van de Geest in het boek Handelingen stoten we op 6:1-6. Er is uitbreiding van de leidinggevende discipelkring nodig, en wat lezen we? De gemeente wordt bijeengeroepen (vers 2), de gemeente kiest zeven broeders (vers 3 en 5), en dit alles onder gebed en handoplegging (vers 6). De gemeente krijgt dus een voorname plaats, zij is mondig (Efe. 4:14-16) en krijgt haar geestelijke verantwoordelijkheden. En… die zal een kerkenraad haar dus niet uit handen nemen!

OPLOSSINGEN

Kortom, graag wil ik met u blijven bij onze kerkelijke afspraken op dit punt. Dat betekent: ook bij enkelvoudige kandidaatstelling voor ambtsdragers wordt de gemeente samengeroepen voor een verkiezing. En als er dan 100% voor is (wat is dat mooi!), zeggen we niet: we hadden die fase wel kunnen overslaan… maar: wat is het heerlijk om als gemeente zo eendrachtig in een verkiezingsvergadering bij elkaar te zijn en zo de eensgezindheid te proeven. Dat alleen al maakt een stemmingsvergadering de geestelijke moeite waard, naar mijn vaste overtuiging.

Maar dan ook nog over die tweede reden: ‘hij haalt misschien de stemmen niet’. Want inderdaad: niet altíjd is de gemeente zo eenstemmig. Soms zit dat op de kandidaat en zijn gaven vast en heeft de kerkenraad misgetast (pijnlijk, maar niet onmogelijk), soms ook zit het vast op de geestelijke verschillen binnen de gemeente die op dat moment scherp naar boven komen (‘die wil ik niet, want die is te modern, of te ouderwets’ - want het komt aan beide geestelijke zijden van ons kerkelijk leven voor).

Toch is het mijn overtuiging dat ook in dergelijke lastige situaties het ‘overslaan’ van de gemeente misschien op korte termijn soelaas biedt, maar dat er vroeger of later toch spanningen zullen ontstaan, die zich ook op het hoofd van deze ambtsdrager kunnen ontladen. De kerkenraad maakt hem onbedoeld tot speelbal van deze geestelijke verschillen en breuklijnen binnen de gemeente. Tegen dit verschijnsel helpt maar één ding: als kerkenraad de gemeente op een avond bijeenroepen en eerlijk en open dit geestelijke probleem bespreekbaar maken (misschien het beste met een inleider ‘van buiten’). Soms houden gemeenteleden elkaar inderdaad ‘gevangen’ in hun onderlinge geestelijke verschillen. Dat komt naar boven rond een ambtsdragersverkiezing, maar natuurlijk op veel meer momenten. Een kerkenraad kan dat bedekt willen houden, maar is er niet een weg die verder omhoog wijst? Die van de liefde (I Kor. 13) die deze moeiten geestelijk bespreekbaar wil maken, opdat men zo als gemeente geestelijk verder komt? Het is niet goed om ons bij de verschillen neer te leggen, met gebed en kracht van de Geest dienen we ze te boven te komen - onder Gods onmisbare zegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.