+ Meer informatie

Onze synode en de I.C.C.C.

11 minuten leestijd

Waardering en kritiek.

Nu de generale synode van 1977 het besluit genomen heeft om het lidmaatschap van de I.C.C.C. te beëindigen, is het begrijpelijk, dat de vraag gesteld wordt, hoe het tot deze breuk gekomen is.

De beslissing is met een kleine meerderheid van stemmen genomen en er wordt in de kerken verschillend over gedacht. Wie zich aan een nabeschouwing waagt, zal er daarom goed aan doen, als hij zoveel mogelijk de feiten laat spreken.

Kerkelijk gezien waren we aanvankelijk wel gelukkig met de Internationale Raad van Christelijke Kerken. Toen de synode van 1950 met 46 tegen 2 stemmen besloot als lid toe te treden, gebeurde dat op grond van een rapport waarin weinig kritische opmerkingen over de Raad te vinden waren. Er werden verscheidene motieven genoemd die voor aansluiting pleitten, waarvan het eerste was, dat de grondslag van de Raad volkomen aanvaardbaar was.

De rapporten over de plenaire en regionale congressen, waaraan behalve vertegenwoordigers van onze kerken ook andere leden en ambtsdragers deelnamen, waren de eerste jaren na 1950 kort, maar waarderend. Dat geldt ook voor het rapport over de periode 1959 tot 1962, maar in de Acta van de synode van 1962 wordt in het verslag van de bespreking over de Raad gezegd: „Naast veel waardering voor het bestaan van de I.C.C.C. is er ook ernstige kritiek op het optreden van de I.C.C.C. Met name het onlangs gehouden congres roept vele vragen op”. Na de discussie kregen de deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland en de correspondentie met buitenlandse kerken (in het vervolg kort weg „deputaten voor correspondentie” genoemd) de opdracht de gestelde vragen en gerezen problemen, inzonderheid inzake de resoluties, nader te overwegen en zich hierover met de uitvoerende commissie van de I.C.C.C. te verstaan (art. 168).

In 1965 was het oordeel van de deputaten en dat van de afgevaardigden naar het congres overwegend gunstig, maar de leden van de synode Spraken niet geheel in dezelfde geest. Volgens het besluit van deze synode was voor blijvende deelname aan de I.C.C.C. een betere voorbereiding en fundering van haar uitspraken noodzakelijk. De deputaten voor correspondentie moesten de zaak van de medeverantwoordelijkheid van de aangesloten kerken in het uitvoerend comité van de I.C.C.C. aan de orde stellen (art. 69).

Nadat onze kerken 15 jaar aangesloten waren geweest bij de Internationale Raad, werd nu door een synode in verband met de voortzetting van de deelname een voorwaarde gesteld: een betere voorbereiding en fundering van de uitspraken.

Voorzover na te gaan is, was de verhouding van onze kerken tot de Raad in 1968 geen probleem voor de afgevaardigden naar het congres, voor de deputaten en voor de synode zelf. Maar in 1971 was er veel over te doen (Acta, art. 83). Drie van de vier particuliere synodes hadden instrueties ingediend! De instructie (uit het noorden) waarin aangedrongen werd op beëindiging van het lidmaatschap, is niet aanvaard, maar wel is besloten het lidmaatschap van de I.C.C.C. op de volgende synode nader te bezien. Intussen zouden de bezwaren die in onze kerken leefden, met vertegenwoordigers van de I.C.C.C. besproken moeten zijn. Het resultaat van die gesprekken zou in 1974 bekend zijn.

Een moeilijke beslissing.

Vele bladzijden van de Acta van de Amsterdamse synode zijn aan de I.C.C.C. gewijd.

Er was allereerst een verslag van het gesprek dat een commissie in 1973 had gevoerd met de twee voornaamste vertegenwoordigers van de I.C.C.C., dr. Carl McIntire en dr. J. C. Maris - een gesprek dat in een goede en openhartige sfeer verliep verliep. Daarbij lagen er twee stukken op tafel: een gespreksnota onzerzijds en een memorandum van dr McIntire. Toen bleek, dat niet alleen de Chr. Geref. Kerken bezwaren hadden tegen de gang van zaken bij de I.C.C.C., maar dat er bij de leiders van de I.C.C.C. ook emstige zorgen waren over oecumenische contacten die onze kerken onderhielden: ons lidmaatschap van de Geref. Oecumenische Synode werd bekritiseerd.

Verder was er een uitvoerig en nogal kritisch rapport van de afgevaardigden naar het congres van Cape May (1973). Veelzeggend is het gedeelte waarin getracht wordt een peiling te geven van het karakter van de I.C.C.C. Punten waartegen grote bezwaren worden gekoesterd, zijn volgens dit verslag over het gehouden congres: het separatisme en triumfalisme, de hiërarchische structuur en de politieke stellingname. Overigens staat er ook in, dat een organisatie als de I.C.C.C. als ontmoetings- en concentratiepunt van Schriftgetrouwe krachten over heel de wereld een noodzakelijke en onmisbare zaak is.

