+ Meer informatie

TER OVERWEGING

17 minuten leestijd

Beeldvorming. Documentatie over de christelijke gereformeerde kerken. Uitg. Van Wijnen, Franeker 1989. 91 blz.

Hoe wordt er over onze kerken gedacht? Welk beeld heeft men zich in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) van ons gevormd? Dat moet ons interesseren.

De synode van deze kerken heeft in 1987 deputaten benoemd voor het gesprek met de Christelijke Gereformeerde Kerken „in de hartelijke begeerte deze kerken krachtens de roeping van het evangelie nog te zoeken”. Er zijn intussen contacten gelegd. Maar we zijn al bijna een eeuw gescheiden opgetrokken en hebben verschillende invloeden ondergaan. In Groningen-Helpman is een project „beeldvorming” ontstaan, waaruit deze publikatie voortgekomen is. Van belang zijn daarin in elk geval de artikelen van de hoogleraren W. van ’t Spijker en J. Kamphuis, resp. over „Spiritualiteit in het zoeken naar kerkelijke eenheid” en over het onderwerp „Wie zijn wij - hoe zien wij u?” (eerder gepubliceerd in „De Wekker” en in „De Reformatie”). Maar ook via andere bijdragen, zoals interviews van uiteenlopende aard, wilde men een beter zicht op onze kerken krijgen. Hèt beeld van de Christelijke Gereformeerde Kerken is hiermee niet getekend. Daarvoor is alles te fragmentarisch. Het is wel goed bedoeld. Het doel is immers, dat de aandacht voor de zaak van de eenheid van de gereformeerde belijders verlevendigd wordt.

A. Symank, Worden alle mensen gered? Gedachten over de leer der alverzoening. Uitg. Boekencentrum B.V., ’s-Gravenhage 1989. 116 blz.

Dit is een opmerkelijk geschrift van een auteur die afkomstig is uit Ghana en na een opleiding in Bazel in Duitsland predikant geworden is. Hij zegt in de inleiding, dat hij overwegingen heeft willen bundelen die bij hem opkwamen tijdens het moeizame proces van het loslaten van de leer van de alverzoening, waarin hij opgegroeid was. Het persoonlijke element komt ook in het laatste deel van het boek sterk naar voren.

De hoofdzaak is een bespreking van bijbelgedeelten waarop voorstanders van de leer dat allen behouden worden, zich altijd beroepen. Symank wijst er terecht op dat men bij het woord „allen” in Rom. 5 :18,19, Rom. 11 : 32 en andere plaatsen op het verband moet letten. Met betrekking tot zijn eigen opvatting van de reikwijdte van de verzoening blijven er vragen over. Zo denkt hij bij „de wereld” in 2 Kor. 5 :19 aan alle mensen. De leer van de alverzoening die velen bekoort, moet bestreden worden, want ze gaat tegen de Schrift in. Maar daarbij wordt lang niet altijd ingezien, dat ook de leer van de algemene verzoening onbijbels is.

Ds.J. van Zuijlekom, De rijkdom van preek, doop en avondmaal. Uitg. Van Wijnen, Franeker 1989. 94 blz.

De oorspronkelijke preekvorm is nog wel te herkennen in wat ds. Van Zuijlekom over Zondag 25 tot 31 van de Heid. Catechismus schreef in een goed uitgegeven boekje, dat deel uitmaakt van een serie. Aan duidelijkheid en aan directheid ontbreekt het niet. Er is meer positiefs van te zeggen, hoewel er ook enkele vragen bij te stellen zijn. Als bij Zondag 30 de zelfbeproeving ter sprake komt, wordt op zekerheden gewezen, waarvan men moet uitgaan: „Wie gedoopt is mag weten: ik ben Gods kind en al mijn zonden worden mij echt vergeven”. Dit staat niet op zichzelf. Het is een benadering van de gemeente die we bij vrijgemaakte auteurs wel meer aantreffen, maar waarop we in een gesprek met hen wel dieper zouden willen ingaan. Wij vrezen voor alle vormen van automatisme.

