+ Meer informatie

TER OVERWEGING

19 minuten leestijd

Dr. K. Sietsma, Goddelijke soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid. Fotografische herdruk. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1982, 87 biz., f. 14,90.

De uitgever heeft er goed aan gedaan, dat hij dit waardevolle werkje, dat dr. K. Sietsma in 1941 publiceerde, opnieuw heeft laten verschijnen. Ir.J. van der Graaf en ds. J. Overduin gaven het een woord ter inleiding mee. Wie Sietsma wil leren kennen, moet dat niet overslaan. Terecht wordt van hem gezegd, dat hij in de Tweede Wereldoorlog metterdaad getoond heeft, wat menselijke verantwoordelijkheid tegen de achtergrond van de belijdenis van Gods soevereiniteit is. Het kostte hem het leven. Hij stierf in 1942 in het concentratiekamp Dachau.

Over het onderwerp, dat dr. Sietsma eerst in een Amsterdamse kerkbode en daarna in een apart geschrift behandelde, is de eeuwen door nagedacht. Niemand zal er het laat-ste woord over kunnen zeggen. Men moet ook niet verwachten, dat alle vragen door Sietsma - al was hij een bekwaam theoloog - beantwoord worden.

Wie op de datum van de eerste uitgave let, zou dit werk voor verouderd kunnen houden. Dat blijkt echter allerminst het geval te zijn. De auteur had de Schrift meer direct kunnen laten spreken, maar hij wilde in zijn dogmatische uiteenzettingen zeker niet anders dan bijbels denken. Dan staan de heerschappij van God en de werkzaamheid van het schepsel, Gods raad en ons gebed, de verkiezing en het geloof, de noodzakelijkheid van de wedergeboorte en de oproep tot geloof en bekering niet tegenover elkaar. Met ver-schillende voorbeelden wordt toegelicht, dat er geen tegenstelling is tussen Gods soevereiniteit en onze verantwoordelijkheid, zodat men om het ene het andere zou moeten loslaten.

Dr. Sietsma heeft ergens opgemerkt, dat hij iets ter verheldering wilde bijbrengen voor het gelovig denken van de kinderen van God. Na jaren kunnen wij daar nog dankbaar voor zijn. Hartelijk aanbevolen!

Dr. B. Rietveld en ds. W. van der Linden, Onder vier ogen. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1983. Prijs f. 24,90.

„Onder vier ogen” is het 28e deel in de serie „Zieht op de bijbel”, een Telos-boek, dat kanttekeningen geeft voor bijbelstudie. De twee schrijvers (predikanten) willen hun le-zers routes door de bijbel wijzen, waarlangs zij antwoorden kunnen vinden op vragen die belangrijk zijn in een mensenleven.

Het aangeven van deze routes gebeurt op een sterk op de persoon van de lezer gerichte manier. Deze leidraad voor bijbelstudie is duidelijk niet geschreven voor groepsgebruik, maar om alleen of hoogstens met zijn tweeen met de bijbel bezig te zijn. In relatie tot zeven hoofdthema’s wordt een groot aantal bijbelplaatsen aangegeven. Deze teksten zijn niet uitgeschreven, de lezer(es) moet ze zelf opzoeken en hij of zij zal dan al gauw wat verder kijken naar het verband van dat gelezene. Zo raakt men als vanzelf aan het nadenken, mediteren of studeren, waarbij de „gidsen” met enkele notifies begeleiden. Alzo: een goede methode om aan individueel bijbel-gebruik te wennen.

„Onder vier ogen” is overigens niet alleen een goede methode. Ook de taal is eenvou-dig, glashelder en van deze tijd. Uit het werk van de samenstellers spreekt bovendien een grote eerbied voor het Woord van God, zoals dat door mensen is doorgegeven. De schrijvers laten de bijbel op zijn unieke plaats; zij sporen aan tot luisterend lezen, tot omgang met de God van het Woord.

