+ Meer informatie

Openingswoord van de ouderlingenconferentie gehouden op zaterdag 22 april in de Ichthuskerk te Amersfoort

5 minuten leestijd

Waarde broeders,
De aard van het onderwerp dat vandaag onze aandacht vraagt wettigde de verwachting dat de opkomst naar deze ambtsdragersconferentie groter zou zijn dan normaal. Als ik de kerkzaal overzie, geloof ik te mogen zeggen dat die verwachting is bevestigd. Ook heb ik de indruk dat de samenstelling van het gezelschap dat zich vanmorgen binnen de muren van deze kerk bevindt, een stukje weerspiegelt van de verscheidenheid die onze kerken kenmerkt en die in het gesprek dat we vandaag met elkaar willen hebben, centraal zal staan. Ik spreek hierover graag mijn blijdschap uit. Voor de vraag hoe het comité tot de keuze van dit onderwerp is gekomen, zou ik kunnen verwijzen naar het artikel dat namens het comité in Ambtelijk Contact van april werd geschreven onder de titel ”een gewaagde onderneming?” Omdat waarschijnlijk niet alle aanwezigen dit artikel hebben gelezen, haal ik er graag enkele gedeelten uit aan.

’t Was niet door gebrek aan andere onderwerpen dat voor het bovengenoemde werd gekozen. De voorhanden zijnde lijst met onderwerpen was bepaald nog niet uitgeput, al blijven suggesties uit de kring van de ambtsdragers altijd welkom. Het comité is ten deze wel eens te veel op eigen vindingrijkheïd aangewezen.

Aan de keuze van het aangekondigde onderwerp is een zorgvuldige afweging van voor- en nadelen vooraf gegaan. Is het verstandig voor een onderwerp te kiezen dat toch enigszins controversieel en emotioneel geladen is? Is er bovendien al niet genoeg aandacht aan besteed nadat de generale synode van 1974 de kerken vroeg in classicaal verband een gesprek over de binnenkerkelijke verschillen op gang te brengen? En als die gesprekken over de brede linie niet tot het beoogde doel hebben geleid, kan dan verwacht worden dat op een ééndaagse conferentie „het lek boven water wordt gebracht”? Deze laatste illusie had het comité bepaald niet, maar het meende zich in zijn keuze niet door vrees voor tegenstellingen of verscherping daarvan te moeten laten leiden. Naar het oordeel van het comité mogen we er geen vrede mee hebben dat we met onze binnenkerkelijke situatie niet verder kunnen komen dan hier en daar een gesprek, waarvan het resultaat beperkt blijft tot een inventarisatie van de bestaande verschillen, zonder dat punten van herkenning en wegen tot toenadering worden aangewezen.

Er mee leren leven?

Onze kerken teilen ambtsdragers die de opvatting huldigen dat we met de bestaande situatie maar moeten leren leven. Wie zich de kerkgeschiedenis sinds 1892 te binnen brengt, kan niet anders dan vaststellen dat verschillen in visie op zaken van geloof en leven, zoals zich onder ons manifesteren, in meer of mindere mate er altijd zijn geweest en dat het een illusie is te menen dat deze ooit op te heffen zijn.

In alle nuchterheid stelt men vast dat onze kerken, zeker in bepaalde delen van ons goede vaderland, de trekken van een „modaliteitenkerk” vertonen en het beste wat onder die omstandigheid kan worden bereikt, is dat men als plaatselijke kerken probeert vredig naast elkaar voort te bestaan. In zaken van algemeen belang kan er van tijd tot tijd nuttig overleg zijn. Dat zal er in bepaalde verbanden trouwens moeten zijn, maar in zaken van meer geestelijke aard kan men beter uit elkaars buurt blijven. Op deze wijze kan elke plaatselijke kerk het kerkelijk leven inrichten naar eigen opvattingen en standpunten en daarin gelukkig zijn. En bij dat alles kan er dan toch nog wel sprake zijn van een zekere aanvaarding van elkaar, omdat alle christelijke gereformeerde kerken op één heel belangrijk punt toch altijd herkenbaar voor elkaar zullen blijven, te weten in het streven om bij alles wat men doet of laat binnen de markering van Schrift en belijdenis te blijven. In elk geval kan daarin voldoende reden gelegen zijn om met elkaar in één kerkverband voort te leven.

In gesprek blijven.

De broeders van het comité konden zich in deze redenering niet vinden. Naar ik meen terecht. Het zou de geloofwaardigheid van het Evangelie toch geweld aandoen, wanneer men vrede zou sluiten met een situatie, waarin binnen één kerkgemeenschap uit twee verschillende geestelijke werelden wordt geleefd, van waaruit men niet of nauwelijks tot elkaar kan overkomen. Er mag verschil zijn in aard en aanleg, in opvoeding en geestelijk milieu waarin men altijd heeft verkeerd, in ervaring en intelligentie, maar het is ondenkbaar dat men als christenen blijvend onherkenbaar voor elkaar is wanneer het aankomt op het meest wezenlijke waarom het in het leven van het geloof gaat. Dan moet er òf sprake zijn van hardnekkige misverstanden die historisch zijn gegroeid en die kennelijk moeilijk weg te nemen zijn, òf er is toch sprake van zeer wezenlijke verschillen die vanuit het Woord van God aanwijsbaar zijn en die, naar welke zijde dan ook, om correctie vragen. Welnu, het comité meende dat we als ambtsdragers moesten proberen daarover nog eens met elkaar in gesprek te komen. De broeders hadden er geen twijfel over dat elke ambtsdrager die de gemeente van Christus een goed hart toedraagt tot dat gesprek van harte bereid zal zijn.

Dat gesprek moet zich dan vooral richten op de prediking, die toch het hart van ons kerkzijn vormt.

Van een nuttige bezinning zal sprake kunnen zijn wanneer het gesprek wordt gevoerd: a. onder Gods zegen en onder de klem van de Heilige Geest; b. na een goede voorbereiding door de beide inleiders die zich spontaan beschikbaar hebben gesteld en c. door conferentiegangers die uit het Evangelie hebben geleerd hoe men in de gemeente van Christus met elkaar behoort om te gaan. Van een onbevangen naar elkaar luisteren, van een eerlijke weging van de argumenten van de ander zal alleen sprake kunnen zijn wanneer we bijeen zijn in de Geest van Christus. Deze Christus te kennen en lief te hebben betekent dat we in de onderlinge omgang voor elkaar herkenbaar zijn aan de vruchten oprechtheid en zachtmoedigheid en aan de bereidheid om het met elkaar meer dan één keer te proberen.

Als we vandaag in deze gezindheid bijeen zijn is er de garantie dat we over de geestelijke dingen niet op vleselijke wijze bezig zullen zijn.

Ik wens u en mijzelf een gezegende conferentie toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.