+ Meer informatie

RONDKIJK

4 minuten leestijd

Vorige keer had ik het over de opvatting van ons beroep en hoe dit „levensinhoud" aan ons behoort te geven. In ons beroep hebben we ook duidelijk ons principe te laten blijken en ons onze belijdenis niet te schamen. Denk niet dat dit altijd spot met zich zal brengen, het dwingt ook wel eens respect af. We hebben de consciënties van de mensen waaronder en met wie we werken mee. Voor zover het geweten niet geheel en al is dichtgeschroeid spreekt die stedehouderes daar van binnen nog wel eens. Ik heb daar kort geleden een ervaring mee opgedaan, die ik hier in 't kort eens even wil vertellen.
Op een scheepswerf aan de Lek, waar een gereed gekomen koopvaardijschip door de directie van de werf aan de betreffende rederij werd overgedragen, werden, zoals bij zulke gelegenheden gebruikelijk, vele en goede woorden gesproken. In die redevoeringen werden loftuitingen toegezwaaid aan de werkers over de snelle en mooie bouw van het schip en hoe het zeekasteel straks fier de wereldzeeën zal bevaren. Bij de wens van een behouden vaart hangt er dan soms nog achteraan, dat „de Almachtige het schip moge begeleiden." (ook al is het „gedoopt" met champagne!)
Bij de bedoelde overdracht, waar uw rondkijker ook tegenwoordig was, kreeg als laatste de kapitein van het nieuwe schip het woord. Deze haakte in op de wens dat hij een behouden vaart mocht hebben en de zegen van de Almachtige. Dat was voor hem van het grootste belang, daaraan alleen was alles gelegen.
Het ging niet enkel en alleen om met het schip te verdienen: „Wat baat het U zo gij de gehele wereld gewint en gij lijdt schade aan uwe ziel!" aldus riep deze kapitein uit.
Dat zijn klanken, die men nu niet zo vaak in het maatschappelijk leven in het openbaar hoort, zéker niet bij de overdracht van een schip van vele miljoenen waarde. Het werd dan ook merkbaar stil in de grote kajuit, waarin dit woord gesproken werd. Men moet het maar durven zeggen tussen de grote heren direkteuren, de reders en de dames met bontmantels aan.
Na afloop van de overdracht heb ik de kapitein opgezocht, en een kort gesprek met hem gehad. Hij vertelde mij, dat hij met hart en ziel koopvaarder was, maar dat bij hem bovenaan stond om de enige Naam, die onder de hemel tot zaligheid gegeven is, uit te dragen. Dat deed hij in Spanje, Rusland, Amerika of in welk werelddeel hij kwam. Meermalen had hij in de gevangenis gezeten; „de duivel heeft een grote hekel aan mij" aldus vertelde hij. Naar de norm van het Evangelie wenste hij ook dat aan boord werd geleefd, dronkenschap werd door hem zwaar gestraft, vreemde vrouwen mochten niet aan boord komen. Daardoor was hij dikwijls niet bemind.
Met enige bewondering heb ik naar deze kapitein geluisterd, die zeide geen lid van een bepaalde kerk te zijn, maar van de ware Kerk, hij was het eigendom van Jezus Christus.
Ik knoop daar nu geen verder commentaar aan vast, alleen heb ik voor mijzelf gedacht, het ware te wensen dat er méér dergelijke kapiteins waren, want de goddeloosheid en zedeloosheid bij zeevarenden is groot. Toen ik wegging gaf hij mij zijn kaartje. Er stonden enige Hebreeuwse letters op, die ik niet kon ontcijferen. Gevraagd naar de betekenis beduidde dit: „de Heere is mijn banier."
Achter zijn naam schrijft hij altijd M.M.; D.P., B.A., drie gefungeerde titels. Deze initialen plaatst hij met opzet, om, als iemand vraage wat het betekent, aanleiding tot een gesprek te hebben. M.M. is in het Engels Master Mariner, Kapitein ter koopvaardij. D.P. is Double Pilot; men noemde hem toen hij te Rotterdam loods was, „de hemelloods", omdat hij iedereen het evangelie bracht. Dubbele loods dus, zowel van schepen als van mensenzielen. En tenslotte B.A. — Born Again — wedergeboren.
Uw rondkijker schrijft dit verhaal niet om het interessante van het geval, maar omdat er een beschamende les in zit. Ik ga nu niet afwegen of hij zuiver was in de leer, dan zouden er mogelijk bedenkingen tegen bestaan. Deze man, een man van positie, schaamde zich het Evangelie niet! En dat is voor ons beschamend, want we zijn meest zo beschroomd om voor ons beginsel uit te komen.
Durven wij het altijd te zeggen, als we b.v. een vloeker horen op ons werk, in de fabriek of het kantoor: „gij zult de Naam des Heeren niet ijdellijk gebruiken?" Komt het in ons leven uit, dat we wel in de wereld maar niet van de wereld zijn? Laten we eerlijk zijn, daar komen we alles aan tekort. Daar komen we met schuld uit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.