Een mooi boekje voor hen die de tijd nemen om woorden van een zo eigen kracht op hun hart te laten inwerken.

Christelijk-gereformeerd-ingelijst. Uitgave ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de RCGS (Reüganisatie van de Chr. Geref. Studentenbond).

Bestelwijze: f. 7,50 op postgiro 31 94 10 t.n.v. penningmeester RCGS Heerenveen. Bij het dertigjarig bestaan van de RCGS geen zware essays of referaten over verleden, heden en toekomst, maar wat mengelwerk met zowel ernstige als luimige ondertonen. Wat de RCGS nu - nog - is wordt daaruit niet helemaal duidelijk, wel misschien wat de RCGS nu nog zou moeten en kunnen zijn: een ontmoetingsplaats voor mensen die op een zelfstandige, soms wat kritische, manier met hun kerk willen meeleven en die daar ook wel iets voor willen doen. Maar wellicht, zo schrijft K.J. Nieuwenhuis, is er een nieuwe ramp als een wereldoorlog voor nodig, eer een nieuw begin kan worden gemaakt……

Naast een paar korte beschouwingen en herinneringslijstjes zijn bij dit zesde lustrum een aantal gegevens over de Chr. Geref. kerken ingelijst, die jaarboekredacteuren als regel niet verzamelen. Zoals een ranglijst van de bebaardste en muzikaalste predikanten, van de minst gezongen psalmen, de hete hangijzers (ik vrees dat er meer zijn dan de vijf die H.Kok noemt!) en de mooiste orgels (over mooie orgels kun je ook afgrijselijk twisten).

De redactie van „Ingelijst” wenst de lezer „veel schik bij het doornemen van deze uitgave”. Een ieder kan er al naar zijn voorkeur zeker wat „schik” uit opdoen.

A.P. Wisse, De Jehova’s getuigen aangeklaagd. Een onthullend verhaal. Uitg. Kok, Kampen, 3edruk (1983). 143 blz., f. 15,75.

Het feit dat we hier een derde druk voor ons hebben, zegt dat er vraag is naar dit boek. Dat is begrijpelijk. Het is goed geschreven. Het vertelt het verhaal van Nico Klein, die gewonnen werd voor de Jehova’s Getuigenorganisatie. Zijn aansluiting bij de gemeente van de Jehova’s Getuigen werd voor hem een omkeer. Zijn inzet en propaganda voor de Jehova’s Getuigen worden levendig beschreven; ook de spanning die dit in zijn huwelijk bracht. En toch kwam er weer een keer. De organisatie blijkt veel weg te hebben van een totalitair regime. De Propagandisten moeten de leiding, die Amerika via hierarchische lijnen geeft, zonder kritiek aanvaarden. Begrijpelijke vragen van kritische aard worden niet geduld. Er wordt zonder meer gehoorzaamheid gevraagd.

Nico Klein kan de onderdrukking door de leiding niet langer aanvaarden. Hij wordt uitgeworpen. Zijn ervaring blijkt de ervaring van velen te zijn. Hij wordt de spil van de nieuw opgerichte vereniging van ontgoochelden.

Inderdaad, een onthullend verhaal. Wie met Jehova’s Getuigen wil spreken, moet dit boek gelezen hebben. Bij een herdruk, die te verwachten is, moet nog op blz. 43 onder-aan veranderd worden in noch.

Dr. K. Veling, Leven uit geloof als object van sociale wetenschap? Kamper Bijdragen XXV, prijs f. 8,60, 32 blz., 1983.

Dr. C. Trimp, De volmacht tot bediening der verzoening. Kamper Bijdragen VI, f. 9,85, 2e druk, 44 blz., 1983.

Dr. C. Trimp, De actualiteit der Prediking, in het licht van het „Sola Scriptura” der Re-formatie. Kamper Bijdragen XI, f. 7,95, 2e druk, 32 blz., 1983.

Deze drie uitgaven versehenen bij De Vuurbaak, Groningen.