F. van Lieburg, De Nadere Reformatie in Utrecht ten tijde van Voetius. Sporen in de gereformeerde kerkeraadsacta. Uitg. Lindenberg, Rotterdam. 172 blz. Prijs f. 34,90.

Over de tijd van de Nadere Reformatie en over haar woordvoerders is de laatste jaren vrij veel gepubliceerd. De schrijver van dit boek heeft de kerkeraadsnotulen van Utrecht onderzocht om met behulp van een „verkennende werkwijze” - zoals hij het noemt - „een nog vrijwel onbekend aspect van de beweging, namelijk haar kerkelijke praktijk, in het vizier” te krijgen (blz. 139). Het gaat om de periode 1650 tot 1675 toen Voetius een belangrijke rol in Utrecht speelde. In het eerste hoofdstuk (De reformatie der zeden) wordt een aantal „reformatieteksten” aangehaald en besproken die door de Utrechtse kerkeraad werden opgesteld met het doel dat de Reformatie zich „nader” zou realiseren in heel de samenleving. Daarbij werd een stevig beroep op de overheid gedaan, ook al protesteerden met name de Voetianen tegen te grote inmenging van de overheid in kerkelijke aangelegenheden, terwijl zij anderzijds die overheid als „voedsterheren” beschouwden (letterlijk bijna: ’t versorgen van hoorlijke traktamenten van predicanten en schoolmeesters, na advenant de glorie en rijkdommen van Nederland” - 29, 61). Het tweede hoofdstuk stelt de kerkelijke tucht aan de orde, zowel preventief als curatief. Ook hier wordt duidelijk dat notulen altijd slechts een deel van het pastoraat laten zien en dat dat dan zeker niet het beste deel is dat ons daaruit tegemoet komt. Trouwens de „zondenregisters” uit het eerste hoofdstuk doen dat reeds vermoeden. Het „publieke volkskarakter van de gereformeerde kerk in de Republiek” (98) frustreerde het reformatiestreven, zodat het beschreven derde kwart van de zeventiende eeuw een „tegenvallende oogst” opleverde (147). Het derde hoofdstuk dat over het Labadisme gaat, past geheel in dit kader als een vlucht in de gemeente van louter wedergeborenen: de reformatie van het volksleven ingeruild tegen wereldmijding enz.

’t Is goed dat de schrijver besluit - na een lijst van ambtsdragers 1630-1680, archivalia en literatuur plus personenregister - met een woordenlijst: de taal die de scribae destijds gebruikten, was doorregen met vreemde, meest latijnachtige woorden (zouden àlle ambtsdragers die taal toen hebben begrepen?). Voor de bestudering van de Nadere Reformatie is deze studie over de kerkelijke praktijk in Utrecht als „proeftuin” van deze beweging (147) zeker aan te bevelen.

Drs. H. de Jong, Versterkende middelen. Een bundel Schriftstudies. Uitg. Kok-Voorhoeve, Kampen. 98 blz. Prijs f. 14,90.

De titel van dit boekje suggereert min of meer dat wie het ter hand neemt en leest, misschien wel iets versterkends kan gebruiken. De auteur is van mening „dat de christenheid van onze tijd verzwakt is in het geloof” omdat vaak de „gezonde voeding” ontbreekt waar „òf de betrouwbaarheid van Gods Woord wordt ondergraven òf de mensen een oneigenlijk gebruik van de bijbel wordt bijgebracht” (blz. 6). Hij biedt een twintigtal studies aan - voor het merendeel toespraken voor de bekende Middagpauzediensten te Amsterdam - om vanuit de gereformeerde traditie van Schriftbehandeling de toegezegde versterkende middelen te verstrekken. De studies als het „Conciliair Proces” (Gen. 18 :16-33), over het gesprek tussen kerk en synagoge (Matt. 22 : 34-45), over de hel (Luk. 12: 4,5) kunnen inderdaad het „verzwakte” versterken. Maar of wij met al onze „middelen” veel verder komen dan het erf van de gereformeerde traditie? Voor dat „erf” zelf is wat over Hand. 8 :19a (Geef ook mij deze macht) gezegd wordt, zeker niet zonder betekenis (blz. 67 vv.)!

