+ Meer informatie

LIVINGSTONE

Op zoek naar de Nijlbronnen.

5 minuten leestijd

Abraham Lincoln, de ijverige tegenstander van de slavernij, werd in 1860 tot president gekozen van de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Het jaar daarop brak oorlog uit tussen de Unie en de Zuidelijke Staten. Met kracht werd die strijd door Lincoln gevoerd. In 1865 was de oorlog tussen Noord en Zuid ten einde. De slaven waren in Amerika bevrijd. In het Ford-theater te Washington zou een grote voorstelling worden gehouden. Vele genodigden waren aanwezig en een talrijk publiek vulde de ruime schouwburg. De vlaggen wapperden en verschillende orkesten lieten zich horen.

Opeens klonk een schot, 't Was in de buurt waar de president zat. Wat was er gebeurd?

Zie maar, een vreselijke verwarring. De muziek zwijgt. De voorstelling is plots afgebroken. Kijk, daar wordt Lincoln, badend in zijn bloed, weggedragen. Dodelijk gewond is de president.

Wie heeft dat gedaan? 't Is een moordaanslag! Stil was een vroegere slaveneigenaar de schouwburg binnen geslopen. Achter Lincoln was hij gekropen, met een geladen pistool. Eén schot was voldoende geweest om het leven van de populaire president te doen eindigen.

De bevrijding van de slaven in de Nieuwe Wereld had het leven gekost van vele dappere mannen. En nu, nu het kwaad der slavernij was uitgeroeid, moest de stuwkracht nog vallen door een moordenaarshand.

In datzelfde jaar 1865 vertrok Livingstone uit Engeland om de slaven te bevrijden in het donkere Afrika. Daar, in het zwarte werelddeel waren nog duizenden, die als dieren werden verhandeld en toch mensen waren evenals de handelaars zelf.

Drie voorname dingen stonden op het program van Livingstone: het Evangelie prediken, de slaven bevrijden en het onbekende, tot nu toe ontoegankelijke, land onderzoeken.

Eind Januari 1866 legde de boot aan op het eiland Zanzibar. Livingstone had een aanbevelingsbrief voor de sultan van het eiland in zijn zak. Het Britse gouvernement had daarvoor gezorgd. De begroeting verliep plechtig. Er was geen vuiltje aan de lucht.

Nu kon Linvingstone's tocht beginnen. Het reisgezelschap bestond uit een kleine veertig man, zes kameien, drie Indische buffels, twee muildieren en vier ezels. Een stoomboot bracht de karavaan van het eiland naar de kust, om vandaar het binnenland in te trekken. Het werd een vreselijke tocht. De inlandse bedienden waren weinig waard. Ze verzorgden de beesten heel slecht, zodat al de dieren stierven. Met een kapmes moest op verscheidene plaatsen een weg gehakt door de wouden. Dan weer moest gezwoegd door moerassen en beken. En hoe groot was de ellende die te zien was. Langs de weg lagen af en toe de lijken van mannen en vrouwen, zelfs van kleine kinderen. Vele dorpen waren verwoest. Daardoor was ook moeilijk voedsel te bekomen en werd door de reizigers honger geleden.

In Augustus van hetzelfde jaar werd het meer Nyassa bereikt. Welk een verademing, nu de bemodderde lichamen konden gereinigd worden in het frisse water! Maar voor Livingstone waren aan dat meer ook droeve herinneringen verbonden. In de omgeving van het meer, in de vallei Shir'e, was de laatste rustplaats van zijn geliefde vrouw en waren ook de graven van trouwe vrienden van de zendeling. Het oude verdriet kwam weer een wijle de boventoon voeren.

Om het meer waren negerdorpen, en zoals vroeger, bij de negers langs de Zambesi, arbeidde de zendeling onvermoeid, dag aan dag. Hij bracht het Evangelie, verzorgde de zielen en onderwees de kinderen.

Maar ook de andere opdracht van het Gouvernement moest volbracht: waar bevonden zich de bronnen van de Nijl? In Mozes' tijd hadden de Egyptische koningen al pogingen gedaan om die bronnen te vinden van hun „heilige" rivier, maar tot nu toe was het nimmer gelukt. 't Was juist een werk voor de onvermoeide Livingstone. Deze kon dan ook niet bij het Nyassa-meer blijven, want dit meer, zo wist hij wel, leverde geen water aan de Nijl. Hij moest dus verder. De weg naar het noorden zou hij gaan.

't Was een zware tocht. Er was geen ander voedsel meer dan mais. Hongerig en koortsig zwierven de mannen door de uitgestrektheid van het land. Slechts zes mannen waren nog bij hem. De andere w r aren bezweken, of gevlucht. De medicijnkoffer en de verbanddoos waren verloren gegaan. Dat was vreselijk. Wat moest er nu gedaan worden tegen de bloedloop en de zweren aan benen enj voeten? Aan de afmattende tropisch® koortsen ?

Eindelijk, na twee jaar, kwam het gezelschapje bij een groot meer, waar omheen negerdorpen lagen, verscholen in palmbossen. Slaven gingen gebukt onder houten jukken. Door Arabische handelaars werden de stakkerds voort gezweept. Wat moest Livingstone beginnen? Hij kon de arme zwarten niet helpen. Zélf moest hij geholpen worden, want hij was ziek en had niets anders om de Arabieren te tonen dan een brief van de sultan van Zanzibar. In die brief werd gevraagd of ieder de witte dokter zou willen bijstaan, wanneer deze hulp nodig had.

De opperste slavenhandelaar, een Arabier, hoopte een beloning te zullen krijgen. Hij hielp Livingstone aan de noodzakelijkste dingen; ook wel een beetje uit angst voor de sultan. En nu kon de zendeling weer verder. Na het grote Tanganjika-meer, kwam hij nu bij het. Moeree-meer, om tenslotte in Juli 1868 het Bangweolcmeer te bereiken. De Nijlbronnen waren nog niet gevonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.