+ Meer informatie

De plaats van de ‘verdediging’ in de prediking

Enkele gedachten over het apologetisch element in de prediking

10 minuten leestijd

Binnen het geheel van de dienst van het Woord heeft de prediking een unieke plaats. Toerusting is meer dan kennisoverdracht. Maar wanneer de prediking gericht is op het hart, dan zal ook van argumenten gebruikgemaakt worden. Naast onze wil en onze gevoelens vormt immer ook ons denken een onderdeel van ons hart. De prediking dient daarom een apologetisch element te hebben.

Waarom dient de ‘verdediging’ een plaats te hebben in de prediking? De prediking is als een maaltijd. Dat is een bekend beeld voor de verkondiging van het Evangelie (o.a. Jes. 55: 1-2). Het gaat in de prediking er allereerst om het heerlijke eten en drinken uit te stallen dat bereid is voor hen die God liefhebben. De prediking wekt eetlust op bij de kinderen en wil verzadigen met het ‘goede van Gods huis’ (o.a. Ps. 65: 5). Helaas heeft niemand spontaan honger en dorst naar dit voedsel. Die honger en dorst is er wel, maar die wordt gestild en gelest met ander eten en drinken. Dat is bij hen ‘die buiten zijn’ zo, maar er zijn er ook ‘binnenshuis’ die nooit als een hongerige of dorstige naar de kerk komen met het verlangen naar de maaltijd van het Evangelie. Ze hebben van alles en nog wat aan te merken op het voedsel, de kok en de Eigenaar van dit bijzondere ‘eethuis’. Dan is het nuttig en nodig om vooroordelen over dit voedsel weg te nemen: smakeloos, vieze smaak en zwaar op de maag. Eveneens dient de kok van bepaalde verdenkingen te worden ontdaan: vreemde kerel, niet te vertrouwen, stopt misschien gif in je eten. En de Eigenaar? Ze vertrouwen Hem niet: waarom stelt Hij gratis voedsel ter beschikking? Zit daar geen machtsdenken achter? Ze vinden dat Hij te veel voorschrijft: waarom geeft hij geen keuzemenu? En zo ben je bezig met de ‘verdediging’ van het christelijk geloof, van de ‘gezonde leer’. Wat deftiger gezegd: dan is er sprake van een apologetisch element in de prediking.

Dit element is geen ingrediënt waarover je van mening kunt verschillen of het wel of niet toegevoegd moet worden. Immers, op vele plaatsen in de Schrift blijkt dat God het Zelf is die de maaltijd aanprijst en alternatieve eetgelegenheden afwijst (o.a. Spreuken 8 en 9!). Het boek Handelingen kent diverse passages waaruit blijkt dat tot de ‘handelingen van de apostelen’ behoort, wat de Trooster doet. De Trooster is immers gekomen om de wereld te ‘overtuigen’ (Joh. 16: 7-10). Hij voert een pleidooi waarin Hij Gods gelijk en ons eigen ongelijk overtuigend aantoont. Daarbij doet Hij ook een beroep op ons denken, al zoekt Hij via ons hoofd ons hart. Het hele boek Handelingen zou men kunnen typeren als een apologie, een verdediging tegen aanvallen en een aanprijzen van het christelijk geloof. Zo vat ook Paulus het nut van de Schrift samen als onderwijs dat nuttig is met het oog op …? ‘Weerlegging’ (2 Tim. 3: 16)! En wie nog een iets ander accent wil, kan te rade gaan bij wat Paulus zegt over de bedoeling van de prediking (2 Cor. 10: 5): ‘Want wij breken de valse redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en wij nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot de gehoorzaamheid van Christus.’ Deze enkele aanwijzingen lijken me voldoende om ervan overtuigd te kunnen zijn dat ‘prediking’ en ‘verdediging’ bij elkaar horen. Aan de hand van drie trefwoorden – actueel, acuut en accuraat – denken we over deze verhouding nog wat verder na in dit artikel.

