+ Meer informatie

Het gesprek over het heilig avondmaal op het huisbezoek

15 minuten leestijd

Inleiding.

Huisbezoek wordt in onze kerken over het algemeen trouw afgelegd. De meeste kerkeraden dragen er zorg voor, dat al de gemeente-leden jaarlijks éénmaal huisbezoek ontvangen. Dat is een zeer goede gewoonte waarmee onder geen voorwaarde gebroken mag worden. Zeker niet in onze tijd. Meer dan ooit zal er contact moeten zijn en blijven tussen ambtsdragers en gemeente-leden. Men kan er lang over spreken wat op een huisbezoek aan de orde gesteld moet worden. Maar één van de belangrijkste onderwerpen van gesprek dient te zijn de persoonlijke verhouding tot de Here. Nauw in verband hiermede staat het gesprek over het Heilig Avondmaal.

Het gesprek over het Heilig Avondmaal is daarom van zo grote betekenis omdat het Avondmaal zelf een zo belangrijke plaats inneemt in het leven van de gemeente van Christus. Het is één van de sacramenten en dat betekent o.m. dat de Here Zelf het Avondmaal heeft ingesteld. Bovendien vormt de viering van het Avondmaal altijd weer een hoogtepunt in het leven der gemeente en van ieder gelovige afzonderlijk. Ieder gemeentelid gevoelt wel iets van de hoge betekenis van dit sacrament. Het stelt telkens opnieuw voor een keuze. En wie op de hoogte is van wat er leeft in de gemeente weet dat de viering van het Heilig Avondmaal voor velen geen gemakkelijke zaak is.

De plechtige, soms ietewat sombere gezichten op de Avondmaals-zondag zeggen voldoende hoezeer de ontmoeting van de Here aan Zijn tafel de gemeente in een zekere spanning brengt. Soms is er een bepaalde huiver voor dit sacrament. Zelden is er zichtbare vreugde over het feit, dat het Heilig Avondmaal staat aangericht. Toch moet daar direkt bij gezegd worden, dat de gemeente als geheel dit hoogtepunt ook weer niet zou willen missen.

Er wordt direkt over gesproken wanneer het H. Avondmaal later gevierd wordt dan normaal. Vanzelfsprekend kunnen daar verkeerde motieven aan ten grondslag liggen, zoals b.v. een onzuivere nieuwsgierigheid naar de reden waarom de viering van dit sacrament wordt uitgesteld. Maar het is ook zo, dat intuïtief aangevoeld wordt: we moeten dit sacrament onderhouden; het is weer tijd; we kunnen het niet ontberen.

Er is met betrekking tot het H. Avondmaal veel misverstand. Velen hebben moeite met het antwoord op de vraag: voor wie is het Avondmaal des Heren ingesteld? Niet dat men het antwoord niet zou kennen maar wel dat men het antwoord niet recht verstaat en niet weet wat er precies met dit antwoord bedoeld wordt.

Tenslotte gebeurt het niet zelden, dat juist een gesprek over het H. Avondmaal leidt tot één van de meest vruchtbare gesprekken van een ambtsdrager.

Dit alles bij elkaar genomen (er zou nog meer te noemen zijn) geeft voldoende reden om over het H. Avondmaal op het huisbezoek te spreken.

Maar, hoe moeten we dit gesprek voeren? Waar moeten we vanuit gaan bij dit gesprek en welke elementen moet het bevatten?

Getracht zal worden in het vervolg van dit artikel enkele aanwijzingen te geven.

De actualiteit van het gesprek over het H. Avondmaal op het huisbezoek.

In de inleiding werd al het een en ander gezegd over de redenen om op het huisbezoek te spreken over het H. Avondmaal. Het kan goed zijn nog iets dieper op deze redenen in te gaan ten einde de noodzakelijkheid van dit gesprek ook in deze tijd goed te beseffen. Want evenmin als het H. Avondmaal zelf veroudert, verouderen de vragen rondom de viering van dit sacrament. Zij zijn nog ten volle aktueel en ze zullen dat wel blijven ook.