Het deputaatschap voor correspondentie waarover de contacten met de I.C.C.C. liepen, vroeg de synode om een uitspraak. Enerzijds zou in het gesprek en het rapport voldoende reden gelegen zijn om ons lidmaatschap van de Internationale Raad van Christelijke Kerken thans te continueren, anderzijds zou het noodzakelijk zijn, dat de Raad rekening hield met de vragen en bezwaren die door de Chr. Geref. Kerken onder zijn aandacht worden gebracht.

De bespreking ter synode was voorbereid door een commissie die, na alles overwogen te hebben, ”nee” wilde zeggen tegen de I.C.C.C., al was dat een ”nee, tenzij”. Er kwamen amendementen en tegenvoorstellen, de commissie zette haar overleg voort en tijdens de laatste zitting van de synode werd de volgende uitspraak gedaan (art. 184):

„Dat het de Christelijk Gereformeerde Kerken niet langer mogelijk zal zijn het lidmaatschap van de I.C.C.C. te continueren, tenzij het Uitvoerend Comité van de I.C.C.C. op duidelijke wijze de verzekering geeft en uit de handelwijze van de Raad duidelijk blijkt - een en ander naar het oordeel van de generale synode - dat:

1. deelnemende kerken zich in het openbaar van bepaalde uitspraken kunnen distantiëren zonder gediskwalificeerd te worden;

2. alles voorkomen wordt, dat de indruk wordt gewekt alsof het communisme de enige antigoddelijke ideologie is;

3. er tegen gewaakt wordt de strijd tegen antigoddelijke ideologieën te voeren op wereldse wijze en met vleselijke wapenen;

4. alleen dan een exclusieve houding geboden is, wanneer deze duidelijk door de Heilige Schrift wordt aangewezen en vereist;

5. voorkomen wordt dat persoonlijke resoluties naar buiten worden gepresenteerd als gevoelens van de gehele organisatie;

6. voortaan alles in het werk wordt gesteld, dat de inhoud van alle resoluties bijbels gefundeerd en theologisch verantwoord is.

Verder werd besloten, dat de komende synode een beslissing zou nemen met betrekking tot het lidmaatschap van onze kerken van de I.C.C.C.

Ieder die deze ontwikkeling had gevolgd, zag aankomen, dat de synode in 1977 ja of nee zou moeten zeggen. Of was er nog een tussenweg?

Op 21 september 1977 viel de beslissing. Voor een verslag van deze zitting mag ik wel verwijzen naar „De Wekker” van 21 Oktober 1977.

De afgevaardigden naar het congres dat in 1975 in Nairobi gehouden was, keerden wel met gemengde gevoelens terug, maar hun oordeel was toch niet negatief. Hoewel er op dit congres veel was dat voor verbetering in aanmerking kwam, gaf het naar hun mening toch geen duidelijke reden om als kerken de I.C.C.C. te verlaten.

De deputaten voor correspondentie die over de periode 1974 tot 1977 in net licht van de uitspraken van 1974 moesten rapporteren, wezen op structurele fouten in de organisatie van de I.C.C.C. - teveel hangt af van wat enkele leidinggevende personen zeggen en doen - en vroegen zich af, of er bij de I.C.C.C. wel voldoende oog is voor de ernst van de vragen van de vorige synode. Een officieel antwoord van het Uitvoerend Comité op de brief met de zes punten van 1974 ontbrak, terwijl er toch om gevraagd was. Naar hun oordeel waren er geen waarborgen dat voldaan wordt aan de voorwaarden die de vorige synode stelde voor de continuering van ons lidmaatschap van de I.C.C.C.

Wie zich realiseert, wat de betekenis is van de uitspraken die de kerken op de synode van 1974 hebben gedaan, beseft dat het er op de synode van Hoogeveen niet allereerst om ging, hoe ieder van de leden en adviseurs persoonlijk dacht over de Internationale Raad. In de gegeven situatie was niet alleen voor de deputaten, maar ook voor de synode het punt in kwestie, of het Uitvoerend Comité van de I.C.C.C. op duidelijke wijze de verzekering had gegeven en uit de handelwijze van de Raad duidelijk wasgebleken, dat voldaan werd aan de zes voorwaarden van de synode van 1974.

De brief die dr. J. C. Maris de synode op het laatste moment deed toekomen, kon de indruk niet wegnemen, dat tegenover onze kerken onzorgvuldig gehandeld werd. Een deel van de synode meende, dat er nog een uitweg was. Zo werd in een van de voorstellen gesproken over een enerzijds kritische, anderzijds dienende opstelling.