Dr. G.D.J. Dingemans, De tijd van de verborgen God. 199 blz. Uitg. Boekencentrum, Den Haag 1990. Prijs f. 28,90.

In dit boek zijn verschillende reeds eerder gepubliceerde opstellen en referaten (soms bewerkt) bijeengebracht. Andere worden hier voor het eerst gepubliceerd. Het is een combinatie van populair-praktisch èn van wetenschappelijk werk.

De schrijver zoekt zijn positie in de hedendaagse theologie en cultuur te bepalen. Hij spreekt over de verborgen God om aan te duiden dat God niet vanzelfsprekend meer aanwezig is in onze cultuur. Overigenswas Hij dat nooit! De uitdrukking verborgen God vind ik eigenlijk in strijd met het feit dat Hij Zijn openbaring ons heeft gegeven. Daarvoor moet in ons leven plaats worden gemaakt. Dat is een zaak van de Geest, die het Woord en ons hart voor elkaar opent!

In plaats van exodus-theologie wordt voor ballingschapstheologie (exiel) gepleit. De gedachte van bi-polariteit wordt verdedigd. Onzes inziens verlamt die gedachte de oplossing. Het boek getuigt van grote kennis van zaken. We hebben daarvoor veel respect. De oplossing, hoe sympathiek, bescheiden en onder indruk van de nood ook bepleit, lijkt ons te tweesporig om werkelijk hulp te bieden. Er moet teveel van de mens bij, al wordt wel naar de genade verwezen! De tegenstelling tussen licht en duisternis, leven en dood zou het betoog moeten bepalen, lijkt ons.

Verklaring van de Bijbel door Johannes Calvijn, Harmonie van de laatste vier boeken van Mozes. 408 blz. Uitg. De Groot, Goudriaan-Kampen 1989. Prijs f. 79,-.

Dit is het derde deel van Calvijns verklaring van Exodus tot Deuteronomium. In de titel treffen we het woord harmonie aan. Dat wil zeggen, dat teksten of gedeelten die over hetzelfde onderwerp gaan, bijeengebracht zijn en in hun onderlinge samenhang besproken worden.

Dit deel begint met het achtste gebod en gaat door tot het tiende. Dan volgt de hoofdinhoud van de wet, en de sancties door beloften en bedreigingen, met een bespreking van Leviticus 26, Deuteronomium 27 en 28, 29 en 30, daarna: terugkeer tot de geschiedenis. Opvallend is dat hij de bespreking van bepaalde hoofdstukken voorziet van het opschrift: Herhaling van dezelfde geschiedenis, of: Uitvoeriger uitleg van dezelfde zaak.

Calvijns exegese kenmerkt zich door nauwkeurigheid, eerbied voor de tekst, verlangen om de tekst niet te allegoriseren, maar wel haar in haar geestelijke strekking te verstaan. Al die rijke kwaliteiten treft men ook in dit deel aan. Er is een voorlopig register over de eerste drie delen (los) aan toegevoegd. Dit commentaar maakt het bezit van een aantal andere boeken overbodig.

Postille 1989-1990. Onder redactie van Werkgroep Kerk en Prediking. 227 blz. Uitg. Boekencentrum, Den Haag 1989. Prijs f. 44,90.

Nu het eenenveertigste deel van de Postille. Dr. J. van der Laan maakt enkele kanttekeningen bij het preekvoorbereidingsproces onder de titel „Hoe maakt men een preek?” De hoorder neemt hierbij een tamelijk centrale plaats in. Er wordt naar hedendaagse literatuur verwezen. Dezelfde auteur bespreekt recent verschenen homiletische literatuur. Een rubriek die als steeds de moeite waard is. Ditmaal wordt alleen Duitstalige literatuur besproken.

De schetsen (verdeeld in Uitleg en Aanwijzingen voor de prediking) zijn waardevol. Ditmaal staan er van orthodoxe zijde meer bijdragen in dan voorheen. Wat exegetische nauwkeurigheid betreft, verdienen die van drs. Peels over Jozua de prijs, met soms verrassende toepassingen. Het tegendeel van deze schetsen wordt gevormd door die van prof. Dingemans over Openbaring, een brede beschrijving van wat men in de verschillende teksthoofdstukken vindt. De schets over Herodes en Johannes heeft mij meer toegesproken (over Marcus 6 :14-29, geschreven door A. Romein).