De beide herdrukken betreffen de inaugurele oratie van prof.Trimp uit 1970 en zijn eerste restorale rede uit 1971. Er is aan de inhoud niets veranderd. Het jasje is ver-nieuwd; aangepast bij de nieuwe vormgeving van de Kamper Bijdragen. Wij begrijpen dat de auteur geen toevoeging of herschrijving heeft verricht. Zulke oraties dragen het kenmerk van het ogenblik. Dat ze na zoveel jaren herdrukt worden, betekent dat er vraag naar bestaat. De inhoud is die belangstelling waard, ook van een nieuwe generatie theologiestudenten en ambtsdragers.

Dr. Veling publiceert een college dat hij hield bij de opening van de nieuwe cursus in September 1983. Hij tracht in kort bestek de relatie van wetenschappelijk sociologisch onderzoek en uitingen van geloof te bepalen. Ik kies voor de term „uitingen” omdat „leven uit geloof” mij te breed is. Er is een stuk leven uit het geloof, dat sociologisch onderzoek te boven gaat.

Terecht stelt hij in een kritische discussie met een aantal sociologen, dat ook de socio-logie waardebepaald is, en een levensbeschouwelijk uitgangspunt heeft. Als deze weten-schap zieh dit bewust is, zal zij haar grenzen (er)kennen. Heiaas blijken veel beoefena-ren van de sociologie tot deze zelfbeperking niet bereid te zijn. Vandaar dat zij menen met hun bijdrage geloof, kerk en theologie te kunnen redden. De verscheidenheid in standpunt onder deze sociologen wordt op een heldere manier behandeld.

Ik heb voor dit beknopte geschrift veel waardering, al zou ik het specifieke van leven uit geloof als object van sociale wetenschap graag scherper bepaald hebben gezien. Hier zou het gebruik van bijbels materiaal veel verhelderd (kunnen) hebben.

H. Faber, redactie. Pastoraat - balans en perspectief. Uitg. Kok, Kampen 1983, 156 blz. Prijs f. 27,50.

Dit boek wil licht werpen op het moderne pastoraat. Het wil ook licht verspreiden door het pastoraat. De godsdienstig-kerkelijke situatie wordt beschreven en statistisch weergegeven. Dat is de inhoud van hoofdstuk één. In het derde hoofdstuk wordt inge-gaan op de relatie van pastoraat en andere beroepen, zoals Psychotherapie en maat-schappelijk werk. Er wordt voor een goede samenwerking gepleit.

Het middelste, tweede hoofdstuk is van substantiele aard. Het is gewijd aan de identi-teit van de pastor. Gehandeid wordt over de crisis waarin de pastor zieh bevindt. Slaagt hij er wel in het verworvene door te geven? Stagneert zijn ontwikkeling niet doordat hij niet weet over te dragen? De pastor heeft zelf begeleiding nodig. Politiek en pastoraat moeten nauw verbonden worden, maar wel onderscheiden blijven (Heitink). De theoloog moet creatief zijn en anderen in de openheid stellen. Dat is: bevrijdend werken, aldus prof. Firet.

Een boek dat veel informatief materiaal bevat. Als het om de inhoud van het pastoraat gaat, stelt het mij teleur. Welke betekenis heeft het Woord van God voor het pastoraat? Dat is een vraag die nauwelijks wordt gesteld. Het antwoord wordt uit andere weten-schappen en uit de werkelijkheid gehaald.

Ook pastores hebben begeleiding nodig. Dat kan als conclusie uit de balans getrokken worden. Het perspectief zal echter door het Woord bepaald moeten worden. Het is een teleurstelling dat we dat perspectief in dit boek, dat met kennis van zaken is geschre-ven, missen.

Drs. G. van Bruggen, ds. L.W.de Graaff, Verantwoorde Gezinsvorming. Uitg. De Vuur-baak, Groningen 1983. GSEV-reeks nr. 7, 96 blz., f. 14,90.