Juiste gegevens over het aantal deelnemers aan de viering van het H. Avondmaal in onze kerken ontbreken. In het algemeen kan echter wel gezegd worden dat het niet zo is dat in alle kerken het aantal communicanten evenredig is aan het aantal belijdende leden. De oorzaak hiervan ligt niet in het grote aantal gecensureerden. Dit aantal is te verwaarlozen. Evenmin zullen we de oorzaak moeten zoeken in een groot aantal rand-leden van de kerken. Natuurlijk zijn er wel randleden (elke gemeente kent ze) maar afgedacht van hen blijkt in tal van gevallen de verhouding belijdende leden — communicanten niet evenredig te zijn.

De redenen van het niet communiceren liggen grotendeels in het vlak van moeilijkheden met betrekking tot het sacrament zelf. Men meent niet aan het H. Avondmaal te mogen deelnemen omdat men geestelijk niet ver genoeg is om aan te gaan. Een niet onbelangrijke factor daarbij is dat velen een verkeerd inzicht hebben in de vraag wie tot viering van het H. Avondmaal gerechtigd zijn. In het noorden van het land zijn gemeenten waar het overgrote deel van de belijdende leden communiceert. Daar staat echter tegenover dat het aantal belijdende leden in die gemeenten beduidend geringer is dan het aantal volwassen kerkgangers. Met andere woorden: het getal volwassen doopleden is behoorlijk groot of ook velen zijn niet eens dooplid maar leven toch uiterst getrouw met de gemeente mee.

De redenen hiervan liggen in hetzelfde vlak als bij de eerstgenoemden. Alleen, de vragen en bezwaren zijn verschoven. In verschillende gemeenten in het noorden zal men als men openbare geloofsbelijdenis heeft afgelegd ook ten Avondmaal komen. Men ziet die twee als onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Maar voordat men openbare geloofsbelijdenis doet komt er heel wat kijken. De moeilijkheden in deze gemeenten liggen dus meer bij het afleggen van geloofsbelijdenis terwijl in andere gemeenten de geloofsbelijdenis wel wordt gedaan maar aan de viering van het H. Avondmaal niet zo gemakkelijk wordt deelgenomen.

Er zijn ook gemeenten aan te wijzen waar het aantal communicant enin de loop der jaren behoorlijk is toegenomen. In die gemeenten is dus iets doorbroken. Alleen, men denke niet dat men er daarmee is. Want de praktijk bewijst dat velen toch nog grote moeite hebben met het vieren van het H. Avondmaal.

Afgedacht van de vraag of het hierboven geschetste beeld geheel juist is zal elke ambtsdrager, die wat ingewerkt is de ervaring hebben dat de viering van het H. Avondmaal voor vele leden een vrij moeilijke aangelegenheid is. Ook voor velen, die de viering nooit overslaan en zo vaak het Avondmaal gevierd wordt communiceren. Bij velen ligt het ongeveer zo, dat zij niet af willen en kunnen blijven van het Avondmaal maar dat zij innerlijk toch vrij veel remmingen blijven behouden. De voorbereiding tot de ontmoeting van de Here aan Zijn tafel brengt niet alleen tot de spinning van het op juiste en waardige wijze aangaan maar ook tot de vraag: zal ik wel aangaan? Voor velen is het dan zo dat zij t.a.v. deze vraag voor zichzelf niet tot voldoende duidelijkheid komen. Dat betekent niet, dat zij niet aangaan. Dat doen ze wel maar het voor hun doorslaggevende argument is dan dat ze ook niet kunnen afblijven omdat ze weten niet zonder de Here te kunnen leven. Dat meent men oprecht maar het is duidelijk dat dergelijke broeders en zusters voor zichzelf meer tot helderheid dienen te komen en dat zij derhalve ambtelijke zorg dringend behoeven. Men kan zich er over verheugen, dat de gang tot de tafel des Heren geen vanzelfsprekendheid is. Want dat is altijd verkeerd en moet tegen gegaan worden. Maar anderzijds bewijst deze wijze van aangaan een grote geestelijke nood waarin geholpen dient te worden.

