+ Meer informatie

De Dordtse leerregels en de prediking

5 minuten leestijd

3

In de leerregels van Dordt leeft de prediking. We hebben het gezien hoe grote plaats de prediking inneemt in al de artikelen. We zouden het ook andersom kunnen zeggen: in de schriftuurlijk-bevindelijke prediking leeft de waarheid van dit belijdenisgeschrift. Graag willen we dan één woord beklemtonen, namelijk leeft.

Wellicht denkt deze of gene, dat het voldoende is als bepaalde gedeelten van deze belijdenis in de preek worden aangehaald of allerlei waarheden uit deze belijdenis gedurig rondom de tekst worden genoemd. Maar al te veel is er zo gepreekt. In de latere tijd, ná de Dordtse Synode, zijn er veel predikanten geweest, die heel orthodox in hun preken van de overeenstemming met Dordt blijk gaven, maar door hun dorre bediening het volk van zich vervreemdden. Terecht is daartegen door de mannen van de Nadere Reformatie opgekomen. En dit soort preken is nog niet verdwenen.

Echter is dit in strijd met het karakter van de prediking zelf. In feite wordt er zo niet gepreekt, maar meer een opsomming van allerlei waarheden gegeven. En dat is geen bediening des Woords. Het is ook in strijd met de belijdenis zelf. Daarin klinkt Gods Woord door en het hart van Gods kerk spreekt erin. Nooit moet de stem van de belijdenis een aparte worden in enige preek. Maar wél klinkt die stem mee, zodat bepaalde elementen niet verwaarloosd kunnen en mogen worden.

Voor wie dit verstaat, is het niet moeilijk om uit de leerregels enige wezenlijke trekken voor de bediening des Woords aan te wijzen. Het element dat wel het meest op de voorgrond treedt, is het verheerlijken van God en Zijn deugden in het zalig-worden van een zondaar. Hoe onmisbaar is dat in de bediening van Gods Woord.

Bij de remonstranten kwam de eeuwenoude strijd uit van de mens, die iets wil zijn tegenover God. Zij brachten in de leer van het voorgezien geloof uiteindelijk iets menselijks in rekening. En daar tegenover komen de Dordtse leerregels met het enkel verheerlijken van God in de zaligheid.

Gods deugden worden verheerlijkt in de belijdenis van het verkiezend welbehagen. Het lijkt wel of iedere zin in het eerste hoofdstuk wil laten schitteren de grootheid van Gods ontferming tot eer van Zijn Naam. God krijgt in alles de eer. Niet de eer aan degene, die gelooft, maar aan God, Die verkoren heeft: „De oorzaak van deze genadige verkiezing is eniglijk het welbehagen Gods”. God krijgt ook de eer in het toebrengen van de Zijnen.

En diezelfde lijn loopt door al de artikelen heen. Het is niet moeilijk om die aan te wijzen. Het artikel over de dood van Christus enz. begint met de lofprijzing van Gods deugden: „God is niet alleen ten hoogste barmhartig, maar ook ten hoogste rechtvaardig”. En als het gaat over de grens van de voldoening van Christus dan wordt God verheerlijkt: „want dit is geweest de gans vrije raad, de genadige wil en het voornemen Gods des Vaders, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van de dierbare dood Zijns Zoons zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigmakend geloof te begiftigen..... ”

Terecht schrijft Ds. T. Bos („Dordtse Leerregelen 1915”): „Vóórop wordt gesteld de wil des Vaders. Wie dat niet doet, komt de eer van God te na...”

Luister eens naar hoofdstuk 3 en 4 van des mensen verdorvenheid enz.! God wordt verheerlijkt. „Hetgeen dan noch het licht der natuur, noch de wet doen kan, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes”. De drieënige God verheerlijkt Zijn genade in een zondaar, die Hij bearbeidt ten leven.

En dan is het heel bijzonder, zoals de eer van God spreekt in het laatste hoofdstuk over de volharding der heiligen. In de taal, die de vreze des Heeren verstaat, wordt daar telkens van getuigd. Slechts een enkel voorbeeld: „Alzo verkrijgen zij dan dit niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmharigheid Gods”.

Schort het daar vaak niet aan in de prediking van vandaag? Vele klachten worden gehoord op allerlei erf, die in deze richting gaan. Ook in het midden van onze kerken wordt die klacht vernomen. Het lijkt wel in sommiger prediking alsof zalig-worden geen wonder meer is, maar de meest vanzelfsprekende zaak. Hier en daar hoort men spreken over een prediking- van-de-mens-uit. Dan wordt de lijn van boven naar beneden niet allereerst getekend, dan wordt Jezus niet gepredikt als een Borg van een zondaarsvolk. Die de deugden Gods verheerlijkt en zó alleen zaligt. Heus, wij spreken hier niet over onwerkelijkheden. Ook niet uit lust om dit te openbaren. Het is - dacht ik - openbaar genoeg en het raakt de eer van God, die zo bijzonder spreekt in het zalig-worden van een arm zondaar.

Onze tijd is vervuld van de mens. De mens en zijn kunnen, zijn machtige prestaties staan in het middelpunt. Nooit is er in een verloren wereld plaats voor God geweest. Maar in deze tijd van welvaart en materialisme komt dit nog meer uit. En het is zo bedroevend, dat die geest zich doet kennen tot in de prediking in het midden van de kerk.

Ds. Hendrik de Cock schreef niet voor niets na zijn bekering juist over de Dordtse Leerregels aan zijn vroegere leermeester Prof. Hofstede de Groot. Zij waren in zijn prediking gaan leven door Gods genade. En die klanken zijn in de prediking in onze kerken in het verleden toch altijd gehoord. Die prediking sloeg aan in het hart van hen, die alleen zalig kunnen worden in de verheerlijking van Gods deugden.

Die prediking hebben we vandaag nodig, hoeveel of er ook verandert. Die moet tot ons allen spreken en wordt gezocht door degenen, die de Heere in waarheid vrezen. Nauw daarmee verbonden spreekt een ander element. Laten we dat echter bewaren voor de volgende maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.