Een predikant en een arts schreven samen dit boekje. Het valt in twee delen uiteen. In hoofdstuk 1 treffen we aan „Bijbelse gegevens over huwelijk en gezinsvorming”. Dit hoofdstuk wil de basis bieden voor de „bredere medische uiteenzetting” (19). De arts, mevrouw Van Brüggen (die sinds een jaar in Zuid-Oost Azie werkt) bespreekt wat er moet gebeuren, als een echtpaar tot de conclusie is gekomen dat voorlopig van gezins-uitbreiding moet worden afgezien. Zij wijst er terecht op dat verwekking van een kind de verantwoordelijkheid „voor de opvoeding meebrengt” (27).

Er zijn vier soorten middelen: biologische methoden, mechanisch werkende middelen, hormonale middelen en operatieve ingrepen (sterilisatie). Zij spreekt een radicaal neen uit tegen abortus en middelen die in die richting gaan.

Het wegen van de nood van mensen, de moeite van jarenlange onthouding, de openheid waarmee de verschillende middelen, betrokken op de situatie van het echtpaar, worden besproken, treft de lezer. Ik vind de uitdrukking: „wij streven naar een gezin dat in alles (maximaal) Christelijk is” (35) wat vreemd. Kun je ook minimaal christelijk zijn? Wat is maximaal christelijk in verband met gezinsvorming?

Er wordt goede raad gegeven in verband met adviezen van arisen. Men moet door hun woorden kunnen heenzien. Medici gebruiken soms versluierende termen, waardooreen abortivum niet als zodanig wordt herkend. Dit verwarrende woordgebruik treft men ook aan in stukken, die van een ministerie uitgaan (40).

We treffen niet minder dan vijf bijlagen aan. De eerste handelt over vragen rondom het erfelijkheids- en vruchtwateronderzoek. Dan: Problemen rond de gezinsvorming bij er-felijk zieken. Hier treffen we een aangrijpend gesprek aan van een echtpaar. Tenslotte enkele eerder gepubliceerde artikelen over hoe een gezin wordt gevormd. Ook het kin-derloze echtpaar en kinderen als gave en opdracht komen aan de orde.

Tenslotte een samenvatting van een discussie tussen predikanten en artsen.

Al met al een boekje dat opvalt door deskundigheid, openheid, eerlijkheid en bewogen-heid. Het gaat de Problemen niet uit de weg. Het stuurt de mensen niet met een kluitje in het riet. Het wijst de mensen ook niet de gemakkelijkste weg. Bijbel en realiteit, ge-hoorzaamheid en situatie, geloof en moeite ontmoeten we in dit boekje. De zakelijk in-formatieve toon wint het van de pastoraal-meditatieve toon. Een boekje dat ook ambtsdragers helpen kan.

Dr. J.W. van Hülst, Treinen naar de Hel. Amsterdam, Westerbork, Auschwitz. Uitg. Buij-ten & Schipperheijn, Amsterdam 1983. 76 blz., f. 14,50.

De schrijver analyseert een aantal passages uit het veelgelezen dagboek en de brieven van Etty Hillesum. De conclusie is dat wij nooit genoeg kunnen waarschuwen voor het antisemitisme. Dat is van actuele betekenis. Met name kerkelijke uitspraken van de laatste jaren geven Israël eenzijdig de schuld van het conflict in het Midden-Oosten.

De geschriften van de door de Duitsers omgebrachte schrijfster bevatten een duidelijke waarschuwipg tegen antisemitisme. Zij zelf heeft geweten wat de joden te wachten stond. Nederland heeft het ook kunnen weten als het naar zijn dichters en wetenschap-pers zou willen luisteren. De Bijbel spreekt niet onduidelijk over boze bedoelingen van Israëls vijanden. Kerkelijke activiteiten ten gunste van christen-joden zijn niet genoeg geweest om de kerk in haar geheel een haard van verzet te kunnen noemen. Integen-deel, juist het ontbreken van een theologische doorgronding van het antisemitisme is oorzaak van het gebrek aan duidelijk verzet, zo concludeert de schrijver. Er zijn niette-min wel theologen geweest, die hun stem hebben laten klinken.