Het besluit waarmee na 27 jaar lidmaatschap de band met de I.C.C.C. verbroken werd, luidt:

De synode
constaterende

1. dat er in de organisatie van de I.C.C.C. structurele fouten aanwijsbaar zijn;

2. dat vanuit de I.C.C.C. niet voldoende serieus ingegaan wordt op de door onze kerken ingebrachte bezwaren;

3. dat aan de verwachting waarmee onze kerken zich destijds bij de I.C.C.C. aansloten niet is voldaan ondanks het feit dat er op meerdere synoden ernstige pogingen in het werk zijn gesteld om tot verbetering te komen;

4. dat het ter synode binnengekomen schriftelijk antwoord niet bevredigt;

komt tot de conclusie

dat de waarborgen ontbreken waardoor voldaan wordt aan de voorwaarden die de synode van Amsterdam-Nieuw-West 1974 stelde voor de continuering van ons lidmaatschap van de I.C.C.C.

en besluit

het lidmaatschap van de I.C.C.C. te beëindigen.

Wat nu?

Het lijkt mij onredelijk om de synode te verwijten, dat zij een lichtvaardig besluit genomen heeft. Op 21 september 1977 heeft men in Hoogeveen in alle ernst naar elkaar geluisterd, maar zonder dat men tot gelijke conclusies kwam. Er is een hoofdelijke stemming gehouden. Zo is er in kerkelijke stijl gesproken en gehandeld.

Daarbij mag niet onvermeld blijven, dat de praeses na de stemming nog onderstreept heeft, dat door het uittredingsbesluit het plaatselijk steunwerk, het particulier initiatief en het meedoen in de Stichting Nederland I.C.C.C. in geen enkel opzicht belemmerd behoeven te worden.

Dit wijst erop, dat wij op die dag in september niet ineens veranderd zijn van voorstanders in tegenstanders van de Internationale Raad. Wij meenden als kerken de verantwoordelijkheid als lid van de I.C.C.C., waaraan we zwaar tilden, niet langer te kunnen dragen. Maar dat houdt in het minst niet in, dat wij nu een eind opgeschoven zijn in de richting van een front waartegen de I.C.C.C. zich altijd keerde, de Wereldraad van Kerken. Er is geen sprake van dat nu de deur naar de Wereldraad ook maar op een kier geopend zou worden.

In de kerkelijke positie van dr. J.C. Maris, die als secretaris van de I.C.C.C. als predikant verbunden is gebleven aan de Chr. Geref. Kerk van Haarlem-Noord, zal wel geen verandering komen. Maar daarover heeft deze kerkeraad allereerst te oordelen.

Ik had dit stuk over het besluit van de synode en de gevolgen ervan al in de pen, zoals men dat noemt, toe ik kennis nam van het schrijven dat dr. J. C. Maris op 8 november 1977 namens de Internationale Raad van Christelijke Kerken gezonden heeft aan de kerkeraden van onze kerken. Hij wekt de plaatselijke kerken daarin op om zich onverwijld (binnen 14 dagen!) aan te melden voor het lidmaatschap.

Er is door de deputaten voor correspondentie, die juist in november vergaderen, op gereageerd in een brief die intussen de kerkeraden bereikt zal hebben. Daarin wordt niet ingegaan op alles wat dr. Maris schreef. Er is veel bij dat beter met hem persoonlijk besproken kan worden. We moeten er begrip voor hebben, dat het hem moeilijk valt het besluit van de synode te verwerken. En hij zal ook nu binnen onze kerken voor de I.C.C.C. willen blijven doen wat hij kan.

Als in de brief van 8 november echter staat, dat ter synode nadrukkelijk de mogelijkheid genoemd is, dat een aantal kerkeraden zich uitspreekt voor de voortzetting van het werk door zich onverwijld te melden voor het lidmaatschap, is dat onjuist. Als dat inderdaad zo was gesteld of voorgesteld, zou dat in de vergadering van de synode direct bestreden of afgewezen zijn. Daarmee vervalt een van de argumenten die in de brief worden aangevoerd. Het is ook nog de vraag, of het waar is, dat die kerken dan gezamenlijk als „volwaardig, stemhebbend lid” kunnen optreden.

Maar zal deze actie van de I.C.C.C. ertoe leiden, dat de kerkeraden die het besluit van de synode van 1977 betreuren, zich ertoe laten verleiden om de stap te doen waartoe ze worden opgeroepen? Het is te verwachten, dat de kerkeraden zich er rekenschap van geven, dat het niet een zaak van de plaatselijke kerken is om afzonderlijk te beslissen over het al of niet lid worden van de I.C.C.C., maar een zaak die „behoort tot de kerken van de meerdere vergadering” (axt. 30 van onze Kerkorde).

De deputaten voor correspondentie wezen in dit verband op onze kerkelijke regels - wellicht ten overvloede, omdat die regels aan de kerkeraden niet onbekend zijn.

Aan het plan van de I.C.C.C. kleven wel meer bezwaren, maar het is mij er niet om te doen om er zoveel mogelijk tegen in te brengen.

Kerkeraden en leden van onze kerken die ervan overtuigd zijn, dat het goed is het werk van de I.C.C.C. te blijven steunen, is door de voorzitter van onze synode reeds een weg gewezen. Mogelijk kan de Stichting Nederland I.C.C.C. zich erop bezinnen, hoe er een vorm voor te vinden is. Dan zal - om maar iets te noemen - de hulp die aan noodlijdende en vervolgde christenen geboden wordt, er in de komende tijd niet minder op worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.