+ Meer informatie

Ik dank u

2 minuten leestijd

"O, God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen"

Lukas 18:11

De farizeeër wast, in zijn nadering tot God, zijn handen van de godloosheden van de tollenaar. Hij wil niet dichterbij komen, opdat hij niet besmet zou worden. Maar dan de tollenaar. Zijn handen zijn niet rein en hij weet niet hoe hij ze rein zal kunnen maken, behalve dan dat hij de bestraffing van de farizeeër met zachtmoedigheid op zich neemt. Hijzelf is ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt en niet waard te staan bij zo'n deugdzaam mens als die blinkende farizeeër.

De farizeeër verkoos de vooraanzitting in de maaltijden en bij het gebed en wilde niet zijn in de nabijheid van die tollenaar totdat hij zijn heilig gebed had beëindigd. Wel, arme tollenaar, hoe hoort u dit verwijt van de farizeeër toch aan. Dat u maar een hond bent, in vergelijking met hem, en daarom niet waardig om te bidden in de tempel tot een heilige God.

De farizeeër is zeer uitgebreid in het optellen en herhalen van zijn goede werken. Hij verzekert zich dat hij een genoegzaam fundament heeft om zijn ziel op te beuren tegen de aanvallen van de wet van de satan en van de zonde.

Helaas, arme tollenaar, u staat hier naakt. Ja, het is nog erger dan naakt, want u bent bekleed met vuile kleren. Zij bedekken uw aangezicht met schaamte. Ook hebt u geen beschutting tegen de aanvallen van uw geestelijke vijanden.

John Bunyan,

predikant te Bedford

(De farizeeër en de tollenaar, 1775)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.