De Postille is haar geld waard en geeft goede impulsen voor het preekwerk.

H, Baarlink, Romeinen II. Tekst en toelichting. 122 blz. Uitg. Kok, Kampen 1989. Prijs f. 21,75.

In de bekende serie een nieuw deel. De schrijver behandelt de brief aan de Romeinen vanaf hoofdstuk 9. Er is een interessante Inleiding vooraf bij de hoofdstukken 9-11, waaruit blijkt dat deze hoofdstukken goed aansluiten bij het thema van de brief. De uitleg is globaal en nauwkeurig, ter zake en aansprekend. Opvallend is dat - tot mijn vreugde - 11: 26 wordt uitgelegd als slaande op de eindtijd. Dit in tegenstelling tot veel hedendaagse commentatoren. Over gehoorzaamheid aan het overheidsgezag (13:1-7) en over liefde als vervulling van de wet (13: 8-10) worden prachtige en krachtige dingen gezegd. In de toespitsing op de hedendaagse situatie wordt van die kracht wel iets afgedaan. Een commentaar dat ik met genoegen ter hand zal nemen, al is het beknopt.

Ds. B.J. Aalbers e.a., red. drs. J.P.Heering e.a., Leidse Lezingen: De Kerk Verbouwen, Dingemans’ ecclesiologie critisch bekeken. 187 blz. Uitg. Callenbach, Nijkerk 1989. Prijs f. 29,50.

In de serie Leidse Lezingen wordt steeds een bepaald boek of een bepaalde stroming besproken. Ditmaal is het boek van prof. Dingemans „Een huis om in te wonen” aan de beurt. Vier lezingen en acht commentaren. Over het algemeen kritisch (Runia, Van der Velden, S. Meijers, die een bepaalde vorm van kindercommunie niet afwijst). Prof. Van de Beek en prof. L. Hoedemaker staan het dichtst bij de schrijver. Deze verdedigt zich tegen misverstanden en handhaaft zijn grondstellingen. Enerzijds informatief, anderzijds verwarrend door de veelheid van commentaren. Een boek waarin enkelen diep op de zaken ingaan, snijdt uiteindelijk meer hout. Mij bleef bij de typering spiritualisme (S. Meijers) en: de idee van pluralisme wortelt in modern atheïsme (prof. v.d. Velden). Tegen deze bezwaren heeft de schrijver geen afdoende weerlegging, ook al zegt hij iets anders te willen.

Dr. G.C. Berkouwer, Zoeken en Vinden, Herinneringen en ervaringen. 436 blz. Uitg. Kok, Kampen 1989. Prijs f. 59,-.

Dit is een boek zoals alleen prof. Berkouwer het kan schrijven. Een overzicht van stromingen en figuren, zoals hij deze heeft beleefd en tegen hen heeft aangekeken. Wie zich in dit boek verdiept, herkent de stijl van de auteur van de talrijke Dogmatische Studiën: analyserend, oriënterend en informerend. H. Bavinck en V. Hepp, Geelkerken en K. Heim, Roessingh en Heering krijgen brede aandacht. Het voornaamste deel is gewijd aan motieven en achtergronden van de theologie van K. Schilder, en aan het conflict (met in de titel erbij: wedergeboorte) in 1944. Berkouwer erkent dat het in 1944 anders had moeten verlopen. De analyse van Schilders theologie is verbluffend scherp en behoort tot het beste in dit boek. Tenslotte nog een nabeschouwing over ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk, met een bespreking van het Vaticaans Concilie II en de pausen daar omheen. Berkouwer is erin geslaagd van dit boek iets anders te maken dan wat hij in 1974 schreef: „Een halve eeuw theologie. Motieven en stromingen van 1920 tot heden”.

