+ Meer informatie

OVER DE ROL DIE DE MENS SPEELT. REACTIE OP HENK GEERTSEMA

7 minuten leestijd

In mijn artikel poog ik greep te krijgen op een verschijnsel dat soms als ‘de fragmentatie van het zelf’ wordt aangeduid. Ik bespeur in mij en anderen een verlangen naar eenheid en heelheid, en vraag mij af hoe die tot stand kan komen, gegeven het feit dat we leven in een wereld waarin zo veel verschillende verwachtingen en eisen op je afkomen, waarin alles woelt om verandering en continuïteit bijna een vies woord is geworden. Ik bied een kader om zowel de ontwikkelingen in maatschappij en cultuur te beschrijven als ook die in het denken over en zoeken naar identiteit. In gesprekken heb ik naast herkenning van de door mij beschreven ervaring ook onbegrip ontmoet. Dat is interessant. Ervaren deze mensen de werkelijkheid niet als gefragmenteerd? Hebben ze geen moeite om zich te midden daarvan als eenheid en heelheid te ervaren? Of is het verlangen naar eenheid en heelheid waarvan ik denk dat het bij iedereen aanwezig is, bij hen afwezig of veel minder sterk of onderdrukt? Aan het eind van het artikel ga ik in op de vraag hoe mensen in onze tijd zich als eenheid kunnen ervaren en wat de aard van die eenheid is. In Geertsema’s artikel mis ik de herkenning van de ervaring die bij mij aan het artikel ten grondslag lag. Hij ontvouwt een perspectief op identiteit - eenheid en heelheid - vanuit bijbelse noties: geroepen zijn tot leven samen met anderen. Tegenover mijn duiding van problemen en ervaringen stelt hij een antwoord. Maar neemt hij de ervaringen van mijn denkbeeldige personen - Anna, Mark en John - en de vragen die ik bij hun leven stel, wel voldoende serieus? Zijn belangrijkste punt van kritiek op mijn betoog is zijn stelling dat het door mij gebruikte begrippenkader zelf het zicht krijgen op de eenheid van het leven in de weg staat en dat met het door hem geschetste perspectief vanuit bijbelse noties een ander begrippenkader is verbonden dat vruchtbaarder is. Ik spits mijn reactie toe op Geertsema’s opmerkingen over mijn begrippenkader.