Het Godsvertrouwen van Etty wordt ontroerend beschreven. Ook over haar haat, die gelijkenis vertoont met de haat van dichters uit het Oude Testament, wordt indringend geschreven.

Een boekje met gedachten, die als flitsen op ons afkomen. Zij nopen tot zelfonderzoek en waakzaamheid jegens antisemitische gevoelens en propaganda.

Dr. C. Trimp, De gemeente en haar liturgie. Uitg. Van den Berg, Kampen 1983. 268 blz., f. 29,50. Een leesboek voor kerkgangers.

Opnieuw een boek van de hoogleraar in de ambtelijke vakken van de (vrijgemaakt) ge-reformeerde Hogeschool in Kampen.

Dit boek beweegt zieh op het gebied van de liturgie. De reeds eerder besproken publi-katies betroffen „zorgen voor de gemeente” en de ambtsleer van de Reformatie in te-genstelling tot die van Rome.

Na een soort inleiding over „de gemeente is het huis van de Geest” wordt geschreven over „de liturgie als eredienst voor God”, over „de liturgie van het avondmaal”, „de liturgie van de doop” en de „liturgie van de huwelijksdienst”. Men ziet: de voornaam-ste liturgische handelingen komen ter sprake!

Het grootste gedeelte van dit boek is eerder als artikel gepubliceerd in de Reformatie, op zeer onderscheiden tijdstippen. Ik vind het prettig dat datum en nummer van de Reformatie als vindplaats vermeld worden. Ook is ingevoegd de tekst van een brochure die verscheen bij de Willem de Zwijgerstichting.

De herkomst van deze stukken brengt mee, dat er nogal wat verschil in opzet van de Paragrafen zit. De ene keer meer mediatief, de andere keer meer exegetisch, een derde keer meer praktisch. Dit bezwaar is echter in de ondertitel door het woord „leesboek” goed opgevangen. We hebben hier inderdaad een leesboek voor ons, dat met grote ken-nis van zaken is geschreven.

Bij de behandeling van avondmaalsviering en doopbediening wordt uitgegaan van de formulieren. Over de tekst en haar geschiedenis wordt uitvoerig gehandeld. Zo treffen we hier ook een stukje geschiedenis van de liturgische formulieren aan.

Trimp verdedigt de doop van geadopteerde kinderen met het argument dat het hierbij om een roepingssituatie gaat. Dat is mooi. Niettemin is het niet toereikend. Het gaat om een gekwalificeerde roepingssituatie. Het feit dat het kind nu in alle (ook juridische) opzichten tot het gezin behoort, kwalificeert de situatie als roepingssituatie.

Interessant is dat Trimp pleit voor het uitspreken van het amen door de gemeente. Prachtige opmerkingen staan er in het hoofdstuk „Het zingen van de gemeente”. Dit hoofdstuk is niet eerder gepubliceerd.

Over de inrichting van de huwelijksdienst wordt zo goed als niets gezegd. Het ware wenselijk geweest, dat we ook daarover iets gehoord hadden. We zijn het eens met de Stelling dat de huwelijksliturgie bestaat in het aanroepen van de Naam des Heren. Hoe richten we zo’n dienst dan in?

Voor dit boek heb ik veel waardering. Het geeft een schat aan informatie. Gegevens uit de Heilige Schrift en uit de geschiedenis, met name de geschiedenis van de liturgische geschriften van de kerken der Reformatie, zijn hier bijeengebracht. Men merkt dat het boek niet als één geheel is geschreven. Het is uit onderscheiden delen, die voor andere doeleinden werden geschreven, samengesteld. Dat maakt het lezen soms wat moei-zaam. Het is een boek waarnaar vooral ambtsdragers zullen teruggrijpen.