Actueel
De prediking dient – naast alle andere facetten die eigen zijn aan de bediening van het Woord – een kritisch gesprek, een dialoog, aan te gaan met het eigentijdse denken. Onlangs heeft professor Baars dat nog weer onderstreept in het mooie boekje over ‘De eenvoudige Heidelberger …!’. Hij spreekt in deze Apeldoornse Studie over de ‘apologetische focus’ van de Heidelbergse Catechismus. Daarbij kan men denken aan: het gericht zijn op weerleggen van dwaalleer, van misvattingen binnen en buiten de kerk, en het confronteren met de consequenties van een bepaalde opvatting. De leerdienst zou aan betekenis kunnen winnen wanneer in de prediking aan de hand van de HC ook nadrukkelijk aandacht gegeven wordt aan wat er nu leeft in onze maatschappij aan opvattingen over religie in het algemeen, maar over het christelijk geloof in het bijzonder. Aandacht vragen voor dit aspect van de prediking is trouwens iets dat ‘eigen’ is aan de christelijk-gereformeerde prediking. Zo aanvaardde ds. G. Wisse destijds (1928) zijn ambt als hoogleraar en sprak daarbij een rede uit over Het apologetisch Element in de Bediening des Woords. En eigenlijk moeten we nog veel verder teruggaan in de geschiedenis. Juist in de vroege kerk verschenen heel wat preken die duidelijk een apologetische spits hadden.

Stel dat in de leerdienst – meer dan voorheen – aandacht gegeven gaat worden aan de verdediging van het christelijk geloof, wordt dan de prediking in de tweede dienst geen ‘droge’ lezing? Dat gevaar is natuurlijk altijd aanwezig. Maar juist wanneer we preken in de context van de 21e eeuw en die mee laten klinken kan voorkomen worden dat de prediking over de HC zelfs door jongeren ervaren kan worden als ‘dan weet ik al precies wat het volgende is wat hij gaat zeggen’. Bovendien zou ik niet allereerst willen denken aan passages in de HC die toch al polemisch getoonzet zijn. Integendeel, juist de kernen van dit geschrift – die niet direct verbonden zijn met de historische context van de 16e eeuw – zijn blijvend actueel.

Om enkele voorbeelden te noemen:
– hoe bevrijdend is de inzet in zondag 1: in een tijd waarin alles lijkt te gaan om zelfpresentatie, zelfontplooiing, zelfmanagement en je mens-zijn afgemeten wordt aan je uiterlijke schoonheid en lijst van geleverde prestaties, klinkt hier de boodschap dat je pas werkelijk kunt zingen en houvast hebt wanneer je de leiding van je leven uit handen geeft;
– hoe herkenbaar zijn de vragen in zondag 4 waar de vraag uit het menshart klinkt of God de mens geen onrecht doet! En het uitspelen van de ene eigenschap van God tegenover de andere …? Geeft dat ook juist niet een mooie invalshoek om de zaak eens om te draaien en ook eens de andere vraag aan de orde te stellen of het zo zou kunnen zijn dat de mens God onrecht aandoet?! Het zou voor binnen de kerk geen kwaad kunnen als we zonde weer eens gingen zien als een theologisch geladen woord en niet slechts als ‘verkeerde dingen doen’;
En zo kan nog ene hele lijst gegeven worden van wat dit belijdenisgeschrift vanuit de Schriften ons aanreikt om in de prediking ook actuele toepassingen te maken. Zo kunnen informeren van het hoofd, appelleren op het hart en het evoceren (uitlokken) van emoties hand in hand gaan.

Acuut
De ‘verdediging’ een plaats in de prediking? Het mag geen vraag zijn, want het is dringend nodig. Het mag wel bovenaan de lijst staan van wat eerst nodig is. Men kan om minstens twee redenen spreken van een grote urgentie. Het is dringend nodig als toerusting met het oog op het christenzijn in onze maatschappij en voor hen die nu nog wel ‘in huis’ zijn, maar eigenlijk al innerlijk afscheid genomen hebben van het christelijk geloof.