Aan de andere kant is er ook een categorie van gemeente-leden, die de Avondmaalsviering nimmer overslaat maar waarbij men wat meer diepte zou wensen. Over het hart kan de kerk en dus ook een ambtsdrager niet oordelen. Maar niet zelden geven dergelijke broeders en zusters de indruk dat het bijbelse woord gehoorzaamheid vervlakt is tot het voldoen aan een verplichting zonder meer. Al zal een ambtsdrager er altijd rekening mee hebben te houden dat niet elk gemeente-lid zich even gemakkelijk kan uiten en dat men juist over geestelijke dingen zich wel eens heel erg stuntelig uit toch krijgt men wel eens de indruk dat men uitgaat van de stelling: het hoort nu eenmaal zo dat ik als belijdend lid het H. Avondmaal vier en daarom mag ik niet wegblijven.

Op zichzelf is dat natuurlijk volkomen waar. Niemand zal het kunnen of durven ontkennen. Maar er ontbreekt iets. De gehoorzaamheid wordt een min of meer koude plicht waaraan men voldoet.

Tenslotte is er ook nog een aantal leden voor wie de Avondmaalsviering een soort Grote Verzoendag schijnt te zijn. Zijn ze gewoonlijk vrij gemakkelijk in het kerkgaan, als het H. Avondmaal gevierd wordt mist men ze nooit. Dan zijn ze trouw. Men zou wensen dat ze anders ook zo getrouw waren.

Nu is het zeker waar aan al de genoemde moeilijkheden (en wellicht zijn er meer) aandacht gegeven zal worden in de prediking. Maar dat maakt het gesprek op het huisbezoek niet overbodig. Een gesprek over het H. Avondmaal kan veel verhelderen; kan ook velen helpen en daarvoor doen we toch huisbezoek.

Zo moge op grond van het bovenstaande duidelijk zijn dat het gesprek over het H. Avondmaal op het huisbezoek vandaag aan de dag nog actueel is en dat er geen enkele reden is om over het H. Avondmaal bij het ambtelijke werk te zwijgen.

HUISBEZOEK EN AVONDMAAL HISTORISCH GEZIEN

Onze Vaderen hebben altijd een nauw verband gelegd tussen huisbezoek en Avondmaal. De neerslag daarvan vinden we terug in de Dordtse Kerkorde. Artikel 23 van deze kerkorde zegt, dat tot de ambtelijke opdracht van de ouderlingen behoort: „… zowel vóór als na het Heilig Avondmaal huisbezoek te doen, om de leden der gemeente te vertroosten en te onderwijzen en anderen te bewegen tot het geloof in Christus”.

Dit artikel en deze zinsnede zijn bijna letterlijk overgenomen uit de oorspronkelijke Dordtse Kerkorde. Ook andere uitspraken van kerkelijke vergaderingen als provinciale synoden aan het einde van de 16e en in het begin van de 17e eeuw bewijzen dat zeer sterke nadruk gelegd werd op het huisbezoek vóór en na het H. Avondmaal.

Waarom wilden onze vaderen het huisbezoek juist in verband gebracht zien met het H. Avondmaal?

Voorzover dit door mij nagegaan kon worden lopen er door de kerkelijke uitspraken van de 16e en 17e eeuw over huisbezoek en Avondmaal twee lijnen. De eerste lijn is, dat men wilde dat het H. Avondmaal getrouw werd gevierd door de leden der kerk. De gehoorzaamheid aan het gebod des Heren nam een grote plaats in. De gehoorzaamheid aan dit gebod stond veelszins voorop. Men bedenke hierbij, dat in de tijd toen de Dordtse Kerkorde werd opgesteld het Piëtisme en de daaraan verwante nadere reformatie nog weinig of geen invloed hadden. Hoeveel goeds van deze twee stromingen ook gezegd kan worden ontkend kan niet dat de accenten in de jaren, dat deze stromingen grote invloed hadden anders gelegd werden dan in de eerste 75 jaar na de Reformatie. Deze accenten werken door tot op vandaag ook in onze kerken. Sinds Piëtisme en nadere reformatie wordt de gehoorzaamheid, de opvolging van het gebod: „doet dat tot Mijn gedachtenis” minder sterk benadrukt. Nu was het zeker niet zo, dat de vaderen in de eerste periode na de reformatie een uitgeholde gehoorzaamheid voorstonden. Men zou groot onrecht doen als men dat beweerde. Gehoorzaamheid had voor hen een veel diepere en warmere klank dan een koude plicht. Gehoorzaamheid was voor hen het hartelijke antwoord op de grote verlossing in Christus Jezus. Gehoorzaamheid had voor hen een gespierde klank. Zij zagen gehoorzaamheid als roeping tegenover de Here. Vandaar dat zij die roeping ook nagekomen wilden zien.