A.J. Verbrugh, Universeel en antirevolutionair, deel I (247 blz.) en 11 (357 blz.). f. 39,50 per deel. Uitg. De Vuurbaak, Groningen 1980 en 1983.

Beide boeken werden ons toegezonden. Het is onmogelijk in een korte bespreking recht te doen aan de inhoud van deze zeer doordachte boeken. Ons orgaan is niet de aangewezen plaats voor een discussie over uitgangspunten en doelstelling van het G.P.V., op welker richtlijnen deze boeken commentaar bevatten. Deze bespreking is niet meer dan een soort aankondiging. De inhoud bestaat uit een bespreking van de wording van het revolutionaire denken vanaf het Westromeinse rijk tot heden, met als afsluitende paragraaf: de dictatuur van de antichrist. De oorsprong en de taak van de overheid, met een duidelijke afgrenzing ten opzichte van Kuyper, bij wie de twee lijnen van schepping en gemene gratie door elkaar heenlopen. Het optreden van de overheid wordt gezien als het treffen van alle voorzieningen die nodig zijn om de burgers hun cultuuropdracht (beheers- en ontwikkelingstaak) te doen uitvoeren. De universele wet van God wordt gekend in de Tien Geboden, waaraan de Grondwet gebonden moet worden. Over geestelijke vrijheid, de Grondwet, het parlementaire stelsel, de bestuur-lijke opbouw van ons land, de rechtspraak en de rechtsbescherming, over defensie, internationaal beleid, financiën, economische politiek en ruimtelijke en milieu-ontwik-keling wordt breedvoerig gehandeld.

Wij hebben moeite met de gedachte van de cultuuropdracht. Deze term grijpt ons te-veel achter zondeval, kruis en opstanding om, terug op het begin, alsof wij door Christus weer aan de startstreep geplaatst worden, om alsnog te volbrengen wat Adam naliet.

Wij zouden Never van roeping willen spreken. In dat licht waarderen wij de theocratie hoger dan de schrijver. Onder theocratie verstaan we dan het recht dat God op Zijn schepping heeft en, ondanks de zondeval met al haar gevolgen, houdt. Zo komt ener-zijds het verlossingswerk van Christus (via de gedachte van de roeping) en anderzijds het recht van God de Schepper op heel Zijn schepping in duidelijker relatie tot elkaar te staan. Om het nog anderste zeggen: Is cultuur enkel ontvouwing van scheppingspo-tenties? Wie daarop ja zegt, moet wel met de schrijver zeggen: „De resultaten van ons bouwen vallen wel eens tegen” (blz. 102). Is het niet veel erger? Gaat het bederf niet veel dieper? Hoe verhoudt zieh het hier gebodene tot de kerkelijk bepaalde partij, het G.P.V.? Als deze boeken werkelijk in de lijn van Groen zijn, zou hij, als lid van de Hervormde Kerk, ook lid van het G.P.V. kunnen zijn?

Ik stel de vraag (die overigens reeds eerder werd geformuleerd) niet om onaardig te zijn. Ik verwoord wat ambtsdragers in gesprekken over christelijke politiek juist met betrekking tot het G.P.V. soms aan vragen krijgen.

Samenvattend: een degelijk boekwerk, dat vanuit de praktijk naar fundamenten door-stoot. Juist dan rijzen vragen met betrekking tot principe en praktijk. Niettemin een boek, dat velen zieht zal geven op de principiele Problemen van de praktische politiek. Een boek dat ook velen een antwoord helpt vinden.

Ds. CG. Bos, Voetsporen van voorgangers II. Uitg. De Vuurbaak, Groningen. 161 blz.