Dit boek van vijftien jaar later vertoont overeenkomst, maar ook duidelijk verschil. Dat zit vooral in de titel: „Zoeken en vinden. Herinneringen en ervaringen”. Dit is een boek van een denkbeweging en een denkproces. Wat de lezer niet expliciet verwoord vindt, is de conclusie waartoe de schrijver komt. Bij welk station eindigt hij? Er zijn heel wat stations in de laatste vijfentwintig jaar aanbevolen. Kuitert, Schillebeeckx, Berkhof, Montsma, Rothuizen, Firet - de lijst is niet volledig. We krijgen de indruk dat Berkouwer zich het dichtst voelt bij hen, die eenzelfde denkproces doormaken. Of Berkouwer ook daar is uitgekomen waar zij eindigen, is de vraag waarmee de lezer blijft zitten.

Het is een verrassend en boeiend boek, maar tegelijk vanwege het feit dat de theologische situatie in Berkouwers eigen kerk niet duidelijk geëvalueerd wordt, onbevredigend. Of moeten we zeggen dat ook hij die geen oordeel geeft, toch een oordeel geeft? Het vraagteken blijft.

Wim P. Jansen, Voor het preken de kerk uit? 128 blz. Uitg. Boekencentrum, Den Haag. Prijs f. 23,90.

Dit boek is de bewerking van een doctoraalscriptie, die in Brussel is verdedigd. De schrijver is betrokken bij het onderwijs. Hij gaat vaak voor in diensten die afgestemd zijn op de hele gemeente, met name de kinderen. Hij is eigenlijk een tegenstander van kindernevendiensten. Hij wil de kinderen gedurende de hele dienst in de kerk hebben en de preek op hen afstemmen. Hij tracht een theologische rechtvaardiging te geven van zijn standpunt. Hoofdvoorwaarde is, dat zo’n „kindervriendelijke” preek pastoraal, homiletisch, liturgisch, ecclesiologisch en mathetisch (wat het leren betreft) verantwoord is. Hij pleit voor het bouwen van een kring en wil de preek vooral visualiseren. Dit betekent: de boodschap zichtbaar maken.

Er worden drie uitgewerkte voorbeelden gegeven. Verder is er een ideeënbus en een lijst van geraadpleegde literatuur. Kernvraag is: welke hermeneutiek hanteert de schrijver. Die waarin het verhaal van de Bijbel en dat van de mens samenkomen! Vandaar het eigen recht van spreken van het kind. Het kind wordt onderdrukt en moet bevrijd worden (blz. 25). Dit standpunt maakt het onmogelijk dat wij onder het Woord door moeten om ervoor te buigen. Dat is ons hoofdbezwaar. Tweede bezwaar lijkt mij, dat het vermoeiend is elke zondag zo te moeten preken, en (als volwassene) zo’n dienst te moeten meemaken. Of is dit pleidooi bedoeld voor een dienst eens in de zoveel weken? Wordt dan wel aan het kind rechtgedaan (om des schrijvers eigen woorden te gebruiken)? Om erover na te denken hoe in onze diensten kinderen aangesproken en betrokken moeten worden, is dit boek een stimulans - tot zover dan!

Bijbels kinderdagboek, onder redactie van ir. J. van der Graaf, drs. I.A. Kole en ds. L.W. van der Meij. Uitg. Groen, Leiden 1989. −12: Jong geleerd. Prijs f. 14,95.

Dit is de eerste uit een serie van vijf dagboeken, waarvan er tot heden vier zijn verschenen. Dit deeltje is door twaalf auteurs, één per maand, geschreven (zoals ook de andere deeltjes). Predikanten, mensen van het onderwijs, en zij die zich auteur mogen noemen, hebben eraan meegewerkt. Dit boekje is op de jongsten die zelf lezen, afgestemd. Het is een soort Kinderbijbel in dagboekvorm, soms met een pakkende vraag als toepassing, soms met een preekje. Het eerste lijkt mij meer aan te spreken dan het tweede. Soms worden termen gebruikt, die voor deze lezers wat nadere toelichting behoeven. Er zijn altijd opmerkingen te maken. Ten bewijze van mijn waardering en interesse maak ik er drie. „Jezus is een wonderdoende God” (26 febr.) lijkt mij geen juiste formulering. „Door de geest” (25 dec.) vraagt om een hoofdletter G. „De laatste” (31 dec.) is te kort uitgedrukt om duidelijk te zijn. In het algemeen veel waardering, zij het voor de stukjes van de ene maand meer dan voor die van de andere.