Geertsema spreekt over ‘het ik’ en ‘zijn rollen’ - begrippen die ik herhaaldelijk gebruik - als een metafoor die de oplossing - de eenheid tussen persoonlijke identiteit en functioneren in de samenleving - in de weg staat. De metafoor komt naar zijn mening voort uit de moderne opvatting van de mens als zelfbepalend subject, een opvatting waarin de mens niet meer primair gezien wordt als deel uitmakend van een zinvol en normatief verband, maar als een individu dat zich primair verstaat vanuit zichzelf en de betekenis die hij aan zijn bestaan geeft. Want als acteur kan ik enerzijds mijn eigen spel proberen te spelen en anderzijds het spel dat anderen van mij verwachten, maar uiteindelijk onttrekt het ik als het eigenlijke subject zich aan de rol die het speelt. Een acteur gaat nooit helemaal in zijn rollen op. Ze zijn slechts uitwendig; er blijft een onbepaald ‘ik’ achter alle zelfverlies in de sociale rollen. Aldus nog steeds Geertsema. Hoewel het begrip ‘rol’ tot het basisvocabulaire van sociologen, sociale filosofen en psychologen behoort, zijn gebruik en betekenis daarvan niet eenduidig en consistent. Sommigen gebruiken het in een betekenis die dicht ligt bij de oorspronkelijke betekenis die het in de wereld van het toneel heeft. Het spelen van een rol heeft dan alles te maken met wat we nu image-building zouden noemen. Maar in de betekenis waarin ik het gebruik, verwijst het begrip naar een geheel van gedragspatronen, sociale verwachtingen, normen en waarden die aan een bepaalde sociale positie verbonden is. Ik ben het met Geertsema oneens als hij zegt dat de ‘metafoor’ voortkomt uit de moderne opvatting van de mens als zelfbepalend subject. Ten eerste, Geertsema lijkt te denken dat met de metafoor het idee verbonden is dat het subject zelf kan bepalen welke rollen het vervult en gebruikt voor zijn zelfverwerkelijking. Ik zie die verbinding niet. Welke waarnemer van de moderne samenleving zou zoiets kunnen beweren? Voor veel van de sociale rollen die wij moeten vervullen, hebben we niet bewust gekozen. De handelingsvormen zijn voor gestructureerd en worden ons vaak opgelegd. Er is veel minder keuzevrijheid dan Geertsema lijkt te suggereren. Als ik een uitkering wil aanvragen, moet ik een bepaalde rol ‘spelen’, namelijk die van cliënt van de Sociale Dienst. Een uitwendige relatie tot de rol is in dit geval geen probleem. Anders ligt het bij de rol van bijvoorbeeld ouder. Je kunt er voor kiezen kinderen te krijgen. En de rol van ouder kun je niet ‘spelen’; ouder bén je. Ten tweede, doordat wij zoveel verschillende rollen vervullen, kunnen we met geen daarvan geïdentificeerd worden. Met geen daarvan vallen we samen. Volgens sociologen als Thomas Luckman ligt daar de sociologische mogelijkheidsvoorwaarde voor de vrijheidsruimte die een modern individu heeft. Sociale ontwikkelingen als differentiatie en pluralisering, en de culturele ontwikkeling van het moderne idee van individualiteit beïnvloeden elkaar wederzijds. Geertsema wekt verder de indruk dat voor wie zich van de metafoor bedient, de spanning tussen persoonlijke en sociale identiteit onvermijdelijk is. Inherent aan die metafoor is volgens hem een visie waarin participatie in de samenleving door middel van het vervullen van sociale rollen slechts als instrumenteel aan zelfverwerkelijking gezien kan worden. En daar waar rollen ook sociale eisen en verwachtingen bevatten, zal het subject daartoe een uitwendige relatie aannemen. Ik ontken niet dat er mensen zijn die zich zo tot hun rollen en tot de samenleving als geheel verhouden. Wellicht meer dan mij en Geertsema lief zijn. Die mensen lijken nog het meest op het type dat ik ‘het flexibele zelf’ heb genoemd. Maar daarnaast onderscheid ik de types van het grenzeloze zelf en het ontsnappende zelf. Ik heb geen uitputtende opsomming gegeven van typen die in onze samenleving vóórkomen, maar heb me beperkt tot typen die karakteristiek zijn voor een moderne samenleving. Ik ontken dus dat gebruik van ‘mijn’ metafoor onvermijdelijk tot de door Geertsema genoemde visie leidt. Hij ontdekt in de metafoor een innerlijke logica die deze niet heeft. Geertsema schetst een visie waarin het bestaan wordt gezien als antwoord op de opdracht te leven in relaties met anderen. Die visie maakt het mogelijk in situaties en relaties die ik niet zelf heb veroorzaakt, toch mijzelf te zijn. In het antwoord geven in die situaties en relaties is het mogelijk zelf tot vervulling te komen. Ik heb niets op deze visie tegen, integendeel. Misschien zie ik het diep in mijn hart ook wel zo. Zo kun je het bestaan óók ervaren. Maar die visie komt uiteindelijk weer terecht bij de ‘traditionele’ onderschikking van persoonlijke aan sociale identiteit. Mij ging het echter niet om de beste visie, maar om de vraag waarom veel mensen - en ikzelf ook van tijd tot tijd - hun bestaan anders ervaren - in andere termen interpreteren - en of en hoe ze zichzelf en hun bestaan nog als een en heel kunnen ervaren; en ook of een dergelijk verlangen onlosmakelijk met het menszijn verbonden is dan wel karakteristiek is voor tijden die bezig zijn te verdwijnen. Ik houd hier op. Geertsema zegt veel rake dingen over zelfbedrog, schuld, gebrokenheid, kwaad; kwesties die buiten het bestek van mijn artikel vallen en waarop ik ook niet zal reageren. Want mijn taak hier is een reactie te geven op een reactie, en niet om een reactie te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.