Dienaren van het Woord lopen het gevaar in een te beschermde of zelfs afgeschermde omgeving te leven. Toegestemd, dat kan eigenlijk niet, want dat zou betekenen dat je onkerkelijke mensen mijdt en bijvoorbeeld geen oog hebt voor de zieke medemens op de zaal waar het gemeentelid ligt. Toch blijkt dat wel meer dan eens het geval te zijn: de dienaar als ‘studeerkamergeleerde’. En dat terwijl jongeren van soms nog maar 14 of 15 jaar op hun stageadres die maandagmorgen verantwoording moeten kunnen afleggen van het geloof. Studenten worden weer geconfronteerd met allerlei opmerkingen en lezen allerlei theorieën. En velen werken in een omgeving waar religieus-zijn op zich prima is, maar waar de exclusiviteit van het christelijk geloof op een hatelijke reactie kan rekenen. Maar hoe ga je daar op een verstandige manier mee om, en hoe voorkom je dat iemand zich in zo’n omgeving als het ware monddood voelt? Niet het minst de prediking vanuit de HC over de drieslag van geloof – gebod – gebed kan hier heel wat aanreiken dat zich praktisch laat vertalen voor op de werkvloer.

Daarnaast dient men ermee te rekenen dat de ‘verdediging’ gebeurt ten overstaan van het hart dat innerlijk afscheid genomen heeft van haar schepper. Niemand van Gods kinderen heeft ook maar één reden om zich te verheffen boven jongeren (of ouderen) die innerlijk afhaken of afgehaakt hebben. Het apologetisch element in de prediking heeft te maken met de nood van het hart. De klassieke verwoording van de opdracht die de kerk van de reformatie tijdens het Convent van Wezel aan de prediker gaf, is nog altijd up to date: ‘Hij zal trachten zoveel dit in zijn vermogen zal staan alle schuilhoeken en verborgen omhulsels van het menselijk hart bloot te leggen … Ook zal hij niet alleen de grove schelmstukken en openbare schanddaden vervolgen, maar evenzo trachten de verborgen geveinsdheid der zielen uit te kleden en het broeinest van goddeloosheid, hovaardigheid en ondankbaarheid, dat zelfs bij de allerbesten schuilt, in het licht te stellen en op de geschiktst mogelijke manier uit te roeien.’ Hiermee is de urgentie gegeven van ‘verdediging’ in de prediking: ontmaskeren is een wezenlijk onderdeel van de apologetiek.

Accuraat
Wanneer de ‘verdediging’ een plaats krijgt in de prediking, dan dienen we wel te spreken over de werkelijkheid zoals die is en niet zoals we die indenken vanachter ons bureau. Het gebeurt toch nog te veel dat men meent te kunnen volstaan met wat ‘losse’ opmerkingen en enkele boute beweringen. Men spreekt over andersdenkenden als behorend tot ‘de boze buitenwereld’, de evolutietheorie wordt afgedaan met een ‘dan ben je ook niet goed wijs’ en – als bewijs voor eigen degelijkheid? – wordt het refrein herhaald ‘daar wil men tegenwoordig niet meer van horen’. Zo worden slechts denkbeeldige tegenstanders gecreëerd en bovendien doet men medemensen geen recht, tast men hun integriteit aan. Van belang is een accurate weergave van denkpatronen en een nauwkeurige analyse van vooroordelen. Het zal van (aanstaande) dienaren van het Woord naast open ogen en oren grondige studie vragen om hun eigen tijd te kennen. Belangrijk is daarbij ook de kennis van het eigen hart in het licht van het Woord dat opengeslagen ligt op de studeerkamer. Immers, veel (ongeloofs)vragen dringen zich bij tijd en wijle ook op aan het eigen hart. Welke prediker heeft het immers nog nooit moeilijk gehad met God en zijn weg? Zo zal het apologetisch element in de prediking het eigen hart doorboren. Het eigenlijke doel is om te laten zien hoe in de doorboorde handen van de Zaligmaker de Vaderlijke hand te zien is. Alleen daar komen de vragen van een onrustig hart tot bedaren.

M.J. Kater
Dr
. M.J. Kater is universitair hoofddocent aan de TUA.


Over enkele weken verschijnt een handboek apologetiek met als titel Verantwoord geloven onder redactie van prof. dr. H.A. Bakker, dr. M.J. Kater en dr. W. van Vlastuin. Dit boek verschijnt bij uitgeverij Brevier te Kampen. Verschillende auteurs uit diverse vakgebieden hebben vanuit hun specialisme een bijdrage geleverd. Het is bedoeld voor hbo- en wo-studenten, maar ook geschikt voor ieder gemeentelid dat zich wil verdiepen in bepaalde onderwerpen met het oog op verantwoording afleggen van de christelijke hoop.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.