+ 12: En toch leren. Prijs f. 16,95.

Een enigszins groter formaat, en twee gulden duurder. Nu niet om personen gegroepeerd (zoals bij het andere kinderdagboek), maar om Bijbelboeken, respectievelijk Bijbelgedeelten. Er is nogal wat verschil in taalgebruik en in betrokkenheid. Soms is de afstand tot de jonge lezer wel erg groot; een andere keer praat de auteur met de jongere in diens eigen leefwereld en op diens eigen taalveld. Soms is het stukje een „lesje”. Dit verschil is welhaast onvermijdelijk als twaalf auteurs meewerken. Zij zijn vooral afkomstig uit het VWO. Een predikantsvrouw (drs.) werkte mee. Zij springt er ook kwalitatief uit! Ook nu waardering, niet in het minst voor de vaak kernachtig gekozen kopjes boven elk stukje. Overal wordt de Statenvertaling gebruikt.

Bijbels jongerendagboek. −18: De weg leren, red. 6J. van der Graaf e.a. Uitg. Groen, Leiden. Prijs f. 16,75.

Het derde in de tot nu toe verschenen vier delen van de serie van vijf. Bijbelboeken worden behandeld door predikanten (zes in getal) en door mensen die uit hoofde van hun werk veel met jongeren te maken hebben. Twee dagen per pagina. Dikwijls pakkende, steeds ernstig gestelde stukjes, uitlopend op een vraag of een aansporing. De combinatie van een Psalm en een stukje uit Romeinen vind ik minder geslaagd. De keus van de Psalmen geschiedt niet in vaste volgorde, evenmin die van de hoofdstukken uit de brief aan de Romeinen. Ik erken dat de keus van Schriftgedeelten niet gemakkelijk is. Misschien dat de redactie hieraan meer leiding had kunnen geven?

+18: In de leer. Prijs f. 24,95.

Nu een deel voor de oudere jongeren, per bladzijde een dag. Het gaat nu om bijbelse kernwoorden, begrippen uit de geloofsleer, de sacramenten, thema’s uit het christelijke leven. Dit deel spreekt mij minder aan dan de voorgaande delen. Het maandthema wordt tamelijk willekeurig, weinig systematisch uitgewerkt. Wie de beknopte aanduiding per maand achterin ziet, zou soms meer, soms wat anders verwacht hebben.

Veel stukjes zijn een bladzijde praktische dogmatiek in het klein, terwijl de dagtekst en de schriftlezing per maand nogal willekeurig zijn gekozen. Elke overdenking heeft haar eigen opschrift, soms karakteristiek gekozen, soms met minder zorg neergeschreven.

Wat mij moeilijk valt is dat niet zozeer de tekst wordt uitgelegd. De tekst is dikwijls (niet altijd) aanleiding tot een beschouwing over een facet van het maandthema. Ook hier had de redactie meer aanwijzingen moeten geven, dan ik vermoed dat nu is gebeurd.

Dr. ir. E. Schuurman, Het technische paradijs. 70 blz. Uitg. Kok, Kampen 1989. f. 14,90. Een klein, maar waardevol boekje. Het behandelt een van de drie thema’s van het conciliair proces. Voor een deel een weergave van de Wageningse inaugurele rede van de schrijver. Toch treffen we hier meer aan: een doorlichting van de wortels van de huidige cultuurcrisis. Ook in andere geschriften is de auteur daarmee bezig geweest. Hier vindt men in kort bestek alles bijeen. Het technicisme dat alles maakbaar acht, en wat niet maakbaar is, veracht. De reductie van de werkelijkheid tot een atheistisch rationalisme, dat over de werkelijkheid heerst. De mens is God kwijt en het zicht op de structuren die God als normatief heeft geschapen. De auteur wijst een weg: liefde tot God en de naaste, eerbied voor Gods schepping. Dat is een bredere en betere boodschap dan die van het Conciliair Proces.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.