Evenals in het eerste deel dat een paar jaar geleden verscheen (zie A.C. 1982-116), wordt in dit deel de kerkgeschiedenis behandeld rondom enkele markante figuren. Ook nu kan gezegd worden dat deze wijze van behandeling de levendigheid ten goede komt. Het zijn in dit deel figuren uit de vaderlandse kerkgeschiedenis wier voetsporen gete-kend worden: Marnix van St. Aldegonde, Johannes Bogerman, Gisbertus Voetius, Jacobus Fruytier, Wilhelmus Schortinghuis, Nicolaas Schotsman, Hendrik de Cock, Willem Hendrik Gispen, Abraham Kuyper (twee hoofdstukken), Lucas Lindeboom en Klaas Schilder (ook twee hoofdstukken). Natuurlijk kan de vraag opkomen waarom figuren als bijv. Datheen, Gomarus, Brakel, Bavinck enz. niet behandeld zijn, die óók hun sporen in de kerkgeschiedenis hebben getrokken, en waarom juist déze figuren tot de „voorgangers” worden gerekend. Verantwoording van de gedane keus wordt niet geboden. In elk geval rondom deze „voorgangers” speelt zieh een groot deel van de kerkgeschiedenis in ons land af. Elk hoofdstuk eindigt met een „balans” (tweemaal een voorlopige plus eindbalans), een soort evaluatie ten opzichte van de betrokkene. In een „Handreiking voor de bespreking” worden allerlei zaken aan de orde gesteld in meer of minder nauw verband met de behandelde figuur. Naar aanleiding bijv. van Schortinghuis wordt geattendeerd op het „gebrek aan schriftuurlijk zieht op de kerk en het genadeverbond bij allerlei „evangelische” bewegingen in onze tijd” (63), waarbij Youth for Christ en Evangelische Omroep worden gesignaleerd!! Interessant is wat ten aanzien van Afscheiding, Doleantie en „1892” met betrekking tot Kuyper en wat de Vrijmaking betreft met betrekking tot Schilder wordt opgemerkt. Hoewel de schrijver veel begrip opbrengt voor de „bezwaarden” van ’92, omzeilt hij m.i. toch min of meer het feit dat in de periode ’86 -92 de wortels liggen van wat er in de laatste halve eeuw passeerde in de verenigde kerken.

Dit in aanmerking nemende kan toch een boek als dit uitstekend dienst doen voor voorlichting inzake de kerkgeschiedenis. Hier en daar treft een typisch vrijgemaakt woordgebruik, maar storend is dat zeker niet. En voorts: ook dit boek doet „ontdek-ken” dat wie van de geschiedenis niet wil leren, zieh zelf veroordeelt de fouten ervan te herhalen!

Ds. C. van den Berg, Proces om de volken. Deel 2, Bijbelstudie over hoofdstuk 15 t/m 28 van het boek Handelingen der Apostelen. Uitg. De Vuurbaak, Groningen. 152 blz.

Dit boek is uitgegeven „in samenwerking met de Bond van Verenigingen van Gerefor-meerde Vrouwen”. Het eerste deel van deze Bijbelstudies over Handelingen werd niet toegezonden ter aankondiging of bespreking in ons blad, maar in de „Inleiding en lite-ratuurlijst” wordt een „korte terugblik” gegeven naar dat deel over de eerste helft van Handelingen. Daaruit blijkt dat de „troonsbestijging” van de Here Jezus centraal wordt gesteld: de Redder der wereld heeft de heerschappij over alle landen en volken in han-den ontvangen; vanaf de Pinksterdag klinkt die verlossende boodschap om te beginnen in Jeruzalem, maar vervolgens ook in Judea, Samaria, Antiochië en Azië; waar die boodschap in vertrouwen wordt aangenomen, is er vrijspraak en redding, anders het oordeel. In dit tweede deel wordt getekend hoe het evangelie nog dieperde heidenwe-reld binnendringt, in de richting van het westen. De schrijver duidt die aan met de ge-noemdetitel, waarmee kennelijk iets van „voltrekken” wordt bedoeld. Na behandeling van teksten en/of pericopen volgt een samenvatting - doorgaans terzake - en een handreiking voor de bespreking (in vraagvorm).

Voor verenigingsgebruik zeker aan te bevelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.