Daarvoor was nodig, dat de gemeente op haar roeping gewezen werd; dat zij niet alleen in de prediking op die gehoorzaamheid gewezen werd maar ook in huis.

Dat wordt bewezen door de formulering van artikel 23 D.K.O. Daar staat immers: „zowel vóór als na het H. Avondmaal huisbezoek te doen, om de leden der gemeente te vertroosten en te onderwijzen en anderen te bewegen tot het geloof in Christus”. Vooral de laatste zinsnede is hier van betekenis. Deze zinsnede is volkomen gecoördineerd aan de andere delen van deze zin. Dat houdt in dat de bedoeling van het huisbezoek o.m. was om te bewegen tot het geloof en dan deel te nemen aan de viering van het H. Avondmaal. Tevens mag hieruit geconcludeerd worden, dat de vaderen op het standpunt stonden, dat geloof in Christus noodzakelijkerwijs met zich mede brengt deelneming aan het H. Avondmaal.

Het blijkt ook uit een uitspraak van de synode van Dordrecht van 1574 waarin te lezen staat, dat de dienaren des Woords tot taak hebben er acht op te geven wie de lidmaten van de gemeente zijn of voorheen geweest zijn. En dan lezen we: „Item of zij telcken Nachtmale communiceren, soo niet, hun int bisonder aen te spreecken of door andere bequamen laten aanspreecken.”

Gehoorzaamheid aan het gebod des Heren dat is de éne lijn. Er loopt echter door de kerkelijke uitspraken ook een andere lijn. Deze n.l., dat nauwkeurig geïnformeerd zal worden naar de levenswandel en dat de gemeente goed voorbereid zal worden op de viering van het H. Avondmaal. Soms wordt voorgeschreven, dat de voorbereiding twee of drie weken van te voren vanaf de kansel zal worden medegedeeld. In dit verband lezen we vele zinnen over vermaningen en opwekkingen. De kerk wilde dat het H. Avondmaal op de juiste wijze werd gevierd.

Dat het noodzakelijk was ook deze zijde te benadrukken is te verstaan. Immers de ge-re-formeerde kerk was een staatskerk. Daardoor werd zij in feite volkskerk met alle gevolgen van dien. Bovendien vergete men niet dat vooral in de eerste tijd na de reformatie de leden der gemeente nog veel roomse smetten hadden overgehouden. De kennis was gering en de levenswandel liet veel te wensen over. De zeden waren tamelijk ruw.

Hoewel dit overzicht niet volledig is zal men toch als algemene conclusie kunnen stellen, dat de vaderen grote nadruk legden op de eis des Heren tot viering van het H. Avondmaal terwijl ze anderzijds wilden waken voor ontheiliging van het sacrament. We stuiten hier op die merkwaardige evenwichtigheid, die we in die jaren veel ontmoeten. De belijdenisgeschriften leggen daarvan ook getuigenis af op tal van plaatsen.

Het spreekt vanzelf, dat we de conclusie uit deze historische gegevens niet naast ons neer kunnen leggen. Zij zijn voor het heden van belang. Dit temeer omdat de visie van onze vaderen op het H. Avondmaal door en door schriftuurlijk is. Kennis van hetgeen Schrift en Belijdenis over het H. Avondmaal zeggen voor de ambtsdragers noodzakelijk.

Ambtsdragers hebben een zeer verantwoordelijke taak. Hun zijn immers mensen toevertrouwd waarvoor zij niet slechts als mede-broeders maar juist als ambtsdragers verantwoordelijkheid dragen. Het is hun roeping de leden der gemeente te leiden in de Naam van onze Heiland. Daarom zullen ambtsdragers kennis van zaken moeten hebben wanneer zij op het huisbezoek de broeders en zusters willen leiden inzake het H. Avondmaal.

Het kan niet alleen overbodig maar ook beledigend voor de ambtsdragers, het bijzonder de ouderlingen lijken wanneer dit gezegd wordt. Toch is dit allerminst de bedoeling.

Ten eerste zegt het bevestigingsformulier voor de ouderlingen: „om hetwelk te doen, de ouderlingen schuldig zijn, Gods Woord naarstig te doorzoeken, en zichzelf gedurig te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs.” Dat doorzoeken (wat een prachtig woord, nog mooier en dieper dan onderzoeken!) heeft zeker ook betrekking op wat de Schrift zegt over het H. Avondmaal. En het H. Avondmaal zelf behoort tot de verborgenheden des geloofs. Ten tweede bewijst de praktijk dat vele ouderlingen op grond van wat ze in de gemeente tegenkomen dikwijls zelf vragen om meerdere toerusting voor hun taak.

Ten derde hebben ook de predikanten bij ervaring, dat zij, luisterende naar de geestelijke vragen, die er bij de gemeente leven, tot zichzelf zeggen: nu wilde ik wel eens rustig de tijd hebben om over de vragen, die mij voorgelegd worden na te denken en te studeren. Niet zelden betreffen dat vragen, die verband houden met het H. Avondmaal.

Ouderlingen zullen dus heel goed moeten weten wat Schrift en Belijdenis over het H. Avondmaal zeggen. Daarmee is tegelijk gezegd waar zij hun kennis vandaan moeten halen. Uit Schrift en Belijdenis.

In de eerste plaats dus de H. Schrift. Al wat de kerk gezegd heeft over het H. Avondmaal is gebaseerd op de Schrift. De Schrift is de bron van alle kennis. Ook van die van het H. Avondmaal. De Belijdenis is slechts antwoord op de Schrift. Daarom zullen we altijd achter de Belijdenis terug moeten gaan naar de Schrift. Het is ongeoorloofd te zeggen: de Belijdenis zegt het zo mooi en daarom kan ik wat de Schrift zegt verwaarlozen want de vaderen hebben de Schrift slechts nagesproken. We mogen de Schrift niet lezen door de bril van de Belijdenis maar we moeten de Belijdenis lezen door de bril van de Schrift.

Van groot belang is dat de ouderlingen zich eens in het bijzonder bezig houden met die gedeelten uit de brieven van Paulus, die handelen over het H. Avondmaal. Veel misverstand is er b.v. over wat Paulus schrijft in de bekende pe-ricoop in 1 Cor. 11 over het „op onwaardige wijze eten en drinken”. De ervaring leert dat er tal van mensen zijn, die niet begrijpen waar het in dit gedeelte over gaat en die uit deze woorden van Paulus verkeerde gevolgtrekkingen maken. Verder is daar de Belijdenis met name de Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

De Dordtse Leerregels spreken niet rechtstreeks over het H. Avondmaal. Toch doet elke ambstdrager goed zich dit geschrift eigen te maken omdat er geen Belijdenisgeschrift is dat dichter komt bij de vragen van het geestelijke leven dan dit geschrift. Een ambtsdrager, die geestelijke leiding wil geven zal zich terdege op de hoogte moeten stellen van de inhoud van dit geschrift. Doet hij dit dan zal hij ervaren dat hij daarmee een grote steun heeft in het gesprek over het H. Avondmaal.

Tenslotte is er het Avondmaalsformulier zelf. Tal van passages in dit formulier zijn een onderzoek meer dan waard. Het is de vraag of het formulier altijd goed begrepen wordt. Daarom is het zeer aan te bevelen, dat het H. Avondmaal eens voorwerp van bespreking is op de kerkeraad of de vergadering van de ouderlingen met de predikant.

Natuurlijk is er over het H. Avondmaal ook allerlei geschreven. Grotere en kleinere werken staan ten dienste. Aan het einde van dit artikel zal een opgave gegeven worden van lektuur over het H. Avondmaal.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.